- Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk 2. Behandeling van octrooiaanvragen
- § 1. Algemene bepalingen
- § 1a. Octrooigemachtigden
- Artikel 23a
- Artikel 23b
- Artikel 23c
- Artikel 23d
- Artikel 23e
- Artikel 23f
- Artikel 23g
- Artikel 23h
- Artikel 23i
- Artikel 23j
- Artikel 23k
- Artikel 23l
- Artikel 23m
- Artikel 23n
- Artikel 23o
- Artikel 23p
- Artikel 23q
- Artikel 23r
- Artikel 23s
- Artikel 23t
- Artikel 23u
- Artikel 23v
- Artikel 23w
- Artikel 23x
- Artikel 23y
- Artikel 23z
- § 2. Verlening
- § 3. Geheimhouding van de inhoud van octrooiaanvragen
- § 4. Omgezette Europese octrooiaanvragen
- Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende Europese octrooien
- Hoofdstuk 4. Rechtsgevolgen van het octrooi
- Hoofdstuk 5. Vernietiging en opeising
- Hoofdstuk 6. Octrooirechtelijke geschillen
- Hoofdstuk 7. Aanvullende beschermingscertificaten
- Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen voor de Nederlandse Antillen
- Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Rijkswet van 15 december 1994, houdende regels met betrekking tot octrooien
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje‐Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat door de daling van het aantal octrooiaanvragen in Nederland het bestaande systeem van octrooiverlening na vooronderzoek niet gehandhaafd kan worden en dat het wenselijk is te voorzien in een op eenvoudige wijze door registratie te verkrijgen octrooi;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten‐Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Europees Octrooiverdrag: het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1975, 108, 1976, 101 en 2002, 64);
Europees octrooi: een krachtens het Europees Octrooiverdrag verleend octrooi, voor zover dat voor het Koninkrijk is verleend;
Europese octrooiaanvrage: een Europese octrooiaanvrage als bedoeld in het Europees Octrooiverdrag;
Samenwerkingsverdrag: het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (Trb. 1973, 20);
bureau: het bureau, bedoeld in artikel 15;
octrooiregister: het in artikel 19 van deze wet bedoelde register;
orde: de Orde van octrooigemachtigden, bedoeld in artikel 23d;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
biologisch materiaal: materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd;
microbiologische werkwijze: iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft;
plantenras: een ras als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227);
natuurlijke rijkdommen: de minerale en andere niet‐levende rijkdommen van de zeebedding en de ondergrond, alsmede levende organismen die tot de sedentaire soort behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat zij geoogst kunnen worden, hetzij zich onbeweeglijk op of onder de zeebedding bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebedding of de ondergrond.
Artikel 2
-
-
1.Vatbaar voor octrooi zijn uitvindingen op alle gebieden van de technologie die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en toegepast kunnen worden op het gebied van de nijverheid.
-
-
2.In de zin van het eerste lid worden in het bijzonder niet als uitvindingen beschouwd:
- o
-
a. ontdekkingen, alsmede natuurwetenschappelijke theorieën en wiskundige methoden;
- o
-
b. esthetische vormgevingen;
- o
-
c. stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, alsmede computerprogramma’s;
- o
-
d. presentaties van gegevens.
-
-
3.Het tweede lid geldt alleen voor zover het betreft de aldaar genoemde onderwerpen of werkzaamheden als zodanig.
Artikel 2a
-
-
1.Onder uitvindingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden ook verstaan uitvindingen die betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of die betrekking hebben op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.
-
-
2.Onder uitvindingen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval begrepen uitvindingen met betrekking tot:
- o
-
a. biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, ook indien dat materiaal in de natuur voorhanden is,
- o
-
b. een deel van het menselijk lichaam dat wordt geïsoleerd of dat anderszins met behulp van een technische werkwijze wordt verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële sequentie van een gen, ook indien de structuur van dat deel identiek is aan die van een natuurlijk deel,
- o
-
c. planten of dieren, mits de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich in technisch opzicht niet beperkt tot een bepaald planten‐ of dierenras, of
- o
-
d. een microbiologische of andere technische werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, verwerkt of gebruikt, of een hierdoor verkregen voortbrengsel.
Artikel 3
-
-
1.Niet vatbaar voor octrooi zijn:
- o
-
a. uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden,
- o
-
b. het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of partiële sequentie van een gen,
- o
-
c. planten‐ of dierenrassen,
- o
-
d. werkwijzen van wezenlijk biologische aard, geheel bestaand uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties, voor de voortbrenging van planten of dieren alsmede de hierdoor verkregen voortbrengselen,
- o
-
e. uitvindingen waardoor inbreuk wordt gemaakt op de artikelen 3, 8, onderdeel j, 15, vijfde lid, en 16, vijfde lid, van het Biodiversiteitsverdrag;
- o
-
f. methoden van behandeling van het menselijke of dierlijke lichaam door chirurgische ingrepen of geneeskundige behandeling en diagnosemethoden die worden toegepast op het menselijke of dierlijke lichaam, met uitzondering van voortbrengselen, met name stoffen of samenstellingen, voor de toepassing van een van deze methoden.
-
-
2.Onder uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden in ieder geval verstaan:
- o
-
a. werkwijzen voor het klonen van mensen,
- o
-
b. werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische identiteit van de mens,
- o
-
c. het gebruik van menselijke embryo's,
- o
-
d. werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van dieren die geëigend zijn deze te doen lijden zonder aanzienlijk medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de hierdoor verkregen voortbrengselen en
- o
-
e. werkwijzen die het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten in gevaar brengen of die ernstige schade voor het milieu veroorzaken.
-
-
3.Commerciële exploitatie van een uitvinding is niet strijdig met de openbare orde of goede zeden op grond van het loutere feit dat de exploitatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is verboden.
-
-
4.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan de lijst, bedoeld in het tweede lid, worden aangevuld met andere uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie in strijd wordt geacht met de openbare orde of de goede zeden.
Artikel 4
-
-
1.Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd, indien zij geen deel uitmaakt van de stand van de techniek.
-
-
2.De stand van de techniek wordt gevormd door al hetgeen voor de dag van indiening van de octrooiaanvrage openbaar toegankelijk is gemaakt door een schriftelijke of mondelinge beschrijving, door toepassing of op enige andere wijze.
-
-
3.Tot de stand van de techniek behoort tevens de inhoud van eerder ingediende octrooiaanvragen, die op of na de in het tweede lid bedoelde dag overeenkomstig artikel 31 in het octrooiregister zijn ingeschreven.
-
-
4.Tot de stand van de techniek behoort voorts de inhoud van Europese octrooiaanvragen en van internationale aanvragen als bedoeld in artikel 153, derde tot en met vijfde lid, van het Europees Octrooiverdrag, waarvan de datum van indiening, die geldt voor de toepassing van artikel 54, tweede en derde lid, van dat verdrag, ligt voor de in het tweede lid bedoelde dag, en die op of na die dag zijn gepubliceerd op grond van artikel 93 van dat verdrag onderscheidenlijk van artikel 21 van het Samenwerkingsverdrag.
-
-
5.Niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid zijn tot de stand van de techniek behorende stoffen of samenstellingen vatbaar voor octrooi, voor zover zij bestemd zijn voor de toepassing van een van de in artikel 3, onderdeel f, bedoelde methoden, mits de toepassing daarvan voor enige in dat lid bedoelde methode niet tot de stand van de techniek behoort.
-
-
6.Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, zijn stoffen of samenstellingen als bedoeld in het vijfde lid, vatbaar voor octrooi voor een specifieke toepassing in een werkwijze als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, mits die toepassing niet tot de stand van de techniek behoort.
Artikel 5
-
-
1.Voor de toepassing van artikel 4 blijft een openbaarmaking van de uitvinding buiten beschouwing, indien deze niet eerder is geschied dan zes maanden voor de dag van indiening van de octrooiaanvrage als direct of indirect gevolg van:
- o
-
a. een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of diens rechtsvoorganger, of
- o
-
b. het feit, dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag inzake Internationale Tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928, zoals dat is gewijzigd, laatstelijk bij Protocol van 30 november 1972 (Trb. 1973, 100), op voorwaarde dat de aanvrager bij de indiening van zijn aanvrage verklaart dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld en een bewijsstuk daarvoor overlegt binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen termijn en overeenkomstig bij algemene maatregel van rijksbestuur te stellen voorschriften.
