World Intellectual Property Organization

Netherlands

Wet van 19 februari 2005, houdende een nieuwe regeling voor het toelaten van rassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht (Zaaizaad- en plantgoedwet 2005)

 

 


(Tekst geldend op: 12-04-2011)

Wet van 19 februari 2005, houdende een nieuwe regeling voor het toelaten van rassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht (Zaaizaad- en plantgoedwet 2005)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling voor het toelaten van plantenrassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht vast te stellen, mede gelet op het op 2 december 1961 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (Trb. 1962, 117), zoals dit laatstelijk is herzien bij Akte van 19 maart 1991 (Trb. 1992, 52), alsmede gelet op diverse Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b.
de Raad: de Raad voor plantenrassen, genoemd in artikel 2;
c.
ras: plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden die deze wet stelt voor de verlening van een kwekersrecht, kan worden – gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het

resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen, – onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste één van die eigenschappen, en – beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd;

d.
het rassenregister: het Nederlands rassenregister, genoemd in artikel 25;
e.
opstand: afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie
bomen;
f.
teeltmateriaal: planten en plantendelen, die bestemd zijn om voor de teelt van
gewassen of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden;
g.
in de handel brengen: bedrijfsmatig ter beschikking of in voorraad houden, uitstallen of te koop aanbieden, verkopen, bezitten met het oog op de verkoop, alsmede tegen of zonder vergoeding aan derden beschikbaar stellen, leveren of overdragen;
h.
instandhouder: degene die ervoor zorgdraagt dat een toegelaten ras in stand wordt gehouden;
i.
leverancier: elke natuurlijke of rechtspersoon die, anders dan voor gebruik in het eigen bedrijf, beroepshalve teeltmateriaal vermeerdert, produceert, bewaart, be- of verwerkt, importeert of in de handel brengt;
j.
kweker: degene die een ras door eigen arbeid heeft gekweekt of die het ras heeft ontdekt en ontwikkeld, of diens rechtverkrijgende;
k.
Unie: Unie tot bescherming van kweekprodukten, gevormd door de staten die partij zijn bij het op 2 december 1961 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (Trb. 1962, 117), zoals dit laatstelijk is herzien bij

Akte van 19 maart 1991 (Trb. 1992, 52);

l.
Unie-staat: staat die deel uitmaakt van de Unie;
m.
handelsrichtlijn of -verordening: richtlijn, onderscheidenlijk verordening, van de Raad van de Europese Unie of van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk die geheel of gedeeltelijk berust op de artikelen 37, 52, 95, 152 of 175 van het EG-Verdrag, betrekking heeft op de plantaardige sector en regels stelt over de economische activiteiten in die sector, de belangen van afnemers, de interne markt, de kwaliteit, de productie met het oog op het in de handel brengen en het in de handel brengen van teeltmateriaal, het milieu, de volksgezondheid, technische eisen of het verschaffen van informatie;
n.
gedelegeerde richtlijn, verordening of beschikking: richtlijn, verordening, onderscheidenlijk beschikking, van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die berust op een handelsrichtlijn of -verordening.

Hoofdstuk 2. Raad voor plantenrassen

Artikel 2

Er is een Raad voor plantenrassen, die tot taak heeft:

a.
het inschrijven van rassen en opstanden in het rassenregister overeenkomstig
hoofdstuk 4 van deze wet;
b.
het toelaten van rassen en opstanden overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze wet;
c.
het verlenen van kwekersrecht overeenkomstig hoofdstuk 7 van deze wet;
d.
het op grond van artikel 26 opstellen en bekend maken van nationale lijsten van toegelaten rassen en opstanden, en
e.
het toelaten en in het rassenregister inschrijven van plantengroepen als bedoeld in artikel 85.

Artikel 2a

Op de Raad voor plantenrassen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

Artikel 3
  1. De Raad bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste elf leden, de voorzitter daaronder begrepen. De benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid op het gebied van de taken waarmee de Raad is belast.
  2. De Raad kan uit zijn midden één of meer plaatsvervangend voorzitters aanwijzen.
  3. Aan de Raad worden een secretaris en één of meer adjunct-secretarissen toegevoegd, die door Onze Minister worden benoemd.
  4. Aan de Raad is ter ondersteuning van zijn werkzaamheden een bureau verbonden, aan het hoofd waarvan de in het derde lid bedoelde secretaris is gesteld.
  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen één of meer afdelingen van de Raad worden ingesteld.
Artikel 4
  1. De benoeming van de voorzitter en de overige leden vindt plaats voor een periode van vijf jaar.
  2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn na hun aftreden terstond herbenoembaar. Zij kunnen ten hoogste twee maal worden herbenoemd.
  3. Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af

op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.

Artikel 5

De voorzitter en de overige leden, de secretaris en de adjunct-secretarissen nemen niet deel aan de behandeling van zaken, waarbij zij in enig opzicht persoonlijk betrokken zijn.

Artikel 6
  1. De kosten van de Raad komen ten laste van de rijksbegroting.
    1. Onze Minister stelt tarieven vast voor:
      1. het in behandeling nemen van verzoeken om inschrijvingen en aantekeningen in het rassenregister;
      2. het in behandeling nemen van aanvragen voor de toelating van rassen en opstanden;
      3. het in behandeling nemen van aanvragen voor kwekersrecht;
      4. het uitvoeren van het technisch onderzoek dat noodzakelijk is om aanvragen als bedoeld in onderdeel b en c te kunnen beoordelen;
      5. het verstrekken van afschriften en uittreksels uit het rassenregister;
      6. elk jaar dat een ras of opstand in verband met de toelating of in verband met de verlening van kwekersrecht in het rassenregister staat ingeschreven;
      7. het verstrekken van adviezen als bedoeld in artikel 58, vierde lid, en
      8. het in behandeling nemen van aanvragen voor de toelating van plantengroepen als bedoeld in artikel 85.
    1. De tarieven, bedoeld in het tweede lid:
      1. hebben een rechtstreeks verband met de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met h,
      2. belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan die onderscheiden activiteiten, en
      3. worden per gewas of per categorie van gewassen waarop de activiteiten van de Raad betrekking hebben, afzonderlijk vastgesteld.
  2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de oplegging en inning van de tarieven alsmede met betrekking tot het periodiek aanpassen van de tarieven aan de ontwikkelingen van de lonen en prijzen.
  3. Bij gebreke van betaling binnen de door de Raad gestelde termijn kan de Raad het verschuldigde bedrag invorderen bij dwangbevel. De artikelen 4:114 tot en met 4:124 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
  4. De Raad neemt geen stukken in behandeling en verstrekt geen afschriften en uittreksels uit het rassenregister, zolang niet het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag wordt voldaan.
Artikel 7
  1. De Raad kan getuigen en deskundigen horen in verband met het toelaten van rassen en opstanden en het verlenen van kwekersrecht.
  2. Ieder, die als getuige is opgeroepen, is verplicht aan deze oproep gehoor te geven.
  3. De artikelen 191 en 203, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vinden ten aanzien van de getuige overeenkomstige toepassing.
  4. De Raad kan bevelen, dat getuigen, die hoewel behoorlijk opgeroepen niet zijn verschenen, door de openbare macht worden voorgeleid.
  5. De artikelen 197 tot en met 199, 203 en 205 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn ten aanzien van het getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing.
  6. De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Artikel 8

1. De Raad stelt een bestuursreglement vast, waarin in ieder geval wordt geregeld:

a.
de werkwijze van de Raad en de taakverdeling tussen de leden;
b.
de oproeping van aanvragers, verzoekers en andere belanghebbenden alsmede van getuigen en deskundigen;
c.
de aan getuigen en deskundigen toe te kennen geldelijke vergoedingen.
  1. De Raad kan bij het in het eerste lid bedoelde bestuursreglement de vertegenwoordiging in en buiten rechte opdragen aan een of meer leden van de Raad of aan de secretaris. De Raad kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde aangelegenheden.
  2. De Raad kan bij het in het eerst lid bedoelde reglement de uitoefening van daarbij aan te wijzen taken en bevoegdheden opdragen aan een of meer leden of aan de secretaris. Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010] Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2010]

Hoofdstuk 3. Keuringsinstellingen Artikel 19

  1. Bij algemene maatregel van bestuur worden een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid belast met de keuring van teeltmateriaal en het uitreiken van bewijsstukken of kentekenen ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 6 van deze wet.
  2. De in het eerste lid bedoelde keuring strekt ertoe vast te stellen of teeltmateriaal voldoet aan de bij of krachtens hoofdstuk 6 van deze wet gestelde regels, onder meer door middel van onderzoek van het teeltmateriaal of de herkomst daarvan, door middel van bemonstering en door middel van het uitvoeren van tests.
  3. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan een ingevolge dat lid aangewezen keuringsinstelling tevens worden belast met de erkenning of registratie van leveranciers, bedoeld in artikel 42.

Artikel 20

  1. Een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling is niet werkzaam met het oogmerk om winst te behalen.
  2. De keuringsinstelling stelt een reglement vast waarin wordt geregeld de wijze waarop de keuring wordt uitgevoerd en de wijze waarop het uitreiken van bewijsstukken en kentekenen plaatsvindt. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of op de grond dat het reglement naar het oordeel van Onze Minister een goede taakuitoefening door de keuringsinstelling kan belemmeren.

Artikel 21

1. Voor zover de kosten van een keuringsinstelling betrekking hebben op de in artikel 19 bedoelde wettelijke taken, worden zij gedekt uit de door de keuringsinstelling vast te stellen en in rekening te brengen tarieven voor:

a.
het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 39, zesde lid;
b.
het verrichten van de in artikel 40 bedoelde keuring ;
c.
het uitreiken van bewijsstukken en kentekenen, bedoeld in artikel 41;
d.
de behandeling van een aanvraag tot erkenning of registratie van leveranciers, bedoeld in artikel 42, dan wel van een aanvraag tot verlenging of wijziging daarvan;
e.
de instandhouding van een erkenning of registratie als bedoeld in onderdeel d en
f.
het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 64.

2. De tarieven, bedoeld in het eerste lid:

a.
hebben een rechtstreeks verband met de in dat lid bedoelde activiteiten,
b.
belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan die onderscheiden activiteiten, en
c.
worden per gewas of per categorie van gewassen waarop de activiteiten van de keuringsinstelling betrekking hebben, afzonderlijk vastgesteld.
  1. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de oplegging en inning van de tarieven alsmede met betrekking tot het periodiek aanpassen van de tarieven aan de ontwikkelingen van de lonen en prijzen.
  2. Bij gebreke van betaling binnen de door de keuringsinstelling gestelde termijn kan de keuringsinstelling het verschuldigde bedrag invorderen bij dwangbevel. De artikelen 4:114 tot en met 4:124 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
  3. De keuringsinstelling verricht geen activiteiten als bedoeld in het eerste lid of staakt deze, indien niet het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag wordt voldaan.

Artikel 22

  1. Wijzigingen van de statuten van een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling behoeven, alvorens zij van kracht zijn, de instemming van Onze Minister. Onze Minister draagt zorg voor de publicatie van de statuten in de Staatscourant.
  2. De benoeming en het ontslag van de voorzitter van een keuringsinstelling behoeft voorafgaande goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 23

De keuringsinstelling houdt een afzonderlijke boekhouding bij ter zake van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en daaruit onmiddellijk voortvloeiende werkzaamheden en verantwoordt die taken en werkzaamheden afzonderlijk in haar jaarrekening.

Artikel 24

Op een keuringsinstelling als bedoeld in dit hoofdstuk is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

Hoofdstuk 4. Het rassenregister Artikel 25

  1. Er is een Nederlands rassenregister dat bestemd is voor de inschrijving van rassen en opstanden. Het register is openbaar.
    1. In het rassenregister worden ingeschreven:
      1. rassen en opstanden, die ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet zijn toegelaten;
      2. rassen, waarvoor ingevolge hoofdstuk 7 van deze wet kwekersrecht is verleend;
      3. plantengroepen als bedoeld in artikel 85.
  2. De inschrijving geschiedt door de Raad door vermelding van de door de Raad vastgestelde karakteriserende beschrijving en, voor zover het rassen betreft, van de door de Raad vastgestelde benaming.
  3. De ingeschreven benaming wordt aangemerkt als soortaanduiding.
    1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inrichting van het rassenregister en de gegevens die bij de inschrijving van rassen, opstanden en plantengroepen, bedoeld in het tweede lid, worden vermeld. De in de eerste volzin bedoelde gegevens betreffen in ieder geval:
      1. een vermelding van het uitgevoerde technisch onderzoek voor de toelating van een ras of een opstand, onderscheidenlijk de verlening van kwekersrecht, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdelen a, b en c, onderscheidenlijk artikel 49, zevende lid;
      2. voor zover het toegelaten rassen betreft: een vermelding van de instandhouder of instandhouders;
      3. voor zover het opstanden betreft: een vermelding van de eigenaar of beheerder en de groeiplaats van de opstand.

Artikel 26

  1. Ter uitvoering van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt de Raad nationale lijsten samen van de in Nederland van een gewas toegelaten rassen en opstanden, op basis van de in het rassenregister opgenomen gegevens.
  2. Van de vaststelling van een nationale lijst als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 27

  1. De in artikel 25, derde lid, bedoelde benaming is geschikt om het ras waarvoor zij wordt gebezigd, te identificeren.
    1. De benaming verschilt in het bijzonder:
      1. voor zover het een ras betreft waarvoor kwekersrecht is verleend: van iedere benaming die in enige Unie-Staat een reeds bestaand ras van hetzelfde of van een verwant gewas aanduidt;
      2. voor zover het andere rassen betreft: van iedere benaming die in enige lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de

Europese Economische Ruimte een reeds bestaand ras van hetzelfde of een verwant gewas aanduidt.

  1. De benaming is niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden.
  2. De benaming is gelijk aan de benaming die reeds in enige Unie-Staat, onderscheidenlijk in enige lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor het ras is ingeschreven, mits deze voor gebruik hier te lande geschikt is.
  3. Geen benaming wordt vastgesteld die zodanig met een handelsnaam of merk overeenstemt, dat het gebruik daarvan aanleiding kan geven tot verwarring omtrent de aard of herkomst van waren.
  4. Bij ministeriële regeling worden, ter uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere regels gesteld omtrent de benaming. Bij het stellen van regels als bedoeld in de eerste volzin wordt tevens rekening gehouden met de door de Raad van de Europese Unie vastgestelde aanbevelingen met betrekking tot de benaming van rassen waarvoor kwekersrecht is verleend.

Artikel 28

  1. Alvorens een benaming vast te stellen, doet de Raad van het voornemen daartoe mededeling in de Staatscourant.
  2. Een belanghebbende kan gedurende acht weken na de in het eerste lid bedoelde mededeling bij de Raad bedenkingen op grond van artikel 27, vijfde lid, tegen de benaming inbrengen.
  3. De Raad stelt geen benaming vast alvorens zij over de in het tweede lid bedoelde bedenkingen heeft beslist.
  4. Het bureau, bedoeld in artikel 1 van de Rijksoctrooiwet 1995 verstrekt aan de Raad desgevraagd inlichtingen omtrent bij hem ingeschreven merken.

Artikel 29

  1. Bij de aanvraag tot verlening van kwekersrecht en bij de aanvraag voor de toelating van een ras, doet de aanvrager een voorstel voor de benaming van het ras.
  2. De aanvrager kan ook volstaan met een voorlopige benaming. In dat geval is hij verplicht op een nader door de Raad te bepalen tijdstip een voorstel voor een definitieve benaming te doen.
  3. Het voorstel voor de benaming gaat vergezeld van een akte, inhoudende, dat de aanvrager, ingeval de voorgestelde benaming wordt ingeschreven, afstand doet van de rechten, die hem in enige Unie-Staat, respectievelijk in enige lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, met betrekking tot deze benaming voor gelijke of gelijksoortige waren mochten toekomen.
  4. De Raad stelt de voorgestelde benaming of de in artikel 27, vierde lid, bedoelde benaming vast, tenzij de Raad van oordeel is dat artikel 27 zich daartegen verzet. In dat geval stelt de Raad de aanvrager in de gelegenheid een andere benaming voor te stellen.
  5. De Raad verstrekt desgevraagd aan het bureau, bedoeld in artikel 1 van de Rijksoctrooiwet 1995 en het Bureau van de Unie inlichtingen over de bij hem ingeschreven benamingen.

Artikel 30

  1. Indien het gebruik van een ingeschreven benaming voor teeltmateriaal van het ras, waarvoor deze is ingeschreven, op grond van een aan een ander met betrekking tot deze benaming toekomend recht bij rechterlijke uitspraak wordt verboden, haalt de Raad op verzoek van de meest gerede partij de ingeschreven benaming door en schrijft hij een voorlopige benaming in, in overleg met degene die belang heeft bij de toelating van een ras of met de houder van het kwekersrecht.
  2. De Raad stelt een gewijzigde benaming vast, na degene die belang heeft bij de toelating van een ras of de houder van het kwekersrecht in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een daarbij te bepalen termijn een andere benaming voor te stellen en schrijft de gewijzigde benaming in. Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing.
  3. Indien komt vast te staan dat een ras niet onder de ingeschreven benaming kan worden opgenomen op een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor het gewas, waartoe het ras behoort, vastgestelde gemeenschappelijke rassenlijst, kan de Raad op een daartoe strekkend verzoek van de houder van het kwekersrecht, of van degene die om de toelating van een ras heeft verzocht, een ingeschreven benaming doorhalen en een voorlopige benaming inschrijven. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 31

  1. De Raad kan een voorlopige karakteriserende beschrijving vaststellen en inschrijven.
    1. De Raad kan de in het eerste lid bedoelde beschrijving aanvullen en schrijft deze aanvulling in:
      1. op verzoek van de aanvrager;
      2. ambtshalve, indien dit in verband met de beschrijving van een ander ras noodzakelijk is, in welk geval degene die belang heeft bij de toelating van een ras dan wel de houder van het kwekersrecht wordt gehoord, of om andere redenen, maar dan alleen in overeenstemming met de hiervoor bedoelde personen.