-
-
2.De erkenning van overheidswege van tentoonstellingen in Nederland geschiedt door Onze Minister en die van tentoonstellingen in de Nederlandse Antillen door de regering van de Nederlandse Antillen.
Artikel 6
Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. Indien documenten als bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, tot de stand van de techniek behoren, worden deze bij de beoordeling van de uitvinderswerkzaamheid buiten beschouwing gelaten.
Artikel 7
Een uitvinding wordt als vatbaar voor toepassing op het gebied van de nijverheid aangemerkt, indien het onderwerp daarvan kan worden vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, de landbouw daaronder begrepen.
Artikel 8
Onverminderd de artikelen 11, 12 en 13 wordt de aanvrager als uitvinder beschouwd en uit dien hoofde als degene die aanspraak heeft op octrooi.
Artikel 9
-
-
1.Degene die in een der landen, aangesloten bij de Internationale Unie tot bescherming van de industriële eigendom of aangesloten bij de Wereld Handelsorganisatie, overeenkomstig de in dat land geldende wetten, en degene die, overeenkomstig de tussen twee of meer voornoemde landen gesloten verdragen, octrooi of een gebruikscertificaat dan wel bescherming van een gebruiksmodel heeft aangevraagd, geniet gedurende een termijn van twaalf maanden na de dag van die aanvrage in Nederland en in de Nederlandse Antillen een recht van voorrang ter verkrijging van octrooi voor datgene, waarvoor door hem de in de aanhef bedoelde bescherming werd aangevraagd. Met een der landen als bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld een land dat op grond van een mededeling van de bevoegde autoriteit in dat land een recht van voorrang erkent onder gelijkwaardige voorwaarden en met gelijkwaardige rechtsgevolgen als die, bedoeld in het op 20 maart 1883 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1974, 225 en Trb. 1980, 31). Het voorgaande vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene, die een uitvinderscertificaat heeft aangevraagd, indien de betrokken wetgeving de keus laat tussen verkrijging van zodanig certificaat of een octrooi.
-
-
2.Onder aanvrage in de zin van het eerste lid wordt iedere aanvrage verstaan, waarvan de datum van indiening kan worden vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage.
-
-
3.Indien de rechthebbende meer aanvragen voor hetzelfde onderwerp heeft ingediend, komt voor het recht van voorrang slechts de eerst ingediende in aanmerking. Niettemin kan het recht van voorrang ook berusten op een later ingediende aanvrage ter verkrijging van bescherming in hetzelfde land, mits de eerst ingediende aanvrage voor de indiening van de latere aanvrage is ingetrokken, vervallen of afgewezen zonder ter kennis van het publiek te zijn gebracht en zonder rechten te hebben laten bestaan en mits zij nog niet als grondslag heeft gediend voor de inroeping van een recht van voorrang. Indien een recht van voorrang, berustend op een later ingediende aanvrage, is ingeroepen, zal de eerst ingediende aanvrage niet meer als grondslag kunnen dienen voor de inroeping van een recht van voorrang.
-
-
4.De voorrang heeft voor de toepassing van de artikelen 4, tweede, derde en vierde lid, en 6 ten gevolge, dat de aanvrage waarvoor dit recht bestaat, wordt aangemerkt als te zijn ingediend op de dag van indiening van de aanvrage waarop het recht van voorrang berust.
-
-
5.De aanvrager kan een beroep doen op meer dan één recht van voorrang, zelfs wanneer de rechten van voorrang uit verschillende landen afkomstig zijn. Ook kan de aanvrage, waarbij een beroep op een of meer rechten van voorrang wordt gedaan, elementen bevatten, waarvoor in de conclusies van de aanvrage, waarvan de voorrang wordt ingeroepen, geen rechten werden verlangd, mits de tot de laatste aanvrage behorende stukken het betrokken voortbrengsel of de betrokken werkwijze voldoende nauwkeurig aangeven.
-
-
6.Degene die van het recht van voorrang gebruik wil maken, moet daarop schriftelijk beroep doen bij de indiening van de aanvrage of binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage waarop hij zich beroept, onder vermelding van die datum van indiening en van het land waarin of waarvoor deze werd ingediend.
-
-
7.Een verbetering van of toevoeging aan een eerder ingeroepen recht van voorrang moet worden verzocht binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage waarop hij zich beroept.
-
-
8.Binnen zestien maanden na indiening van de aanvrage waarop hij zich beroept als bedoeld in het zesde en zevende lid, moet hij het nummer alsmede een in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal gesteld afschrift van de aanvrage waarop hij zich beroept of een vertaling van die aanvrage in een van die talen aan het bureau verstrekken, tenzij de eerdere aanvrage bij het bureau of het bureau, bedoeld in artikel 99, is ingediend, alsmede, als hij niet degene is die de aanvrage, op grond waarvan de voorrang wordt ingeroepen heeft ingediend, een document waaruit zijn rechten blijken. Het bureau kan verlangen dat de in de vorige volzin bedoelde vertaling wordt gewaarmerkt.
-
-
9.Het recht van voorrang vervalt, indien niet aan het zesde, zevende of achtste lid is voldaan.
Artikel 10
-
-
1.Indien voor een uit hoofde van deze rijkswet verleend octrooi de voorrang is ingeroepen van een eerder uit hoofde van deze rijkswet ingediende octrooiaanvrage, heeft het op genoemde aanvrage verleende octrooi geen rechtsgevolgen, voor zover het betrekking heeft op dezelfde uitvinding als eerstgenoemd octrooi.
-
-
2.Vorderingen ter vaststelling van het ontbreken van rechtsgevolg als bedoeld in het eerste lid kunnen door een ieder worden ingesteld.
-
-
3.Artikel 75, vierde lid, achtste lid, eerste volzin, en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
De aanvrager heeft geen aanspraak op octrooi, voor zover de inhoud van zijn aanvrage aan hetgeen reeds door een ander vervaardigd of toegepast werd of wel aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van een ander, zonder diens toestemming, ontleend is. Deze laatste behoudt, voor zover hetgeen ontleend werd voor octrooi vatbaar is, zijn aanspraak op octrooi. Voor de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, op het onderwerp van een aanvrage, ingediend door degene aan wie ontleend is, blijft de door de ontlener ingediende aanvrage buiten beschouwing.
Artikel 12
-
-
1.Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in dienst van een ander een betrekking bekleedt, heeft hij aanspraak op octrooi, tenzij de aard van de betrekking medebrengt, dat hij zijn bijzondere kennis aanwendt tot het doen van uitvindingen van dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft. In het laatstbedoelde geval komt de aanspraak op octrooi toe aan de werkgever.
-
-
2.Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in het kader van een opleiding bij een ander werkzaamheden verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan degene bij wie de werkzaamheden worden verricht, tenzij de uitvinding geen verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden.
-
-
3.Indien de uitvinding is gedaan door iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan de betrokken universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling.
-
-
4.Voor de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, op het onderwerp van een aanvrage, ingediend door de in het eerste lid, laatste volzin, bedoelde werkgever dan wel door degene die de gelegenheid biedt om werkzaamheden te verrichten als bedoeld in het tweede lid, blijft een door de niet gerechtigde ingediende octrooiaanvrage buiten beschouwing.
-
-
5.Van het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken.
-
-
6.Ingeval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen. Een vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is verleend.
-
-
7.Elk beding, waarbij van het zesde lid wordt afgeweken, is nietig.
Artikel 13
Indien een uitvinding is gedaan door verscheidene personen, die volgens een afspraak tezamen hebben gewerkt, hebben zij gezamenlijk aanspraak op octrooi.
Artikel 14
-
-
1.Degene die de uitvinding heeft gedaan, waarvoor octrooi is aangevraagd, doch op grond van artikel 12, eerste, tweede of derde lid, of op grond van een overeenkomst, gesloten met de aanvrager of diens rechtsvoorgangers, geen aanspraak op octrooi kan doen gelden, heeft het recht in het octrooi als de uitvinder te worden vermeld.
-
-
2.Elk beding, waarbij van het vorige lid wordt afgeweken, is nietig.
Hoofdstuk 2. Behandeling van octrooiaanvragen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 15
-
-
1.Er is een bureau belast met de uitvoering van deze rijkswet en andere bij of krachtens wet of bindende internationale verplichtingen opgelegde taken. Het bureau heet Octrooicentrum Nederland. Het bureau is een instelling van Nederland en dient tevens, voor zover het octrooien betreft, voor Nederland en de Nederlandse Antillen als centrale bewaarplaats als bedoeld in artikel 12 van de op 14 juli 1967 te Stockholm tot stand gekomen herziening van het op 20 maart 1883 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1969, 144).