Artikel 32

Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden de beslissingen van de Raad ingevolge dit hoofdstuk bekendgemaakt aan de in artikel 28 bedoelde belanghebbende, degene die ingevolge de artikelen 30 en 31 belang heeft bij de toelating van een ras en de in de artikelen 30 en 31 bedoelde houder van het kwekersrecht.

Artikel 33

Van de in dit hoofdstuk en de hoofdstukken 5 en 7 bedoelde aanvragen en verzoeken en van de intrekking en afwijzing van de aanvragen en verzoeken wordt aantekening gedaan in het rassenregister en mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 34

De in dit hoofdstuk en de hoofdstukken 5 en 7 bedoelde inschrijvingen en aantekeningen krachtens beslissingen, waartegen beroep openstaat, geschieden, zodra op het beroep is beslist of de beroepstermijn verstreken is, zonder dat beroep is ingesteld, dan wel zodra van het beroep afstand is gedaan door een schriftelijke daartoe strekkende kennisgeving aan de Raad.

Hoofdstuk 5. Toelating van rassen en opstanden

Artikel 35

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toelating van rassen en opstanden, die per gewas verschillend kunnen zijn. Deze regels kunnen in ieder geval betreffen:

a.
de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een ras
onderscheidbaar, homogeen en bestendig is;
b.
de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een ras
voldoende cultuur- en gebruikswaarde bezit;
c.
de eis dat op basis van een technisch onderzoek wordt vastgesteld of een opstand voor bosbouwkundige doeleinden voldoet aan bij of krachtens de in de aanhef bedoelde maatregel vast te stellen voorwaarden ten behoeve van de productie van bij die maatregel aan te wijzen categorieën van teeltmateriaal;
d.
de kenmerken waartoe het in de onderdelen a, b en c bedoelde technisch onderzoek zich uitstrekt alsmede de voor dit onderzoek geldende eisen en
e.
nadere eisen aan de toelating alsmede de voorwaarden waaronder en de gevallen waarin de toelating door de Raad wordt gewijzigd of ingetrokken.
  1. Een ras wordt als onderscheidbaar aangemerkt indien het duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. Een ras wordt als algemeen bekend beschouwd indien het ras op het ogenblik waarop de aanvraag tot toelating van een te beoordelen ras wordt ingediend, hetzij voorkomt op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, hetzij is toegelaten dan wel het onderwerp is van een aanvraag tot toelating in een lidstaat van de Europese Unie.
  2. Een ras wordt als homogeen aangemerkt, indien het, behoudens de variatie die mag worden verwacht van de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering ervan, voldoende eenvormig is wat zijn van belang zijnde eigenschappen betreft.
  3. Een ras wordt als bestendig aangemerkt indien zijn van belang zijnde eigenschappen onveranderd blijven na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van een bijzondere vermeerderingscyclus, aan het einde van iedere cyclus.
  4. Een ras bezit voldoende cultuur- en gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van andere in Nederland toegelaten rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent voor hetzij de teelt, hetzij de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Een lager niveau van bepaalde eigenschappen kan door andere gunstige eigenschappen gecompenseerd worden.
  5. Het in het eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde technisch onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Raad. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de Raad ten behoeve van het technisch onderzoek van een ras gebruik kan maken van reeds met betrekking tot dat ras bestaande onderzoeksrapporten of van de resultaten van door de aanvrager zelf verrichte onderzoeken en bij de teelt opgedane praktische ervaringen.

Artikel 36

  1. De Raad beslist op aanvraag omtrent de toelating van een ras of van een opstand.
    1. De aanvraag voor de toelating van een ras bevat de volgende gegevens:
      1. een voorstel voor de benaming van het ras, bedoeld in artikel 29;
      2. een karakteriserende beschrijving van het ras en
      3. een nauwkeurige aanduiding van de eigenschappen, waardoor het ras zich van andere rassen van hetzelfde gewas onderscheidt.
    1. Een voor het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdelen a en b,
    2. voldoende hoeveelheid van het materiaal van het ras, waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt op vordering van de Raad en overeenkomstig nader door de Raad te stellen eisen aan de Raad ter beschikking gesteld.
  2. De aanvraag voor de toelating van een opstand bevat een vermelding van de eigenaar of beheerder van de opstand, een vermelding van de locatie van de opstand alsmede een karakteriserende beschrijving van de opstand.

Artikel 37

  1. Een toegelaten ras, onderscheidenlijk een toegelaten opstand, wordt ingeschreven in het rassenregister, waarbij gelijktijdig met de inschrijving van het ras, onderscheidenlijk van de opstand, aantekening wordt gedaan van de toelating en van de krachtens artikel 39, derde lid, aangewezen instandhouder of instandhouders, onderscheidenlijk van de eigenaar of beheerder van de opstand.
  2. De toelating verkrijgt als dagtekening en begint te werken de dag, onmiddellijk volgend op die waarop de in het vorige lid bedoelde inschrijving en aantekening in het rassenregister zijn gedaan.
    1. De Raad draagt er zorg voor dat een toegelaten ras, dat zich niet duidelijk onderscheidt van:
      1. een ras dat voorheen in Nederland of een andere lidstaat was toegelaten, of
      2. een ander ras dat is beoordeeld op onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid volgens regels die overeenkomen met de op grond van artikel 35 gestelde regels zonder evenwel een algemeen bekend ras als bedoeld in artikel 35, tweede lid, te zijn,

de naam van het desbetreffende ras draagt.

4. Het vorige lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde benaming misleidend is of verwarrend kan werken voor wat het ras betreft, of indien andere feiten het gebruik ervan beletten, of indien een recht van een derde het vrije gebruik van deze benaming voor het betrokken ras in de weg staat.

Artikel 38

  1. De toelating van een ras of opstand vervalt van rechtswege, zodra zes maanden zijn verstreken sinds de vergoeding, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, verschuldigd is geworden, zonder dat betaling daarvan heeft plaats gehad. Van dit vervallen wordt in het rassenregister aantekening gedaan.
  2. Indien binnen veertien dagen na de vervaldag niet is betaald wordt degene, die volgens het rassenregister instandhouder van het ras is, dan wel de aanvrager van de toelating van een opstand, door de Raad bij aangetekende brief aan zijn verplichting tot betaling herinnerd.

Hoofdstuk 6. In de handel brengen van teeltmateriaal

Artikel 39

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van bij die maatregel aan te wijzen gewassen regels gesteld over het in de handel brengen van teeltmateriaal van tot die gewassen behorende rassen of opstanden. Deze regels kunnen onder meer inhouden:

a. de voorwaarde dat uitsluitend teeltmateriaal in de handel wordt gebracht, indien het afkomstig is van een ras dat of een opstand die is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen of opstanden;

b.
de voorwaarde dat slechts bepaalde categorieën van teeltmateriaal in de handel worden gebracht;
c.
de voorwaarde dat bepaalde categorieën van teeltmateriaal uitsluitend in de handel worden gebracht door de houder van het kwekersrecht van het desbetreffende ras, of, indien voor het ras geen kwekersrecht bestaat, door de voor het ras bij de Raad geregistreerde instandhouders.

2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen tevens regels worden gesteld omtrent:

a.
het toezicht op de instandhouding en het in de handel brengen van teeltmateriaal van een ras dat niet langer in stand gehouden wordt;
b.
het in de handel brengen met het oog op uitvoer buiten het grondgebied van de Europese Unie van teeltmateriaal van rassen en opstanden die niet voldoen aan de in het eerste lid, onder a gestelde voorwaarden.
  1. De registratie van instandhouders, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geschiedt door de Raad op aanwijzing van de keuringsinstelling. Indien dit om kweektechnische redenen noodzakelijk is, wijst de Raad één instandhouder aan. Deze laatste is verplicht onder daartoe door de Raad te stellen voorwaarden aan anderen, die daartoe de wens kenbaar hebben gemaakt, voor de voortbrenging van teeltmateriaal geschikt materiaal te verstrekken.
  2. Ten aanzien van gewassen, waarvoor bij bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen regels zijn gesteld omtrent het in de handel brengen, die ingevolge de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing zijn op het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte, zijn het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte.
  3. In afwijking van de krachtens het eerste lid gestelde regels is het toegestaan kleine hoeveelheden teeltmateriaal in de handel te brengen voor wetenschappelijke of kweekdoeleinden.
  4. In afwijking van de krachtens het eerste lid gestelde regels kan een keuringsinstelling op verzoek toestemming verlenen, hetzij om voor een bepaalde tijd teeltmateriaal in de handel te brengen, hetzij voor het in de handel brengen van passende hoeveelheden teeltmateriaal voor onderzoeks- en beproevingsdoeleinden of voor de instandhouding van de genetische diversiteit, voor zover het gaat om teeltmateriaal van een ras of opstand waarvoor in tenminste één lidstaat van de Europese Unie een aanvraag tot toelating is ingediend.
  5. De voorwaarden waaronder de in het zesde lid bedoelde toestemming kan worden gegeven alsmede de in dat lid bedoelde hoeveelheden worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 40

  1. Het is verboden teeltmateriaal in de handel te brengen waarvan niet op basis van een keuring is vastgesteld dat het voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels inzake de kwaliteit van het teeltmateriaal.
    1. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op:
      1. de rasechtheid, de gezondheid, de groeikracht, de afmetingen en de zuiverheid van het teeltmateriaal;
      2. de sortering, de classificatie, de verzorging, de verpakking, de verlading en de

aanduiding of etikettering van het teeltmateriaal, voor zover verband houdende met de in onderdeel a genoemde onderwerpen;

c.
de technische inrichting en administratie van het bedrijf alsmede de technische
bedrijfsvoering en
d.
de wijze van keuring van het teeltmateriaal.

Artikel 41

  1. Indien bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 40 regels zijn gesteld omtrent de keuring van teeltmateriaal, kunnen daarbij bewijsstukken en kentekenen worden vastgesteld als uitsluitend bestemd om door of vanwege de daartoe gerechtigde op teeltmateriaal of de verpakking te worden aangebracht, dan wel bij het teeltmateriaal te worden gevoegd.
  2. Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in artikel 40 kunnen voorts regels worden gesteld betreffende het uitreiken, vervaardigen, voorhanden en in voorraad hebben, alsmede het afleveren en gebruiken van bewijsstukken en kentekenen en van cliché’s, stempels en andere werktuigen tot het vervaardigen of aanbrengen van die bewijsstukken en kentekenen.

Artikel 42

  1. Het is leveranciers verboden teeltmateriaal van door Onze Minister aangewezen gewassen in de handel te brengen zonder daartoe strekkende erkenning of registratie door een keuringsinstelling.
  2. Een erkenning of registratie is slechts geldig voor een daarbij genoemde periode voor de daarbij genoemde handelingen met betrekking tot teeltmateriaal van daarbij genoemde gewassen.
  3. Aan een erkenning of registratie kunnen door de keuringsinstelling voorwaarden of voorschriften worden verbonden. Een erkenning of registratie kan onder beperkingen worden verleend, onderscheidenlijk plaatsvinden.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op leveranciers die alleen verkopen of leveren aan personen die zich niet beroepshalve bezighouden met de productie van gewassen of het in de handel brengen van teeltmateriaal.

Artikel 43

  1. Een erkenning of registratie als bedoeld in artikel 42 wordt op verzoek verleend, onderscheidenlijk vindt op verzoek plaats indien is voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
    1. De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen onder meer betrekking hebben op:
      1. de technische inrichting van het bedrijf;
      2. het productieproces en de opslag;
      3. documentatie met betrekking tot het productieproces, de opslag of de aflevering en
      4. voorzieningen ten behoeve van het toezicht dan wel de douanecontrole op de
        naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 44

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het indienen van een aanvraag tot erkenning of registratie dan wel tot verlenging of wijziging daarvan alsmede omtrent de wijze van behandeling. Daarbij kan onder meer worden bepaald:

a.
welke gegevens en bescheiden worden overgelegd alvorens een aanvraag in
behandeling wordt genomen;
b.
binnen welke termijn na wijziging van de in onderdeel a bedoelde gegevens een wijziging van de erkenning of registratie wordt aangevraagd.

Artikel 45

Een erkenning of registratie als bedoeld in artikel 42 kan door de keuringsinstelling worden geschorst, ingetrokken dan wel doorgehaald, indien:

a.
de handelingen waarvoor de erkenning is verleend of registratie heeft plaatsgevonden, niet meer worden verricht, of
b.
niet meer aan de in artikel 43 bedoelde eisen wordt voldaan, nadat de houder van de erkenning of de registratie een redelijke termijn tot aanpassing is gegeven.

Artikel 46

  1. Onverminderd het recht tot het voeren van een handelsnaam en een merk wordt teeltmateriaal van een ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet in het rassenregister ingeschreven ras uitsluitend onder de ingeschreven benaming in de handel gebracht.
  2. Indien in enig land voor een ras een andere benaming is voorgeschreven dan de hier te lande ingeschreven benaming, wordt teeltmateriaal van dat ras slechts naar dat land uitgevoerd onder de aldaar voorgeschreven benaming.
    1. In afwijking van het eerste lid wordt teeltmateriaal van een ingeschreven ras uitgevoerd onder een in het land van invoer gebruikelijke benaming:
      1. naar andere dan Unie-staten, voor zover het een ras betreft waarvoor kwekersrecht is verleend, dan wel
      2. naar andere staten dan één der lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover het een ras betreft waarvoor geen kwekersrecht is verleend.
  3. De ingeschreven benaming of een daarmee overeenstemmend woord wordt niet gebruikt voor ander teeltmateriaal van hetzelfde of een verwant gewas.

Artikel 47

  1. De keuringsinstelling draagt er zorg voor dat teeltmateriaal, dat niet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels voldoet, uit de handel wordt genomen. Hiertoe verplicht de keuringsinstelling de overtreder schriftelijk om binnen een door haar te bepalen termijn ondeugdelijk teeltmateriaal uit de handel te nemen, op te slaan of te vernietigen.
  2. Indien een overtreder niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn maatregelen als bedoeld in dat lid treft, is de keuringsinstelling bevoegd op kosten van de overtreder zelf zodanige maatregelen te treffen.
  3. De keuringsinstelling kan van de overtreder bij dwangbevel de ingevolge het tweede lid verschuldigde kosten invorderen. De artikelen 4:114 tot en met 4:124 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48

  1. Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.
  2. Vrijstellingen en ontheffingen worden slechts verleend:

a. om de markt te kunnen voorzien van voldoende teeltmateriaal van gewassen waarvan de teelt van belang is, of

b. ten behoeve van het uitvoeren van tijdelijke experimenten.

3. Aan vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden.

Hoofdstuk 7. Kwekersrecht

Paragraaf 1. De aanspraak op verlening van kwekersrecht

Artikel 49
  1. Kwekersrecht kan worden verleend voor rassen van alle tot het plantenrijk behorende gewassen, voor zover het rassen betreft die nieuw, onderscheidbaar, homogeen en bestendig zijn.
    1. Een ras wordt als nieuw aangemerkt indien op het tijdstip van indiening van de aanvraag tot verlening van kwekersrecht geen teeltmateriaal of geoogst materiaal van het ras is verkocht of anderszins ter beschikking is gesteld aan derden, door of met toestemming van de kweker, met het oog op de exploitatie van het ras, voor een periode:
      1. in Nederland: niet langer geleden dan een jaar voorafgaande aan het in de aanhef bedoelde tijdstip;
      2. buiten Nederland: hetzij niet langer geleden dan vier jaar, hetzij, ingeval van bomen of wijnstokken, niet langer geleden dan zes jaar, voorafgaande aan het in de aanhef bedoelde tijdstip.
  2. Voor de toepassing van het tweede lid wordt het feit, dat materiaal van een ras reeds aan anderen ter beproeving is verstrekt, niet aan de kweker van dat ras of zijn rechtverkrijgende tegengeworpen.
  3. Een ras wordt als onderscheidbaar aangemerkt indien het duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. In ieder geval worden als algemeen bekend beschouwd rassen waarvoor in enig land een aanvraag tot verlening van kwekersrecht of tot inschrijving van dat ras in een officieel rassenregister is ingediend, vanaf de datum van de aanvraag, mits de aanvraag leidt of heeft geleid tot verlening van kwekersrecht of inschrijving in het rassenregister.
  4. Een ras wordt als homogeen aangemerkt, indien wordt voldaan aan artikel 35, derde lid.
  5. Een ras wordt als bestendig aangemerkt indien wordt voldaan aan artikel 35, vierde lid.
  6. Om te bepalen of een ras voldoet aan de in het vierde tot en met het zesde lid bedoelde voorwaarden, wordt onder verantwoordelijkheid van de Raad een technisch onderzoek uitgevoerd. De kenmerken waartoe het onderzoek zich uitstrekt en de eisen waaraan het onderzoek voldoet, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de Raad ten behoeve van het technisch onderzoek van een ras gebruik kan maken van reeds met betrekking tot dat ras bestaande onderzoeksrapporten of van de resultaten van door de aanvrager zelf verrichte onderzoeken en bij de teelt opgedane praktische ervaringen.