-
-
2.Bij besluit van Onze Minister worden inrichting en werkwijze van het bureau bepaald.
Artikel 16
Indien het bureau gedurende de laatste dag van enige ingevolge deze rijkswet door of jegens het bureau in acht te nemen termijn is gesloten, wordt die termijn voor de toepassing van deze rijkswet verlengd tot het einde van de eerstvolgende dag, waarop het bureau weer geopend is.
Artikel 17
-
-
1.Het bureau treedt op als ontvangend bureau in de zin van artikel 2, onder (xv), van het Samenwerkingsverdrag en verricht zijn werkzaamheden uit dien hoofde met inachtneming van de bepalingen van dat verdrag.
-
-
2.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden, voor zover het Samenwerkingsverdrag daartoe de bevoegdheid verleent, het bedrag en de vervaldatum vastgesteld van taksen die op grond van het Samenwerkingsverdrag en het daarbij behorende Reglement mogen worden geheven. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen verdere regels worden gesteld ten aanzien van onderwerpen waarover het ontvangend bureau ingevolge genoemd Reglement bevoegd is voorschriften te geven.
Artikel 18
De aanwijzing of, in voorkomend geval, de keuze van het Koninkrijk in een internationale aanvrage als bedoeld in artikel 2, onder (vii), van het Samenwerkingsverdrag zal worden aangemerkt als een verzoek van de aanvrager tot verkrijging van een Europees octrooi.
Artikel 19
-
-
1.Het bureau is verantwoordelijk voor een octrooiregister waaruit de stand van zaken omtrent octrooiaanvragen en octrooien kan worden afgeleid en waaruit voor dit doel gegevens kunnen worden verstrekt aan derden.
-
-
2.In het register worden ingevolge deze rijkswet gegevens betreffende octrooiaanvragen en octrooien ingeschreven. Het register is voor een ieder kosteloos ter inzage.
-
-
3.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het register. Daarbij kan worden bepaald dat de inschrijving van bepaalde gegevens in het register afhankelijk is van het betalen van een bedrag door degene die om inschrijving verzoekt.
-
-
4.Tegen betaling van bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedragen kan een ieder het bureau verzoeken om schriftelijke inlichtingen omtrent dan wel gewaarmerkte uittreksels uit het octrooiregister of om stukken welke betrekking hebben op een in het octrooiregister ingeschreven octrooiaanvrage of octrooi, alsmede om afschriften van laatstgenoemde stukken.
Artikel 20
-
-
1.Van alle gegevens die in het octrooiregister worden vermeld, wordt tevens melding gemaakt in een door het bureau periodiek uit te geven blad.
-
-
2.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 21
-
-
1.Vanaf het tijdstip waarop de octrooiaanvrage in het octrooiregister is ingeschreven, kan een ieder kosteloos kennisnemen van alle op de aanvrage of het daarop verleende octrooi betrekking hebbende stukken die het bureau hebben bereikt of die het bureau aan de aanvrager of aan derden heeft doen uitgaan in het kader van de bepalingen van deze rijkswet. Het bureau maakt van al deze stukken zo spoedig mogelijk doch niet voor de inschrijving van de aanvrage in het octrooiregister melding in het in artikel 20 bedoelde blad.
-
-
2.Van stukken die betrekking hebben op een aanvrage die nog niet in het octrooiregister is ingeschreven, kan alleen met toestemming van de aanvrager kennis worden genomen. Zonder toestemming van de aanvrager kan daarvan nochtans kennis worden genomen, indien de betrokkene aantoont dat de aanvrager zich tegenover hem heeft beroepen op zijn aanvrage. Het in dit lid bepaalde geldt niet ten aanzien van de in paragraaf 3 van dit hoofdstuk bedoelde octrooiaanvragen.
-
-
3.Geen kennis kan worden genomen van de verklaring van degene die de uitvinding heeft gedaan, inhoudende dat hij geen prijs stelt op vermelding als uitvinder in het octrooi.
Artikel 22 [Vervallen per 01‐05‐2003]
Artikel 23
-
-
1. Indien de aanvrager of de houder van een octrooi dan wel de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het bureau of het bureau bedoeld in artikel 99 in acht te nemen, wordt op zijn verzoek door het bureau de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge deze rijkswet rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.
-
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het niet indienen van de octrooiaanvrage binnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde termijn en op het niet in acht nemen van de hierna in het derde lid bedoelde termijn.
-
-
3. Indien een verzoek betrekking heeft op het niet in acht nemen van een termijn als bedoeld in artikel 9, zesde, zevende of achtste lid, wordt het verzoek binnen twee maanden na het verstrijken van de termijn ingediend. Andere verzoeken worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een jaar na afloop van de niet in acht genomen termijn, ingediend. Gelijktijdig met het verzoek wordt de verzuimde handeling alsnog verricht. Bij de indiening dient een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen bedrag te worden betaald.
-
-
4. Het bureau tekent het herstel in het octrooiregister aan.
-
-
5. Degene, die in het tijdvak, gelegen tussen het verlies van het recht of het rechtsmiddel en het herstel in de vorige toestand, begonnen is met de vervaardiging of toepassing binnen Nederland of de Nederlandse Antillen in of voor zijn bedrijf van datgene, waarvoor tengevolge van het herstel een octrooi van kracht is, dan wel een begin van uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen daartoe, blijft niettegenstaande het octrooi bevoegd de in artikel 53, eerste lid, bedoelde handelingen te verrichten. Artikel 55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 1a. Octrooigemachtigden
Artikel 23a
-
-
1.Het bureau is verantwoordelijk voor een register van octrooigemachtigden waaruit kan worden afgeleid wie voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid van octrooigemachtigden en als octrooigemachtigde voor het bureau kan optreden en waaruit voor dit doel gegevens kunnen worden verstrekt aan derden.
-
-
2.In het register kan een ieder op aanvraag als octrooigemachtigde worden ingeschreven die met goed gevolg een examen heeft afgelegd en die gedurende ten minste drie jaren octrooiaanvragen heeft behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde, dan wel van wie met goed gevolg een proeve van bekwaamheid is afgenomen. Het examen of de proeve van bekwaamheid is niet langer dan tien jaar voor het indienen van de aanvraag afgelegd.
-
-
3.Het bureau stelt de inrichting van het register vast. Het register is voor een ieder kosteloos ter inzage.
-
-
4.Het is anderen dan degenen die in het register van octrooigemachtigden zijn ingeschreven, verboden zichzelf in het economisch verkeer aan te duiden alsof zij in dat register zouden zijn ingeschreven.
-
-
5.De raad van toezicht kan op aanvraag ontheffing verlenen van de verplichting het examen of de proeve van bekwaamheid af te leggen of ten minste drie jaren octrooiaanvragen te behandelen onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde.
-
-
6.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag om inschrijving in het register, de aanvraag om een ontheffing, de beoordeling van de aanvraag door de raad van toezicht, het beroep bij het Gerechtshof te 's‐Gravenhage tegen een afwijzend oordeel van de raad en de inschrijving in en de uitschrijving uit het register.
Artikel 23b
-
-
1.Voor het bureau kunnen als gemachtigde slechts optreden personen die als octrooigemachtigde zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23a, personen die op grond van artikel 1 van de Advocatenwet als advocaat zijn ingeschreven bij een rechtbank en personen die op grond van artikel 1 van de Advocatenlandsverordening als advocaat zijn ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
-
-
2.De directeur van het bureau kan van een advocaat inzage vorderen van de geviseerde akte van zijn beëdiging als advocaat voordat hij hem als gemachtigde voor het bureau toelaat.
-
-
3.De directeur van het bureau kan in bijzondere gevallen ook anderen dan de personen, bedoeld in het eerste lid, toestaan als gemachtigde voor het bureau op te treden, indien zij van een dergelijk optreden niet hun beroep maken of indien zij in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte bevoegd zijn om als gemachtigde in octrooizaken op te treden en zij slechts in incidentele gevallen als gemachtigde voor het bureau optreden.
-
-
4.Tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald, is een octrooigemachtigde of een persoon die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, verplicht tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennis neemt. Deze verplichting blijft bestaan na beëindiging van de desbetreffende werkzaamheden.
Artikel 23c
-
-
1.Er is een examencommissie voor het afnemen van het examen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 23a.