Artikel 50

  1. De aanspraak op verlening van kwekersrecht komt uitsluitend toe aan de kweker.
    1. Indien het ras buiten Nederland hetzij door een natuurlijke persoon, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, hetzij door een rechtspersoon zonder zetel in Nederland, is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, bestaat gelijke aanspraak op verlening van kwekersrecht voor zover Nederland krachtens een internationale overeenkomst gehouden
    2. is kwekersrecht te verlenen.
  2. Indien een ras buiten Nederland is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, terwijl de in het tweede lid bedoelde gehoudenheid niet bestaat, kan voor het ras kwekersrecht worden verleend, indien het een ras betreft waarvoor zowel in het land waar het ras is gekweekt als in Nederland kwekersrecht kan worden verleend.

Artikel 51

  1. Indien de kweker een ras heeft gekweekt of heeft ontdekt en ontwikkeld in het kader van een dienstbetrekking of in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van diensten ten behoeve van een ander, anders dan tegen loon, welke dienstbetrekking of overeenkomst met zich brengt, dat de kweker kweek- of ontwikkelingsarbeid verricht met betrekking tot het gewas, waartoe het ras behoort, komt de aanspraak op verlening van kwekersrecht in afwijking van artikel 50 toe aan de werkgever dan wel de opdrachtgever dan wel de rechtverkrijgende van de werkgever of opdrachtgever.
  2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft de kweker aanspraak op een vergoeding naar billijkheid, tenzij een zodanige vergoeding reeds geacht kan worden begrepen te zijn in het door de kweker genoten loon of in de door deze genoten voordelen.
  3. Elk beding waarbij van het tweede lid wordt afgeweken, is nietig.

Artikel 52

Indien twee of meer personen, anders dan in het geval bedoeld in artikel 53, in samenwerking een nieuw ras hebben gekweekt dan wel ontdekt en ontwikkeld, hebben zij gezamenlijk aanspraak op verlening van kwekersrecht.

Artikel 53

Indien ingevolge artikel 52 twee of meer personen onafhankelijk van elkaar aanspraak op verlening van kwekersrecht voor hetzelfde nieuw ras zouden kunnen maken, komt de aanspraak op verlening van kwekersrecht toe aan degene, die het eerst een aanvraag daartoe heeft ingediend.

Artikel 54

1. Een kweker die in een andere Unie-staat overeenkomstig de geldende voorschriften een aanvraag tot verlening van kwekersrecht heeft ingediend, geniet ter verkrijging van kwekersrecht in Nederland voor hetzelfde ras een recht van voorrang, mits:

a.
binnen twaalf maanden na het indienen van de aanvraag in de desbetreffende Unie-staat, de dag van de aanvraag niet meegerekend, in Nederland een voorlopige aanvraag wordt ingediend waarbij een schriftelijk beroep wordt gedaan op het recht van voorrang;
b.
binnen drie maanden na de indiening van de voorlopige aanvraag een door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende Unie-staat gewaarmerkt afschrift van de aldaar ingediende stukken wordt overgelegd; en
c.
binnen twee jaren na afloop van de onder a genoemde termijn een volledige aanvraag als bedoeld in artikel 55 wordt ingediend.

2. De voorrang houdt in, dat in afwijking in zoverre van de artikelen 49 tot en met 53, op een overeenkomstig het tweede lid, onderdeel c, in Nederland ingediende aanvraag niet van invloed is wat in de tijd gelegen tussen de indiening van de aanvraag in het andere land en de voorlopige aanvraag is geschied, en in het bijzonder niet de indiening van een aanvraag door een ander of het in de handel brengen van teeltmateriaal van het ras.

Paragraaf 2. De verlening van kwekersrecht Artikel 55

  1. De aanvraag tot verlening van kwekersrecht wordt ingediend bij de Raad.
    1. De aanvraag bevat de volgende gegevens:
      1. een voorstel voor de benaming van het ras, overeenkomstig de daarvoor in hoofdstuk 4 gestelde regels;
      2. een karakteriserende beschrijving van het ras; en
      3. een nauwkeurige aanduiding van de eigenschappen, waardoor het ras zich van andere rassen van hetzelfde gewas onderscheidt.
  2. Een voor het onderzoek, bedoeld in artikel 49, zevende lid, voldoende hoeveelheid materiaal van het ras, waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt op vordering van de Raad en overeenkomstig nader door de Raad te stellen eisen aan de Raad ter beschikking gesteld.
  3. Indien een aanvrager geen woonplaats of zetel binnen het grondgebied van de Europese Unie heeft, is deze verplicht binnen Nederland domicilie te kiezen bij een gemachtigde, welke keuze voor de toepassing van deze wet geacht wordt van kracht te blijven totdat schriftelijk aan de Raad is kennis gegeven van de wijziging van het gekozen domicilie.

Artikel 56

  1. De Raad beslist op een aanvraag tot verlening van kwekersrecht en stelt overeenkomstig hoofdstuk 4 de karakteriserende beschrijving en de benaming van het ras vast.
  2. Bij de inschrijving van het ras in het rassenregister wordt gelijktijdig aantekening gedaan van de verlening van het kwekersrecht.
  3. Het kwekersrecht verkrijgt als dagtekening en begint te werken de dag, onmiddellijk volgend op die waarop de in het vorige lid bedoelde inschrijving en aantekening in het rassenregister is gedaan.

Paragraaf 3. De rechten en verplichtingen van de houder van een kwekersrecht

Artikel 57
  1. De houder van een kwekersrecht op een ras heeft het uitsluitend recht teeltmateriaal van dat ras voort te brengen of verder te vermeerderen, ten behoeve van de vermeerdering te behandelen, in de handel te brengen, uit te voeren, in te voeren, voor een van deze doeleinden in voorraad te hebben alsmede deze handelingen te doen verrichten.
  2. Het is aan anderen dan de houder van het kwekersrecht verboden de in het eerste lid genoemde handelingen te verrichten. Dit verbod geldt niet indien bij of krachtens deze wet of door de houder van het kwekersrecht daarvoor toestemming is verleend.
    1. Het verbod is niet van toepassing op:
      1. handelingen die in de privé-sfeer en niet bedrijfsmatig worden verricht;
      2. handelingen die uitsluitend worden verricht ten behoeve van wetenschappelijk
        onderzoek;
      3. handelingen die worden verricht voor het kweken van nieuwe rassen.
  3. Het uitsluitend recht is tevens van toepassing op handelingen met betrekking tot geoogst materiaal van het ras, planten en plantendelen daaronder begrepen, dat is verkregen door gebruik van teeltmateriaal waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de houder van het kwekersrecht redelijkerwijs zijn recht met betrekking tot het teeltmateriaal had kunnen uitoefenen.
  4. Het uitsluitend recht is tevens van toepassing op handelingen met betrekking tot producten die rechtstreeks zijn vervaardigd met gebruikmaking van geoogst materiaal van het ras waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de houder van het kwekersrecht redelijkerwijs zijn recht met betrekking tot het geoogste materiaal had kunnen uitoefenen.

Artikel 58

1. Het in artikel 57, eerste lid, bedoelde uitsluitend recht is tevens van toepassing op de in dat lid bedoelde handelingen met betrekking tot materiaal van:

a.
rassen, die zijn afgeleid van het in artikel 57, eerste lid, bedoelde beschermde ras, tenzij het beschermde ras zelf is afgeleid van een ander ras;
b.
rassen die ingevolge artikel 49, vierde lid, niet duidelijk onderscheidbaar zijn van het beschermde ras;
c.
rassen waarvan voor de voortbrenging telkens gebruik wordt gemaakt van het
beschermde ras.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt een ras beschouwd als afgeleid van een ander ras indien het eerstbedoelde ras:

a.
hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras dan wel van een ras dat zelf hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras,
b.
op grond van artikel 49, vierde lid, duidelijk onderscheidbaar is van het oorspronkelijke ras, en
c.
overeenkomt met het oorspronkelijke ras voor wat betreft de expressie van de wezenlijke eigenschappen, die voortvloeit uit het genotype of de combinatie van genotypen van het oorspronkelijke ras, zulks met uitzondering van afwijkingen die voortvloeien uit de afleidingshandeling.
  1. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op rassen waarvan het bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de Uitvoeringswet UPOV 1991 algemeen bekend was. Artikel 49, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  2. De Raad kan op verzoek adviseren omtrent de vraag of een bij het verzoek aan te wijzen ras is afgeleid van een ras waarvoor door de Raad kwekersrecht is verleend.
  3. Het in het vierde lid bedoelde advies van de Raad bevat de gronden waarop het rust.