-
-
2.Op voordracht van het bestuur van de orde benoemt Onze Minister de leden van de examencommissie telkens voor een periode van twee jaar. Onze Minister kan een lid om gewichtige redenen tussentijds ontslaan. De benoeming en het ontslag van de leden van de examencommissie wordt bekendgemaakt in het blad, bedoeld in artikel 20.
-
-
3.De examencommissie bestaat uit ten minste zes personen. Een derde van de leden van de examencommissie is octrooigemachtigde, een derde is medewerker van het bureau en een derde is technisch of rechtsgeleerd deskundige, niet afkomstig uit de kring van octrooigemachtigden en medewerkers van het bureau. Ten hoogste de helft van de leden van de examencommissie kan tevens docent zijn van een opleiding voor toekomstige octrooigemachtigden.
-
-
4.De examencommissie kan uit haar midden commissies samenstellen ten behoeve van het in gedeelten afnemen van het examen of de proeve van bekwaamheid.
-
-
5.De examencommissie bepaalt het tijdstip van de aanmelding tot het examen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, alsmede het tijdstip en de plaats waarop dit examen en deze proeve van bekwaamheid worden afgenomen. De examencommissie neemt een examen of proeve van bekwaamheid of een gedeelte daarvan niet af dan nadat degene van wie het examen of de proeve van bekwaamheid of het gedeelte daarvan wordt afgenomen, het daarvoor verschuldigde bedrag heeft betaald.
-
-
6.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
- o
-
a. het toelaten tot het deelnemen aan en het afnemen van het examen en de proeve van bekwaamheid en het bedrag dat degene die aan een examen of proeve van bekwaamheid of een gedeelte daarvan wenst deel te nemen, verschuldigd is;
- o
-
b. de kennis die wordt getoetst door het examen en de proeve van bekwaamheid, de uitwerking van de exameneisen door de examencommissie en de wijze waarop het examen of de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen.
Artikel 23d
-
-
1.Er is een Orde van octrooigemachtigden, die gevormd wordt door allen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23a.
-
-
2.De orde heeft tot taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. Haar taak omvat mede de zorg voor de eer en het aanzien van het beroep van octrooigemachtigde.
-
-
3.De orde is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet.
Artikel 23e
-
-
1.De algemene vergadering van de orde kiest uit haar midden een bestuur dat de dagelijkse leiding heeft over de orde en dat gerechtigd is tot het verrichten van daden van beheer en beschikking met betrekking tot het vermogen van de orde.
-
-
2.De leden van het bestuur treden om de twee jaar af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
-
-
3.Het bestuur van de orde bestaat uit ten hoogste negen leden. De algemene vergadering van de orde wijst uit deze leden de voorzitter, secretaris en penningmeester van het bestuur aan.
-
-
4.De voorzitter of de secretaris van het bestuur vertegenwoordigt de orde in en buiten rechte.
Artikel 23f
-
-
1.De algemene vergadering van de orde kiest een raad van toezicht die aanvragen om opgenomen te worden in het register van octrooigemachtigden beoordeelt, die toezicht houdt op de wijze waarop octrooigemachtigden hun beroep uitoefenen en die belast is met tuchtrechtspraak in eerste aanleg.
-
-
2.De leden van de raad van toezicht treden om de twee jaar af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
-
-
3.De raad van toezicht van de orde bestaat uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
-
-
4.De voorzitter van de raad van toezicht is een jurist die op voordracht van de algemene vergadering van de orde wordt benoemd door Onze Minister. De algemene vergadering van de orde wijst de secretaris van de raad van toezicht aan uit de leden van de raad.
Artikel 23g
-
-
1.Het lidmaatschap van het bestuur is niet verenigbaar met het lidmaatschap of het plaatsvervangend lidmaatschap van de raad van toezicht.
-
-
2.Het bestuur ontheft een lid of plaatsvervangend lid van de raad van toezicht van zijn functie, indien het lid of plaatsvervangend lid:
- o
-
a. vanwege ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
- o
-
b. uitgeschreven is uit het register van octrooigemachtigden;
- o
-
c. in staat van faillissement is verklaard, onder de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is verklaard of onder curatele is gesteld;
- o
-
d. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
- o
-
e. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft.
Artikel 23h
-
-
1.De algemene vergadering van de orde stelt een huishoudelijk reglement en gedragsregels voor octrooigemachtigden vast.
-
-
2.Het huishoudelijk reglement regelt in ieder geval:
- o
-
a. de wijze waarop het bestuur en de raad van toezicht worden verkozen;
- o
-
b. het ontslag om gewichtige redenen van een lid van het bestuur;
- o
-
c. het houden van de vergaderingen van de orde;
- o
-
d. het bedrag van de contributie die de leden van de orde verschuldigd zijn vanwege hun lidmaatschap van de orde, en de termijn waarbinnen de contributie wordt voldaan.
-
-
3.De algemene vergadering stelt een verordening vast ten aanzien van de begeleiding van stagiaires door octrooigemachtigden, de wederzijdse verplichtingen van de octrooigemachtigde en de stagiaire en de benoeming door de raad van toezicht van een octrooigemachtigde als begeleider van een stagiaire die octrooiwerkzaamheden verricht buiten het kantoor van een octrooigemachtigde.
-
-
4.De algemene vergadering kan verordeningen vaststellen in het belang van de goede beroepsuitoefening van de leden. Deze verordeningen kunnen slechts betrekking hebben op:
- o
-
a. de wijze waarop de administratie van een octrooigemachtigde wordt ingericht, bijgehouden en bewaard;
- o
-
b. de samenwerking van octrooigemachtigden met andere octrooigemachtigden en met beoefenaren van een ander beroep;
- o
-
c. de publiciteit die octrooigemachtigden kunnen bedrijven omtrent hun werkzaamheden;
- o
-
d. het bijhouden van de kennis en het inzicht van octrooigemachtigden met betrekking tot het recht betreffende de industriële eigendom en het toezicht van de raad van toezicht daarop.
-
-
5.Verordeningen houden geen bepalingen in omtrent onderwerpen waarin bij of krachtens de wet is voorzien, bevatten geen verplichtingen of voorschriften die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het doel dat met de verordening wordt beoogd en beperken niet onnodig de marktwerking. Indien in het onderwerp van bepalingen van verordeningen wordt voorzien bij of krachtens de wet, houden deze bepalingen van rechtswege op te gelden.
Artikel 23i
-
-
1.Het huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de verordeningen, alsmede iedere wijziging daarvan, worden na vaststelling onverwijld ter goedkeuring gezonden aan Onze Minister.
-
-
2.Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden aan het huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de verordeningen, alsmede een wijziging daarvan, indien zij bepalingen bevatten die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang.
-
-
3.Na goedkeuring door Onze Minister worden het huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de verordeningen, alsmede een wijziging daarvan, geplaatst in het blad, bedoeld in artikel 20. Zij treden in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de dagtekening van het blad waarin zij worden geplaatst of zoveel eerder als zij zelf bepalen.
-
-
4.De octrooigemachtigden zijn gehouden het huishoudelijk reglement, de gedragsregels voor octrooigemachtigden en de verordeningen na te leven en de contributie die verschuldigd is vanwege het lidmaatschap van de orde binnen de daarvoor gestelde termijn te voldoen.
Artikel 23j
-
-
1.De algemene vergadering van de orde stelt voor 1 oktober van ieder jaar een begroting vast voor het volgende kalenderjaar.
-
-
2.De algemene vergadering van de orde brengt jaarlijks aan Onze Minister voor 1 mei een financieel verslag uit dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
-
-
3.De algemene vergadering van de orde stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden en werkwijze van de orde in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden.
-
-
4.De algemene vergadering van de orde stelt de in het tweede en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
Artikel 23k
De algemene vergadering van de orde, het bestuur van de orde, de raad van toezicht en de examencommissie verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23l
-
-
1.Ten minste eenmaal per jaar vergadert de orde over onderwerpen die voor octrooigemachtigden van belang zijn.
-
-
2.De vergaderingen van de orde, bedoeld in het eerste lid, zijn openbaar, tenzij de aanwezige leden van de orde om gewichtige redenen besluiten dat de vergadering geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. De vergaderingen van het bestuur en de raad van toezicht van de orde zijn niet openbaar, behoudens in een geval als bedoeld in artikel 23s, vierde lid.
Artikel 23m
-
-
1.Een octrooigemachtigde die in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of die onder curatele is gesteld, is gedurende het faillissement, de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de curatele van rechtswege geschorst in de uitoefening van het recht als gemachtigde voor het bureau op te treden of bij de behandeling ter terechtzitting van geschillen het woord te voeren. Gedurende deze tijd is hij tevens van rechtswege geschorst als lid van de orde.
-
-
2.Ingeval een octrooigemachtigde niet in staat is de belangen te behartigen die hem in die hoedanigheid zijn toevertrouwd, dan wel ingeval hij overleden is, wijst de voorzitter van de raad van de toezicht, indien niet reeds in de vervanging is voorzien, een octrooigemachtigde aan, die, zolang de voorzitter dit nodig oordeelt, de maatregelen neemt die onder de gegeven omstandigheden geboden zijn.
Artikel 23n
-
-
1.Een octrooigemachtigde die zich schuldig maakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de zorg die hij als octrooigemachtigde behoort te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen hij als zodanig behartigt of behoort te behartigen, dat in strijd is met het huishoudelijk reglement of de verordeningen van de orde, of dat in strijd is met hetgeen een octrooigemachtigde betaamt, kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid op grond van andere wettelijke voorschriften, worden onderworpen aan een van de maatregelen, genoemd in artikel 23u.
-
-
2.Als enig handelen of nalaten in strijd met hetgeen een octrooigemachtigde betaamt, wordt in ieder geval aangemerkt het in octrooiaangelegenheden samenwerken of in dienst nemen van een persoon:
- o
-
a. van wie bekend is dat hem de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 23a, is geweigerd omdat gegronde vrees bestaat dat hij zich schuldig zal maken aan enig handelen of nalaten als bedoeld in het eerste lid,
- o
-
b. die ontzet is uit het recht om als gemachtigde voor het bureau op te treden, of
- o
-
c. die, hoewel onbevoegd om als gemachtigde voor het bureau op te treden, er zijn gewoonte van maakt zich in Nederland of de Nederlandse Antillen voor te doen als een gemachtigde.
Artikel 23o
-
-
1.De raad van toezicht neemt een tegen een octrooigemachtigde gerezen bedenking in behandeling op een met redenen omklede schriftelijke klacht, bij hem ingediend.
-
-
2.Indien de voorzitter van het bestuur van de orde buiten het geval van een klacht op de hoogte is van een bedenking tegen een octrooigemachtigde of een advocaat, kan hij deze ter kennis van de raad van toezicht brengen. In dat geval behandelt de raad de bedenking als klacht en beschouwt hij de voorzitter van het bestuur van de orde als klager.
-
-
3.Indien het de raad van toezicht bekend is dat een advocaat zich bij de behandeling van octrooiaangelegenheden heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet, stelt hij de raad van toezicht, bedoeld in artikel 22 van die wet, van het arrondissement waarin de desbetreffende advocaat zijn praktijk uitoefent, hiervan op de hoogte.
-
-
4.De raad van toezicht neemt een klacht niet in behandeling indien het voorval waarop de klacht betrekking heeft, ten minste vijf jaar voor de indiening van de klacht heeft plaatsgevonden.
Artikel 23p
-
-
1.De secretaris van de raad van toezicht stelt de octrooigemachtigde tegen wie een klacht is ingediend onverwijld schriftelijk op de hoogte van de bedenking.
-
-
2.De voorzitter van de raad kan na een summier onderzoek, zo nodig na de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde te hebben gehoord, de klacht terstond bij met redenen omklede beslissing afwijzen indien hij van oordeel is dat deze kennelijk niet‐ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is.
-
-
3.Indien de voorzitter van de raad van oordeel is dat een klacht vatbaar is voor minnelijke schikking, roept hij de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde op teneinde een zodanige schikking te beproeven. Indien een minnelijke schikking mogelijk blijkt, wordt deze op schrift gesteld en door de klager, de octrooigemachtigde en de voorzitter ondertekend.
-
-
4.De voorzitter van de raad brengt klachten, die niet in der minne zijn opgelost of die niet zijn afgewezen, onverwijld ter kennis van de raad van toezicht.
-
-
5.De secretaris van de raad zendt aan de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde onverwijld bij aangetekende brief een afschrift van de beslissing van de voorzitter.
Artikel 23q
-
-
1.Tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van toezicht tot afwijzing van een klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de raad van toezicht. Hij geeft daarbij gemotiveerd aan met welke overwegingen van de voorzitter van de raad hij zich niet kan verenigen en kan vragen over zijn verzet te worden gehoord.
-
-
2.Indien overeenkomstig het eerste lid verzet is gedaan tegen de beslissing van de voorzitter van de raad, wijst deze een ander lid van de raad aan om hem bij de behandeling van het verzet te vervangen.
-
-
3.Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing van de voorzitter van de raad, tenzij de raad het verzet niet‐ontvankelijk of ongegrond verklaart.
-
-
4.Indien de raad van oordeel is dat de klacht kennelijk niet‐ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij zonder nader onderzoek het verzet niet‐ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de klager die daarom vroeg, in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
-
-
5.De beslissing tot niet‐ontvankelijkverklaring of tot ongegrondverklaring van het verzet is met redenen omkleed. Daartegen staat geen rechtsmiddel open. De secretaris van de raad zendt aan de klager en de desbetreffende octrooigemachtigde onverwijld bij aangetekende brief een afschrift van de beslissing van de raad.
-
-
6.Indien de raad van oordeel is dat het verzet gegrond is, wordt de zaak in verdere behandeling genomen.
Artikel 23r
-
-
1.Indien een bedenking een lid of plaatsvervangend lid van de raad van toezicht betreft, schorst de raad dit lid of plaatsvervangend lid in het recht zitting te hebben in de raad gedurende de tijd dat de bedenking behandeld wordt.
-
-
2.De artikelen 512 tot en met 519 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de wraking en verschoning van een lid of plaatsvervangend lid van de raad.
Artikel 23s
-
-
1.De raad van toezicht neemt geen beslissing dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de octrooigemachtigde en van de klager of de voorzitter van het bestuur van de orde. De oproepingen geschieden bij aangetekende brief ten hoogste acht weken nadat de klacht ter kennis van de raad is gebracht op grond van artikel 23p, vierde lid, of nadat de raad de klacht in verdere behandeling heeft genomen op grond van artikel 23q, zesde lid, en ten minste twee weken voor het verhoor.
-
-
2.De octrooigemachtigde en de klager of de voorzitter van het bestuur van de orde zijn bevoegd zich te doen bijstaan door een raadsman. De secretaris van de raad stelt hen tijdig in de gelegenheid om kennis te nemen van de stukken die betrekking hebben op de zaak. Zij kunnen afschriften of uittreksels van die stukken vragen tegen vergoeding van de kostprijs.
-
-
3.De raad kan weigeren personen, die geen advocaat of procureur zijn, als raadsman toe te laten. In dat geval houdt de raad de zaak tot een volgende zitting aan.
-
-
4.De behandeling door de raad van een bedenking tegen een octrooigemachtigde geschiedt in een openbare zitting. De raad kan om gewichtige redenen bevelen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden.
Artikel 23t
-
-
1.De raad van toezicht kan getuigen en deskundigen horen. Zij worden daartoe bij aangetekende brief opgeroepen en zijn verplicht aan de oproeping gevolg te geven.
-
-
2.Verschijnt een getuige of deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie op verzoek van de raad hem dagvaarden. Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan doet de officier van justitie op verzoek van de raad hem andermaal dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
-
-
3.De voorzitter van de raad kan een getuige onder ede horen.
-
-
4.De getuige is verplicht op de gestelde vragen te antwoorden. De deskundige is gehouden zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
-
-
5.De getuigen en deskundigen ontvangen op verzoek op vertoon van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het bij en krachtens artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
Artikel 23u
-
-
1.De raad van toezicht kan aan de octrooigemachtigde een van de volgende maatregelen opleggen, indien hij oordeelt dat een tegen de octrooigemachtigde gerezen bedenking gegrond is:
- o
-
a. waarschuwing;
- o
-
b. berisping;
- o
-
c. schorsing in de uitoefening van het recht om als gemachtigde voor het bureau op te treden voor de tijd van ten hoogste vijf jaar;
- o
-
d. ontzetting uit het recht om als gemachtigde voor het bureau op te treden.
-
-
2.Schorsing als bedoeld in het eerste lid, onder c, brengt voor de duur van de schorsing mee schorsing als lid van de orde en verlies van de betrekkingen, waarbij de hoedanigheid van octrooigemachtigde vereist is voor de verkiesbaarheid of benoembaarheid.