Artikel 59

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van een ras, behorende tot bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gewassen, het in artikel 57, eerste lid, bedoelde uitsluitend recht niet van toepassing is op het gebruik voor vermeerderingsdoeleinden binnen het eigen bedrijf van een teler van door die teler geoogst materiaal van dat ras of een ras als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel a of b.
  2. Aan het gebruik van geoogst materiaal voor vermeerderingsdoeleinden binnen het eigen bedrijf, kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur beperkingen of voorwaarden worden gesteld, die onder meer betrekking kunnen hebben op de maximale hoeveelheid te vermeerderen geoogst materiaal, de door de teler aan de houder van het kwekersrecht te verstrekken inlichtingen en bewijsstukken en de aan de houder van een kwekersrecht toekomende vergoedingen.

Artikel 60

Het in artikel 57, eerste lid, bedoelde uitsluitend recht is niet van toepassing op handelingen met materiaal van het beschermde ras of van een ras als bedoeld in artikel 58, eerste lid, dat door of met toestemming van de houder van het kwekersrecht, in Nederland of in één der lidstaten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer is gebracht of dat van zodanig materiaal is afgeleid, met uitzondering van handelingen:

a.
die een verdere vermeerdering van het ras, waartoe het materiaal behoort, inhouden;
b.
die uitvoer, anders dan voor verbruiksdoeleinden, van het materiaal inhouden naar een land, waar voor rassen van het gewas, waartoe het ras behoort, geen bescherming openstaat die vergelijkbaar is met de bescherming die op basis van het bepaalde in deze wet kan worden verkregen.

Artikel 61

  1. De houder van een kwekersrecht is verplicht de licenties te verlenen die in het algemeen belang noodzakelijk zijn.
  2. De in het vorige lid bedoelde verplichting houdt mede in, dat de houder van het kwekersrecht het voor de uitoefening van de licentie noodzakelijke teeltmateriaal tegen een redelijke vergoeding verstrekt.
  3. De houder van een kwekersrecht is verplicht aan een octrooihouder een licentie te verlenen tegen een redelijke vergoeding, indien de octrooihouder een octrooi voor een biotechnologische uitvinding niet kan exploiteren zonder inbreuk te maken op het kwekersrecht van eerdere datum en de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde ras.
  4. Indien aan de houder van een kwekersrecht een licentie is verleend op grond van artikel 57, vijfde lid, van de Rijksoctrooiwet 1995, is de houder van het kwekersrecht verplicht aan de octrooihouder op diens verzoek onder redelijke voorwaarden een wederkerige licentie te verlenen om het beschermde ras te gebruiken.

Artikel 62

  1. Indien de houder van het kwekersrecht zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 61, niet nakomt, wordt de licentie op verzoek van de belanghebbende door de Raad verleend.
  2. Alvorens te beslissen stelt de Raad partijen in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn alsnog tot overeenstemming te komen.
  3. Bij gebreke van overeenstemming beslist de Raad, na partijen te hebben gehoord. In de beslissing worden de omvang van de licentie, het bedrag van de aan de houder van het kwekersrecht te betalen vergoeding, alsmede de te verstrekken hoeveelheid teeltmateriaal en de daarvoor te betalen vergoeding vastgesteld. De Raad kan bij de beslissing aan de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen.
  4. Nadat de licentie door de Raad is verleend en aan de verplichting tot het stellen van zekerheid, indien deze is opgelegd, is voldaan, wordt de licentie in het rassenregister ingeschreven. De licentie werkt eerst na die inschrijving, ook tegenover hen, die na de inschrijving van het in het eerste lid bedoelde verzoek rechten op het kwekersrecht hebben verkregen.

Artikel 63

  1. Door een licentie wordt de bevoegdheid verkregen de daarin omschreven handelingen te verrichten, die krachtens artikel 57, eerste lid, aan anderen dan de houder van het kwekersrecht niet vrijstaan.
  2. Bij gebreke van andere bepalingen geldt een licentie voor de gehele duur van het kwekersrecht en heeft zij betrekking op alle handelingen die ingevolge deze wet aan de toestemming van de houder van het kwekersrecht onderworpen zijn.
  3. Een licentie, verleend anders dan ingevolge de artikelen 61 en 62, wordt op verzoek van de licentiehouder in het rassenregister ingeschreven. Zij is tegenover derden geldig na die inschrijving.

Artikel 64

Een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling alsmede een krachtens artikel 8 van de Landbouwkwaliteitswet aangewezen controle-instelling, voor zover deze bij of krachtens die wet is belast met de keuring van teeltmateriaal, verstrekt op verzoek aan de houder van een in Nederland geldend kwekersrecht met betrekking tot het door de keuringsinstelling, onderscheidenlijk controle-instelling, gekeurde teeltmateriaal, een overzicht van de personen of ondernemingen die teeltmateriaal van het ras, waarvoor het kwekersrecht is verleend, hebben voortgebracht en, voor zover mogelijk, van de hoeveelheden die zij daarvan hebben voortgebracht.

Paragraaf 4. Het kwekersrecht als onderdeel van het vermogen

Artikel 65
  1. Een kwekersrecht en een aanspraak op verlening van kwekersrecht zijn, zowel ten aanzien van het volle recht als voor een aandeel daarin, vatbaar voor overdracht of andere overgang.
  2. De levering vereist voor de overdracht van een kwekersrecht of het recht, voortvloeiende uit een aanvraag tot verlening van kwekersrecht, geschiedt bij een akte.
  3. Elk voorbehoud de overdracht betreffende wordt in de akte omschreven; bij gebreke daarvan geldt de overdracht voor onbeperkt.
  4. De overdracht werkt tegenover derden eerst, wanneer de akte in het rassenregister is ingeschreven.
  5. Tot het doen verrichten van deze inschrijving door de Raad zijn beide partijen gelijkelijk bevoegd.
Artikel 66
  1. Indien een kwekersrecht aan meer personen gezamenlijk toekomt, wordt hun verhouding tegenover elkaar en tegenover derden beheerst door hetgeen tussen hen bij overeenkomst is bepaald, wat hun verhouding tegenover derden betreft echter slechts, voor zover deze blijkt uit het rassenregister.
  2. Indien er geen overeenkomst bestaat, of, indien in de overeenkomst niet anders is bepaald, heeft elke medegerechtigde de bevoegdheid het kwekersrecht uit te oefenen en tegen handelingen in strijd daarmee verricht op te treden, maar kan een licentie of de toestemming, bedoeld in de artikelen 57, tweede lid, en 60, door de medegerechtigden slechts met gemeen goedvinden verleend worden.
  3. Iedere medegerechtigde is verplicht, vóór de vervreemding van zijn rechten aan een derde, deze aan zijn medegerechtigden tegen een redelijke prijs te koop aan te bieden.
Artikel 67
  1. Pandrecht op een kwekersrecht wordt gevestigd bij een akte en werkt tegenover derden eerst wanneer de akte in het rassenregister is ingeschreven.
  2. De pandhouder is verplicht in een door hem ondertekende verklaring, bij de Raad in te zenden, woonplaats te kiezen te ’s-Gravenhage. Indien die keuze niet is gedaan, geldt de zetel van de Raad als gekozen woonplaats.
  3. Bedingen in de akte waarbij het pandrecht is gevestigd, betreffende na inschrijving te verlenen licenties, gelden van het ogenblik af, dat zij in het rassenregister zijn aangetekend, ook tegenover derden. Bedingen als bedoeld in de eerste volzin, betreffende vergoedingen voor licenties, die op het ogenblik der inschrijving reeds waren verleend, gelden tegenover de houder der licentie na aanzegging aan deze bij deurwaardersexploot.
  4. Akten, waaruit blijkt, dat het pandrecht heeft opgehouden te bestaan of krachteloos is geworden, worden in het rassenregister ingeschreven.
Artikel 68
  1. Het beslag op een kwekersrecht wordt gelegd en het proces-verbaal van inbeslagneming wordt in het rassenregister ingeschreven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende executoriaal en conservatoir beslag op onroerende zaken, met dien verstande dat in het proces-verbaal van inbeslagneming in plaats van de aard en de ligging van de onroerende zaak een aanduiding van het kwekersrecht wordt opgenomen.
  2. Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verlening van een licentie, tot stand gekomen na de inschrijving van het proces-verbaal, kan tegen de beslaglegger niet worden ingeroepen.
  3. De vóór de inschrijving van het proces-verbaal nog niet betaalde licentievergoedingen vallen mede onder een op het kwekersrecht gelegd beslag, nadat het ingeschreven beslag aan de houder der licentie is betekend. Deze vergoedingen worden betaald aan de notaris voor wie de executie zal plaatsvinden, mits dit bij de betekening uitdrukkelijk aan de licentiehouder is medegedeeld, en behoudens de rechten van derden die de executant moet eerbiedigen. Hetgeen aan de notaris wordt betaald, wordt tot de in artikel 69, tweede lid, bedoelde opbrengst gerekend. De artikelen 475c, 476 en 478 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
    1. De inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming kan worden doorgehaald:
      1. krachtens een schriftelijke ter inschrijving aangeboden verklaring van de deurwaarder dat hij in opdracht van de beslaglegger het beslag opheft of dat het beslag is vervallen;
      2. krachtens een ter inschrijving aangeboden rechterlijke uitspraak die tot opheffing van het beslag strekt of het verval van het beslag vaststelt of meebrengt.
  4. De artikelen 504a, 538-541, 726, tweede lid, en 727 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in geval van beslag op een kwekersrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
  1. De verkoop van een kwekersrecht door een pandhouder of een beslaglegger tot verhaal van een vordering geschiedt in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris. De artikelen 508, 509, 513, eerste lid, 514, tweede en derde lid, 515-519 en 521-529 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hetgeen daar ten aanzien van hypotheken en hypotheekhouders is voorgeschreven geldt voor de op het kwekersrecht rustende pandrechten en de pandhouders.
  2. De verdeling van de opbrengst geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 551-552 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Paragraaf 5. De handhaving van het kwekersrecht