Artikel 23v
-
-
1.De beslissingen van de raad van toezicht zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. De raad beslist binnen zes weken nadat het onderzoek ter openbare zitting is gesloten.
-
-
2.De waarschuwing of berisping, bedoeld in artikel 23u, eerste lid, onder a en b, wordt door de voorzitter van de raad uitgesproken in een vergadering van de raad, waarvoor de octrooigemachtigde bij aangetekende brief wordt opgeroepen. Van de vergadering wordt proces‐verbaal opgemaakt. De secretaris van de raad zendt een afschrift van het proces‐verbaal bij aangetekende brief aan de octrooigemachtigde.
-
-
3.Indien een maatregel is opgelegd als bedoeld in artikel 23u kan de raad beslissen dat daarvan mededeling wordt gedaan in het blad, bedoeld in artikel 20, zodra de beslissing onherroepelijk is geworden. Een dergelijke mededeling wordt in ieder geval gedaan indien een maatregel als bedoeld in artikel 23u, eerste lid, onder c of d, is opgelegd.
-
-
4.De secretaris van de raad zendt bij aangetekende brief terstond een afschrift van de beslissing van de raad aan de octrooigemachtigde en, in voorkomend geval, aan de klager of de voorzitter van het bestuur van de orde, alsmede, indien bij de beslissing een maatregel is opgelegd, aan het bureau. In het afschrift van de beslissing worden de ter beschikking staande rechtsmiddelen vermeld.
-
-
5.In geval van oplegging van de maatregelen, bedoeld in artikel 23u, eerste lid, onder c en d, deelt de raad aan de betrokken octrooigemachtigde bij aangetekende brief nadat de beslissing onherroepelijk is geworden, de datum mee waarop de maatregel van kracht wordt.
Artikel 23w
-
-
1.Tegen een beslissing van de raad van toezicht als bedoeld in artikel 23u kan een belanghebbende binnen dertig dagen na de dag van verzending van de brief, bedoeld in artikel 23v, vierde lid, beroep instellen bij het Gerechtshof te 's‐Gravenhage.
-
-
2.Het beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. De griffier van het gerechtshof geeft door toezending van een afschrift van het beroepschrift terstond kennis aan de raad van toezicht, aan het bureau en, voor zover het beroep niet door hem is ingesteld, aan de klager en aan de octrooigemachtigde.
-
-
3.Het gerechtshof behandelt de zaak opnieuw in volle omvang.
-
-
4.De artikelen 23s en 23t zijn van overeenkomstige toepassing op het beroep.
-
-
5.Tenzij het gerechtshof beslist dat het beroep niet ontvankelijk is of dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van enige maatregel, legt het een maatregel op als bedoeld in artikel 23u.
-
-
6.Artikel 23v is van overeenkomstige toepassing op de beslissing van het gerechtshof, met dien verstande dat in plaats van «de raad van toezicht» wordt gelezen: het gerechtshof, in plaats van «voorzitter van de raad» wordt gelezen: vice‐president van het gerechtshof, en in plaats van «secretaris van de raad»: griffier van het gerechtshof.
-
-
7.Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 23x
-
-
1.Van een beslissing van de raad van toezicht als bedoeld in artikel 23u en van een beslissing van het gerechtshof als bedoeld in artikel 23w, vijfde lid, kan door degene tegen wie de beslissing is genomen, herziening worden verzocht, indien een ernstig vermoeden bestaat dat op grond van enige omstandigheid, waarvan bij het nemen van de beslissing niet is gebleken, een andere beslissing zou zijn genomen, indien die omstandigheid bekend zou zijn geweest.
-
-
2.Van een beslissing tot oplegging van de maatregel, bedoeld in artikel 23u, eerste lid, onder d, kan door degene tegen wie de beslissing is genomen, wijziging worden verzocht na vijf jaar nadat de beslissing onherroepelijk is geworden.
-
-
3.Ten aanzien van de herziening, bedoeld in het eerste lid, en de wijziging, bedoeld in het tweede lid, is het Gerechtshof te 's‐Gravenhage bevoegd. Deze procedures leiden niet tot het opleggen van een zwaardere maatregel. De artikelen 23s, 23t en 23w, tweede tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de herziening en de wijziging.
Artikel 23y
-
-
1.Een belanghebbende kan bij de examencommissie bezwaar maken tegen een beslissing als bedoeld in artikel 23c, vijfde lid, tegen een beslissing hem of haar niet toe te laten tot het examen of de proeve van bekwaamheid en tegen de beoordeling van het examen of de proeve van bekwaamheid.
-
-
2.Een belanghebbende kan bij de raad van toezicht bezwaar maken tegen een benoeming van een octrooigemachtigde als begeleider van een stagiaire als bedoeld in artikel 23h, derde lid.
-
-
3.De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het bezwaar, bedoeld in het eerste of tweede lid.
-
-
4.De curator kan de raad van toezicht verzoeken de schorsing, bedoeld in artikel 23m, eerste lid, op te heffen. De artikelen 23s, 23t en 23v, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot opheffing van de schorsing. Indien de raad van toezicht de schorsing opheft, zendt de secretaris van de raad terstond een afschrift van de beslissing van de raad aan de curator, de betrokkene en het bureau.
-
-
5.Een belanghebbende kan tegen een beslissing op bezwaar als bedoeld in het eerste of tweede lid of tegen een beslissing op het verzoek als bedoeld in het vierde lid beroep instellen bij het Gerechtshof te 's‐Gravenhage.
-
-
6.De artikelen 23s, 23t en 23v, eerste lid, en 23w, met uitzondering van het vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het beroep.
Artikel 23z
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van paragraaf 1a van hoofdstuk 2 van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten‐Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de orde.
§ 2. Verlening
Artikel 24
-
-
1.Een aanvrage om octrooi moet bij het bureau worden ingediend en moet:
- o
-
a. de naam en het adres van de aanvrager vermelden;
- o
-
b. de naam en de woonplaats vermelden van degene, die de uitvinding heeft gedaan, tenzij deze blijkens een bij de aanvrage gevoegde schriftelijke verklaring geen prijs stelt op vermelding als uitvinder in het octrooi;
- o
-
c. een verzoek om verlening van een octrooi bevatten;
- o
-
d. een korte aanduiding bevatten van datgene, waarop de uitvinding betrekking heeft;
- o
-
e. vergezeld zijn van een beschrijving van de uitvinding, die aan het slot in één of meer conclusies een omschrijving geeft van datgene, waarvoor uitsluitend recht wordt verlangd;
- o
-
f. vergezeld zijn van een uittreksel van de beschrijving.
-
-
2.Het uittreksel is alleen bedoeld als technische informatie; het kan in het bijzonder niet dienen voor de uitlegging van de omvang van de gevraagde bescherming en voor de toepassing van de artikelen 4, derde lid, en 75, tweede lid.
-
-
3.De aanvrage en de overige bescheiden zijn hetzij in het Nederlands hetzij in het Engels gesteld, met uitzondering van de conclusies die in het Nederlands zijn gesteld.
-
-
4.De aanvrage, de beschrijving van de uitvinding, de tekeningen en het uittreksel moeten voorts voldoen aan de overige, bij ministeriële regeling te stellen, voorschriften.
-
-
5.Bij de aanvrage dient een bewijsstuk te worden overgelegd waaruit blijkt dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld tarief.
Artikel 25
-
-
1.De beschrijving van de uitvinding is duidelijk en volledig en wordt zodanig opgesteld dat de uitvinding daaruit door een deskundige kan worden begrepen en aan de hand daarvan kan worden toegepast. De omschrijving, gegeven in een of meer conclusies aan het slot van de beschrijving, is nauwkeurig. De beschrijving gaat zo nodig van daarmee overeenstemmende tekeningen vergezeld.
-
-
2.Indien een uitvinding betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de beschrijving niet zodanig kan worden omschreven dat de uitvinding aan de hand daarvan door een deskundige kan worden toegepast, dan wel indien een uitvinding het gebruik van dergelijk biologisch materiaal impliceert, is de beschrijving slechts toereikend indien het biologisch materiaal uiterlijk op de dag van indiening van de aanvrage is gedeponeerd bij een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen instelling.
-
-
3.Indien een uitvinding betrekking heeft op een sequentie of een partiële sequentie van een gen, bevat de beschrijving een concrete omschrijving van de functie en de industriële toepassing van deze sequentie of partiële sequentie. Ingeval voor de productie van een eiwit of partieel eiwit een sequentie of partiële sequentie van een gen is gebruikt, bevat de beschrijving van de industriële toepasbaarheid een precisering van het eiwit of partieel eiwit dat is geproduceerd en de functie daarvan.
-
-
4.Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van:
- o
-
a. de gegevens die in de aanvrage worden opgenomen met betrekking tot de kenmerken en identificatie van het gedeponeerde biologisch materiaal, en
- o
-
b. de toegankelijkheid en beschikbaarheid van het gedeponeerde biologisch materiaal.
Artikel 26 [Vervallen per 20‐11‐1998]
Artikel 27
Elke aanvrage om octrooi mag slechts op een enkele uitvinding betrekking hebben of op een groep van uitvindingen, die zodanig onderling verbonden zijn, dat zij op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen daarover nadere regels worden gesteld.
Artikel 28
-
-
1.De aanvrager kan zijn reeds ingediende aanvrage splitsen door voor een gedeelte van de inhoud daarvan een afzonderlijke aanvrage in te dienen. Deze aanvrage wordt, behalve voor de toepassing van de artikelen 30, eerste lid, 31, derde lid, en 32, tweede lid, aangemerkt te zijn ingediend op de dag van de oorspronkelijke aanvrage.
-
-
2.De aanvrager kan de beschrijving, conclusies en tekeningen van zijn reeds ingediende aanvrage wijzigen.
-
-
3.Het onderwerp van de afgesplitste of de gewijzigde aanvrage moet gedekt worden door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage.
-
-
4.De splitsing of wijziging kan geschieden tot het tijdstip waarop de octrooiaanvrage ingevolge artikel 31, eerste of tweede lid, in het octrooiregister moet worden ingeschreven, met dien verstande dat voor de splitsing of wijziging een termijn van tenminste twee maanden na de verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling openstaat. Op verzoek van de aanvrager kan het bureau laatstgenoemde termijn verlengen tot vier maanden na de verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling.
Artikel 29
-
-
1.Als datum van indiening van de aanvrage geldt die, waarop zijn overgelegd:
- o
-
a. een aanduiding dat een octrooi wordt aangevraagd;
- o
-
b. gegevens waaruit de identiteit van de aanvrager blijkt;
- o
-
c. een beschrijving van de uitvinding en één of meer conclusies, ook als deze niet voldoen aan het bij of krachtens artikel 24 bepaalde.
-
-
2.Het bureau vermeldt de in het eerste lid bedoelde datum alsmede een nummer op de aanvrage en maakt deze zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
-
-
3.Indien het bureau van oordeel is, dat de overgelegde bescheiden niet voldoen aan het in het eerste lid bepaalde, weigert het bureau tot vermelding van de in het eerste lid bedoelde datum over te gaan. Het maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 30
-
-
1.Indien niet is voldaan aan het bij en krachtens artikel 24 bepaalde, geeft het bureau daarvan binnen een maand na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of, in geval van afsplitsing van de aanvrage, binnen een maand na de datum van indiening van de afgesplitste aanvrage, schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan.
-
-
2.Indien de gebreken niet binnen drie maanden na verzending van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de aanvrager voordien heeft medegedeeld niet tot herstel te willen overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 31
-
-
1.Het bureau schrijft een octrooiaanvrage in het octrooiregister in zo spoedig mogelijk na verloop van achttien maanden:
- o
-
a. na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of,
- o
-
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is gedaan op een of meer rechten van voorrang, na de eerste datum van voorrang.
-
-
2.Op schriftelijk verzoek van de aanvrager vindt de inschrijving op een eerder tijdstip plaats.
-
-
3.De inschrijving van een afgesplitste aanvrage als bedoeld in artikel 28 geschiedt zo spoedig mogelijk na de indiening daarvan, doch niet eerder dan de inschrijving van de oorspronkelijke aanvrage.
Artikel 32
-
-
1.De aanvrager verzoekt het bureau binnen uiterlijk dertien maanden na:
- o
-
a. de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening of,
- o
-
b. indien het een aanvrage betreft waarvoor een beroep is gedaan op een of meer rechten van voorrang, de eerste datum van voorrang, om een aan de verlening van het octrooi voorafgaand onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van de octrooiaanvrage.
-
-
2.Indien het een afgesplitste aanvrage betreft als bedoeld in artikel 28, wordt het in het eerste lid bedoeld verzoek gedaan binnen dertien maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van indiening of voorrang van de oorspronkelijke aanvrage of, indien dat later is, binnen twee maanden na de indiening van de afgesplitste aanvrage.
-
-
3.Indien de aanvrager niet tijdig om het in het eerste lid genoemde onderzoek heeft verzocht of het in het eerste lid bedoelde bedrag niet door het bureau is ontvangen, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 33 [Vervallen per 05‐06‐2008]
Artikel 34
-
-
1.Een onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt verricht door het bureau, waar nodig met inschakeling van het Europees Octrooibureau, bedoeld in het Europees Octrooiverdrag.
-
-
2.Indien de aanvrager daarom verzoekt, doet het bureau de aanvrage onderwerpen aan een onderzoek naar de stand van de techniek van internationaal type als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onder a, van het Samenwerkingsverdrag. Zulk een onderzoek naar de stand van de techniek wordt aangemerkt als een onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 32, eerste lid.
-
-
3.Indien bij het onderzoek blijkt, dat de ingediende aanvrage niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 27 bepaalde, wordt het uitgevoerd ten aanzien van die onderdelen van de aanvrage die betrekking hebben op de uitvinding of op de groep van uitvindingen als bedoeld in artikel 27, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.
-
-
4.Het bureau deelt de aanvrager schriftelijk het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek mede.
-
-
5.Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, maakt het bureau daarvan in de mededeling, bedoeld in het vierde lid, melding onder vermelding van de uitvinding of groep van uitvindingen ten aanzien waarvan het onderzoek is uitgevoerd.
Artikel 35
-
-
1.Indien het bureau van oordeel is dat het onderzoek naar de stand van de techniek wegens onduidelijkheid van de aanvrage niet uitvoerbaar is, geeft het bureau daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed kennis aan de aanvrager.
-
-
2.Indien de gebreken niet binnen twee maanden na verzending van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving zijn hersteld of indien de aanvrager voordien heeft meegedeeld niet tot herstel te willen overgaan, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
Artikel 36
-
-
1.Het bureau verleent het octrooi zodra de octrooiaanvrage in het octrooiregister is ingeschreven, doch niet eerder dan twee maanden of, indien artikel 28, vierde lid, tweede volzin, is toegepast, vier maanden na verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling. Het doet hiervan aantekening in het octrooiregister. Op verzoek van de aanvrager verleent het bureau het octrooi op een eerder tijdstip nadat het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 34, vierde lid, is verzonden.
-
-
2.De octrooiverlening geschiedt door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm waarin deze ingediend dan wel overeenkomstig de artikelen 28 of 30, tweede lid, is gewijzigd.
-
-
3.Het bureau geeft de bij de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen bij wege van octrooischrift uit en verstrekt hiervan een gewaarmerkt afschrift aan de aanvrager.
-
-
4.Indien toepassing is gegeven aan artikel 34, derde lid, heeft het octrooi uitsluitend betrekking op die uitvinding of groep van uitvindingen als bedoeld in artikel 27, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.
-
-
5.Het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek wordt bij het octrooischrift gevoegd.
-
-
6.Een ingevolge dit artikel verleend octrooi blijft, behoudens eerder verval, afstand of vernietiging door de rechter, van kracht tot het verstrijken van een termijn van twintig jaren, te rekenen vanaf de in artikel 29, eerste lid , bedoelde datum van indiening.
Artikel 37 [Vervallen per 05‐06‐2008]
Artikel 38
-
-
1.Een ieder kan het bureau schriftelijk mededeling doen van gegevens betreffende een octrooiaanvrage of het daarop verleende octrooi. Het bureau deelt deze gegevens mede aan de aanvrager of de octrooihouder, voor zover zij niet van deze afkomstig zijn.
-
-
2.Indien de in artikel 24, eerste lid, onder b, bedoelde vermelding van de uitvinder onjuist is, of door een ander dan de uitvinder is verklaard dat op vermelding als uitvinder in het octrooi geen prijs wordt gesteld, kunnen de aanvrager en de uitvinder gezamenlijk, onder betaling van een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag, het bureau schriftelijk verzoeken terzake de nodige verbeteringen aan te brengen. In voorkomend geval dient het verzoek vergezeld te zijn van de schriftelijke toestemming van de ten onrechte als uitvinder aangemerkte persoon.