Artikel 70

  1. De houder van een kwekersrecht kan zijn recht handhaven jegens een ieder die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een van de in artikel 57 bedoelde handelingen verricht.
  2. De rechter kan op vordering van de houder van een kwekersrecht, tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op zijn kwekersrecht te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.
  3. De voorzieningenrechter kan op vordering van de houder van een kwekersrecht tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk op dit recht toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door de houder geleden schade. Onder dezelfde voorwaarden kan de rechter voortzetting van de dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in het tweede lid toestaan.
  4. Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van degene die de handelingen bewust verricht. Van bewust handelen is in elk geval sprake, indien de inbreuk is gepleegd nadat de betrokkene bij deurwaardersexploot op de strijd tussen de handelingen en het kwekersrecht is gewezen.
  5. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.
  6. In plaats van schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de rechter echter van oordeel is dat de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven tot een dergelijke veroordeling, zal de rechter de gedaagde tot schadevergoeding kunnen veroordelen.
  7. De houder van een kwekersrecht kan de vorderingen tot schadevergoeding of het afdragen van winst ook namens of mede namens licentiehouders of pandhouders instellen, onverminderd de bevoegdheid van licentiehouders en pandhouders in een al of niet namens hen door de houder van het kwekersrecht ingestelde vordering tussen te komen om rechtstreeks de door hen geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. Licentiehouders en pandhouders kunnen slechts een zelfstandige vordering instellen en exploot als bedoeld in het vierde lid met het oog daarop doen uitbrengen, als zij de bevoegdheid daartoe van de houder van het kwekersrecht hebben bedongen.
  8. De houder van het kwekersrecht heeft de bevoegdheid roerende zaken waarmee een inbreuk op zijn recht wordt gemaakt, of materialen en werktuigen die voornamelijk zijn gebruikt bij de voortbrenging van die zaken, als zijn eigendom op te vorderen dan wel de onttrekking aan het verkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Bij de beoordeling van de vordering wordt een afweging gemaakt tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen alsmede de belangen van derden.
  9. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken, zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander beslag, gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor.
  10. De maatregelen bedoeld in het achtste lid worden op kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
    1. De rechter kan op vordering van de houder van het kwekersrecht degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen aan laatstgenoemde bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de goederen of diensten, waarmee de inbreuk is gepleegd, aan de houder van het kwekersrecht mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit bevel worden gegeven aan een derde die op commerciële schaal inbreukmakende goederen in zijn bezit heeft of gebruikt, die op commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden gebruikt, of die door een van deze derden is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, fabricage of distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze
    2. diensten. Deze derde kan zich verschonen van het verstrekken van informatie die bewijs zou vormen van deelname aan een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom door hem zelf of door de andere in artikel 165, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde personen.
  11. De rechter kan op vordering van de houder van het kwekersrecht gelasten dat op kosten van degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.
Artikel 71
  1. De houder van een kwekersrecht kan een redelijke vergoeding vorderen van degene die in de periode gelegen tussen de aanvraag van een kwekersrecht en de verlening van het kwekersrecht handelingen als bedoeld in artikel 57 heeft verricht met betrekking tot het ras, waarvoor kwekersrecht is aangevraagd.
  2. De vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na afloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploot is gewezen op de krachtens dit artikel aan de houder van een kwekersrecht toekomende aanspraak.
  3. Bij het deurwaardersexploot wordt een door de Raad gewaarmerkt afschrift gevoegd van de ter zake van de aanvraag ingediende bescheiden dan wel van passages daaruit, voor zover zij uitsluitend betrekking hebben op de kenmerken van het ras waarvoor de aanvraag is ingediend en op de aanduiding van de eigenschappen waardoor het zich van andere rassen onderscheidt. Daartoe wordt niet gerekend de weergave van de totstandkoming van het ras of van de genealogische bestanddelen.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op de handelingen verricht door degene die daartoe is gerechtigd krachtens een overeenkomst met degene aan wie overeenkomstig artikel 50 of 51 de aanspraak op verlening van het kwekersrecht toekomt.

Paragraaf 6. De duur van het kwekersrecht en de opeising

Artikel 72

De duur van het kwekersrecht bedraagt vanaf de datum van dagtekening van het kwekersrecht 25 jaar, met uitzondering van rassen van door Onze Minister aan te wijzen gewassen, waarvoor de duur van het kwekersrecht 30 jaar bedraagt.

Artikel 73
  1. De houder van het kwekersrecht kan daarvan afstand doen.
  2. Afstand kan slechts geschieden bij een akte, die in het rassenregister wordt ingeschreven.
  3. De inschrijving geschiedt niet, zolang er personen zijn, die blijkens in dat register ingeschreven stukken rechten op het kwekersrecht of licenties hebben verkregen of rechtsvorderingen het kwekersrecht betreffende hebben ingesteld, en deze personen tot de afstand geen toestemming hebben verleend.
  4. Het kwekersrecht vervalt met ingang van het tijdstip van de inschrijving van de akte in het rassenregister.
Artikel 74
  1. Een kwekersrecht vervalt van rechtswege, zodra zes maanden zijn verstreken sinds de vergoeding, bedoeld artikel 6, tweede lid, onderdeel f, verschuldigd is geworden, zonder dat betaling daarvan heeft plaats gehad. Van dit vervallen wordt in het rassenregister aantekening gedaan.
  2. Indien binnen veertien dagen na de vervaldag niet is betaald wordt degene, die volgens het rassenregister houder van het kwekersrecht is, door de Raad bij aangetekende brief aan zijn verplichting tot betaling herinnerd.
  3. Indien een maand na de vervaldag nog niet is betaald, wordt hiervan binnen veertien dagen schriftelijk mededeling gedaan aan allen, die blijkens in het rassenregister ingeschreven stukken rechten op het kwekersrecht of licenties hebben verkregen of rechtsvorderingen het kwekersrecht betreffende hebben ingesteld.
Artikel 75

1. Een kwekersrecht wordt door de rechter vernietigd:

a.
indien blijkt, dat het ras op het tijdstip van verlening van het kwekersrecht niet nieuw was;
b.
indien blijkt dat het ras op het tijdstip van verlening van het kwekersrecht niet
onderscheidbaar was als bedoeld in artikel 49, vierde lid;
c.
indien – in het geval dat de verlening van het kwekersrecht in hoofdzaak is gebaseerd op door de kweker verstrekte inlichtingen en bescheiden – blijkt dat op het tijdstip van die verlening het ras niet homogeen dan wel niet bestendig was als bedoeld in artikel 49, vijfde en zesde lid;
d.
indien het kwekersrecht is verleend aan een persoon die daartoe ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet niet gerechtigd is, tenzij het kwekersrecht wordt overgedragen aan de persoon die daartoe wel gerechtigd is.
  1. De vernietiging kan te allen tijde door iedere belanghebbende en door of namens Onze Minister worden gevorderd.
  2. De dagvaarding wordt op verzoek van de eiser in het rassenregister ingeschreven.
  3. Vernietiging van een kwekersrecht ontneemt aan het kwekersrecht en aan de rechten, die daaruit zijn afgeleid, alle verdere rechtsgevolgen.
Artikel 76
  1. Een kwekersrecht kan geheel of voor wat betreft een aandeel daarin worden opgeëist, voor zover het is verleend aan iemand, die krachtens de artikelen 50, 51 of 52 daarop geen of niet uitsluitend aanspraak had.
  2. De dagvaarding wordt op verzoek van de eiser in het rassenregister ingeschreven.
  3. Het recht tot opeising komt toe aan hem, die krachtens voormelde artikelen aanspraak of medeaanspraak heeft op de verlening van het kwekersrecht.
  4. Het recht op opeising verjaart na afloop van vijf jaren na de dagtekening van het kwekersrecht.
  5. Te goeder trouw voor de aantekening, bedoeld in artikel 77, eerste lid, verkregen licenties blijven geldig tegenover de nieuwe houder van het kwekersrecht, die recht verkrijgt op de voor de licenties verschuldigde vergoeding.
Artikel 77
  1. Van de toewijzing of afwijzing van een vordering tot opeising of vernietiging van een kwekersrecht wordt aantekening gedaan in het rassenregister.
  2. De vernietiging en toewijzing van een opeising werken terug tot de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde aantekening in het rassenregister.

Paragraaf 7. Kwekersrechtelijke geschillen

Artikel 78
  1. De rechtbank te ’s-Gravenhage is in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd voor vorderingen tot vernietiging en opeising van het kwekersrecht als bedoeld in de artikelen 75 en 76.
    1. De rechtbank te ’s-Gravenhage en de voorzieningenrechter van die rechtbank zijn in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd voor:
      1. vorderingen als bedoeld in de artikelen 70 en 71;
      2. vorderingen, die worden ingesteld door een ander dan de houder van een kwekersrecht om te doen vaststellen dat bepaalde verrichte handelingen niet strijdig zijn met een kwekersrecht.
  2. Van de vonnissen en beschikkingen van de rechtbank staat beroep open bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Artikel 79
  1. De deskundige leden, bedoeld in de artikelen 55a, tweede lid, en 70, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, worden bij koninklijk besluit benoemd. Zij worden genoemd lid, onderscheidenlijk plaatsvervangend lid, in de rechtbank te ’s-Gravenhage dan wel raad, onderscheidenlijk plaatsvervangend raad, in het gerechtshof ’s-Gravenhage, al naar gelang het geval.
  2. De leden en de plaatsvervangende leden, onderscheidenlijk de raden en de plaatsvervangende raden, worden voor de tijd van vijf jaren benoemd. Zij zijn bij aftreden terstond opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij bij koninklijk besluit worden ontslagen.
  3. Aan de leden en de plaatsvervangende leden, onderscheidenlijk de raden en de plaatsvervangende raden, wordt bij koninklijk besluit ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.
  4. Artikel 66, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden en de plaatsvervangende leden onderscheidenlijk de raden en de plaatsvervangende raden.
Artikel 80

Ten aanzien van de leden en plaatsvervangende leden, onderscheidenlijk de raden en de plaatsvervangende raden, zijn de artikelen 46c, 46d, 46f, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en derde lid, 46m, 46o, en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 46j onderscheidenlijk 46o, tweede lid, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht.

Artikel 81

Onze Minister stelt regels vast over de toekenning van een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoeding aan de leden en plaatsvervangende leden, onderscheidenlijk de raden en de plaatsvervangende raden.

Artikel 82

Bij de behandeling ter terechtzitting van geschillen als bedoeld in artikel 78 mogen gemachtigden van de houder van een kwekersrecht het woord voeren, onverminderd de verantwoordelijkheid van de advocaat.

Artikel 83

Van alle rechterlijke uitspraken betreffende een kwekersrecht wordt door de griffier binnen één maand kosteloos een afschrift aan de Raad gezonden.

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 84

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

a.
aanvragen en verzoeken die op grond van de hoofdstukken 4 tot en met 7 bij de Raad worden ingediend;
b.
de bepaling van het tijdstip, waarop de overeenkomstig de hoofdstukken 4 tot en met 7 gedane aanvragen en verzoeken geacht worden bij de Raad te zijn ingediend en
c.
het horen van belanghebbenden door de Raad.
Artikel 85

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van een besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, regels worden gesteld over de toelating van plantengroepen, die niet aan de vereisten van artikel 35 voldoen, alsmede over het in de handel brengen van teeltmateriaal, afkomstig van die plantengroepen.

Artikel 86

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 87
  1. Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter implementatie van handelsrichtlijnen regels worden gesteld.
  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter implementatie van een bindende overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en een derde land of een internationale organisatie die betrekking heeft op een onderwerp dat wordt bestreken door een handelsrichtlijn of -verordening.
  4. Bij ministeriële regeling kunnen voor een goede uitvoering van handelsverordeningen regels worden gesteld.
  5. Bij ministeriële regeling kunnen ter implementatie van gedelegeerde richtlijnen en gedelegeerde beschikkingen regels worden gesteld.
    1. Bij de regels, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, kunnen:
      1. taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan Onze Minister, de Raad of een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling;
      2. voorschriften uit een handelsverordening worden aangewezen waarop door Onze Minister aangewezen ambtenaren of personen toezicht houden of die Onze Minister, de Raad of een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling kunnen toepassen

door besluiten te nemen.

Artikel 88
  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan medewerking worden gevorderd van het bestuur van een productschap of bedrijfschap als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
  2. Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde medewerking bestaat uit het stellen van regels of nadere regels bij verordening, behoeft zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister. Krachtens de verordening genomen besluiten behoeven, voor zover zulks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald, de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 89
  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, werkzaam bij een krachtens artikel 19 aangewezen keuringsinstelling.
  2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 90

  1. Indien in enig burgerlijk- of strafgeding de beslissing afhangt van de vaststelling, als welk ras een groep van planten moet worden aangemerkt, wordt de Raad hierover gehoord. Het advies van de Raad bevat de gronden, waarop het rust.
  2. De Raad behandelt zaken, bedoeld in het eerste lid, bij voorrang boven alle andere zaken.

Artikel 91

[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]

Artikel 92

[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie.]

Artikel 93

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 94
  1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in het rassenregister ingeschreven rassen worden door de Raad opnieuw gerangschikt overeenkomstig de bij of krachtens artikel 25 gestelde regels.
  2. De Raad draagt zorg voor de inschrijving in het rassenregister van rassen die op de dag voorafgaande aan het in het eerste lid bedoelde tijdstip op grond van artikel 82 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet waren toegelaten.
    1. De Raad draagt zorg voor een aantekening in het rassenregister van de toelating van
    2. rassen van landbouwgewassen, onderscheidenlijk bosbouwgewassen, die op de dag voorafgaande aan het in eerste lid bedoelde tijdstip vermeld stonden op de op grond van artikel 73 in samenhang met de artikelen 79 en 83, eerste lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet vastgestelde rassenlijst voor landbouwgewassen, onderscheidenlijk op de op grond van artikel 73 in samenhang met artikel 79 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet vastgestelde rassenlijst voor bosbouwgewassen.
  3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad voor het Kwekersrecht aanhangige aanvragen en verzoeken zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Raad in de staat, waarin zij zich op dat moment bevinden, met dien verstande dat aanvragen, die betrekking hebben op een ras als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, worden beschouwd als een aanvraag voor de toelating van een ras overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze wet.
  4. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige verzoeken tot aanwijzing van groepen van planten als bedoeld in artikel 82 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Raad en worden vanaf dat moment beschouwd als een aanvraag voor de toelating van een ras overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze wet.
  5. Zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn bij de Afdeling van Beroep van de Raad voor het Kwekersrecht, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, zijn van rechtswege met ingang van dat tijdstip aanhangig bij de Raad en worden vanaf dat moment behandeld als een bezwaarschrift.
  6. Zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn bij de Raad van Beroep, onderscheidenlijk de Commissie van Beroep inzake Keuringen, van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 88, onder 2°, onderdeel e, onderscheidenlijk g, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, zijn van rechtswege met ingang van dat tijdstip aanhangig bij de desbetreffende, overeenkomstig artikel 19 van deze wet aangewezen, keuringsinstelling en worden vanaf dat moment behandeld als een bezwaarschrift.
  7. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad voor het Kwekersrecht aanhangige verzoeken tot vernietiging en opeising van het kwekersrecht als bedoeld in de artikelen 54 en 55 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van de Zaaizaad- en Plantgoedwet.
  8. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge de artikelen 25, tweede lid, 60 en 69 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet bij het Gerechtshof ’s- Gravenhage of de Hoge Raad aanhangige zaken worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van de Zaaizaad- en Plantgoedwet.

Artikel 95

De Zaaizaad- en Plantgoedwet wordt ingetrokken.

Artikel 96
  1. Deze wet wordt aangehaald als: Zaaizaad- en plantgoedwet, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
  2. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage, 19 februari 2005 Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ,
C. P. Veerman
Uitgegeven de zevende april 2005
De Minister van Justitie ,
J. P. H. Donner

 

Explore WIPO