Artikel 39
-
-
1.De intrekking van een in het octrooiregister ingeschreven octrooiaanvrage heeft tegenover derden geen gevolg, zolang niet onherroepelijk is beslist op rechtsvorderingen ter zake van de aanvrage, die blijkens in het octrooiregister ingeschreven stukken zijn ingesteld.
-
-
2.Wanneer ingevolge een onherroepelijke beslissing op een rechtsvordering als bedoeld in het eerste lid de aanspraak op octrooi toekomt of mede toekomt aan een ander dan de aanvrager, wordt de intrekking aangemerkt als niet te zijn geschied.
-
-
3.Het bureau doet van een intrekking aantekening in het octrooiregister.
§ 3. Geheimhouding van de inhoud van octrooiaanvragen
Artikel 40
-
-
1.Indien het bureau van oordeel is, dat het geheim blijven van de inhoud van een octrooiaanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten kan zijn, maakt het dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de indiening van de aanvrage bekend. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van de beoordeling van de vraag, of zodanig belang aanwezig kan zijn, aanwijzingen geven aan het bureau.
-
-
2.Tegelijk met de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid zendt het bureau afschrift van het besluit en van de tot de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen aan Onze genoemde minister.
-
-
3.Ingeval het eerste lid toepassing vindt, wordt de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage opgeschort.
Artikel 41
-
-
1.Binnen acht maanden na indiening van een octrooiaanvrage als bedoeld in artikel 40 besluit Onze Minister van Defensie of de inhoud van de aanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet blijven. Hij maakt zijn besluit aan het bureau bekend.
-
-
2.Een besluit dat de inhoud van de aanvrage geheim moet blijven heeft tot gevolg dat de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage blijft opgeschort tot drie jaren na de bekendmaking van het besluit.
-
-
3.De opschorting eindigt indien:
- o
-
a. Onze genoemde minister besluit, dat de aanvrage niet geheim behoeft te blijven;
- o
-
b. een besluit binnen de in het eerste lid genoemde termijn is uitgebleven.
-
-
4.Onze genoemde minister kan telkens binnen zes maanden voor het verstrijken van de termijn van opschorting deze termijn met drie jaren verlengen. Hij maakt zijn besluit aan het bureau bekend.
-
-
5.Onze genoemde minister kan te allen tijde besluiten dat de inhoud van de aanvrage niet langer geheim behoeft te blijven. Het besluit heeft tot gevolg dat de opschorting eindigt.
-
-
6.Van een besluit krachtens het eerste, derde, vierde of vijfde lid, doet het bureau onverwijld mededeling aan de aanvrager. Het deelt deze eveneens onverwijld mede indien een besluit is uitgebleven zoals bedoeld in het derde of vijfde lid.
-
-
7.Zolang de opschorting niet is geëindigd, zendt het bureau op verzoek van Onze genoemde minister aan deze afschrift van alle ter zake tussen het bureau en de aanvrager gewisselde stukken.
-
-
8.Indien de opschorting eindigt, geschiedt niettemin de inschrijving van de aanvrage in het octrooiregister, tenzij op verzoek van de aanvrager, niet voordat drie maanden zijn verstreken.
Artikel 42
-
-
1.De Staat verleent degene, ten aanzien van wiens octrooiaanvrage de artikelen 40, 41 of 46 zijn toegepast, op zijn verzoek vergoeding van schade, die hij door toepassing van die artikelen heeft geleden.
-
-
2.Het bedrag van de schadeloosstelling wordt vastgesteld na het eindigen van de opschorting. Ingeval echter verlenging van de termijn van opschorting krachtens artikel 41, derde lid, heeft plaatsgevonden, wordt het bedrag van de schadeloosstelling op verzoek van de aanvrager vastgesteld in gedeelten, waarvan het eerste betrekking heeft op de tijdsruimte vóór de aanvang van de eerste verlenging, de volgende op de tijdsruimte tussen twee opeenvolgende verlengingen en het laatste op de tijdsruimte vanaf de aanvang van de laatste verlenging tot het eindigen van de opschorting; de vaststelling geschiedt dan telkens na het verstrijken van de betrokken tijdsruimte.
-
-
3.De vaststelling geschiedt zo mogelijk door Onze Minister van Defensie en de aanvrager in onderling overleg. Indien binnen zes maanden na het einde van de tijdsruimte, waarvoor de vergoeding moet gelden, geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
-
-
1.Indien een aanvrager verzoekt de inhoud van een octrooiaanvrage geheim te houden in het belang van de verdediging van een andere staat, dan wel de regering van die staat zodanig verzoek doet, zendt het bureau, mits de aanvrager schriftelijk heeft verklaard afstand te doen van alle vergoeding van schade, die hij door toepassing van dit artikel zou kunnen lijden, onverwijld afschrift van dat verzoek en van de tot de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen, alsmede van bedoelde afstandsverklaring, aan Onze Minister van Defensie. In dat geval wordt de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage opgeschort. Ingeval een afstandsverklaring ontbreekt, stelt het bureau Onze genoemde minister onverwijld van een en ander in kennis.
-
-
2.Binnen drie maanden na de indiening van het verzoek kan Onze genoemde minister, mits hem is gebleken, dat aan de aanvrager ook door de betrokken staat geheimhouding is opgelegd en dat deze van die staat toestemming heeft verkregen een aanvrage onder geheimhouding in te dienen, besluiten, dat de inhoud der aanvrage in het belang van de verdediging van die staat geheim moet blijven. Het besluit wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan het bureau.
-
-
3.Een besluit als bedoeld in het tweede lid heeft tot gevolg dat de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage blijft opgeschort, totdat Onze genoemde minister besluit dat de aanvrage niet langer geheim hoeft te blijven. Indien een besluit niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is genomen, eindigt de opschorting.
-
-
4.Artikel 41, zevende en achtste lid, is ten aanzien van een aanvrage als in het eerste lid bedoeld van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
-
-
1.Ingeval Onze Minister van Defensie van oordeel is, dat het belang van de verdediging van het Koninkrijk vordert, dat de Staat datgene, waarvoor octrooi wordt aangevraagd in een aanvrage, waarop artikel 40, 41 of 43 is toegepast, gebruikt, toepast dan wel doet gebruiken of toepassen, kan hij daartoe overgaan na het desbetreffende besluit bekend te hebben gemaakt. In dit besluit worden de handelingen, die de Staat moet kunnen verrichten of doen verrichten, nauwkeurig omschreven.
-
-
2.De Staat betaalt de aanvrager een vergoeding voor het gebruik of de toepassing krachtens het eerste lid.
-
-
3.Het bedrag van deze vergoeding wordt zo mogelijk door Onze genoemde minister en de aanvrager in onderling overleg vastgesteld. Indien binnen zes maanden na de in het eerste lid bedoelde bekendmaking geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
Indien de Staat zelf houder van een octrooiaanvrage is en Onze Minister van Defensie aan het bureau bekendmaakt, dat de inhoud daarvan in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet blijven, wordt de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage opgeschort, totdat Onze genoemde minister aan het bureau bekendmaakt, dat de inhoud van de aanvrage niet langer geheim behoeft te blijven.
Artikel 46
-
-
1.Een Europese octrooiaanvrage, waarvan de inhoud ‐ naar de aanvrager weet of redelijkerwijs moet vermoeden ‐ in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet blijven, moet worden ingediend bij het bureau.
-
-
2.Het bureau zendt onverwijld afschrift van de tot de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen aan Onze Minister van Defensie.
-
-
3.Uiterlijk drie weken voordat een Europese octrooiaanvraag moet worden doorgezonden naar het Europees Octrooibureau, maakt Onze genoemde minister aan het bureau bekend of de inhoud van de aanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet blijven.
-
-
4.Indien een bekendmaking krachtens het derde lid in ontkennende zin is gedaan of indien een bekendmaking is uitgebleven, zendt het bureau de Europese octrooiaanvrage, met inachtneming van de hiervoor krachtens het Europees Octrooiverdrag geldende termijn, door aan het Europees Octrooibureau, bedoeld in dat verdrag.
-
-
5.Het bureau geeft van enige bekendmaking krachtens het derde lid of van het uitblijven daarvan onverwijld kennis aan de aanvrager.
§ 4. Omgezette Europese octrooiaanvragen
Artikel 47
Een Europese octrooiaanvrage, die voldoet aan het bepaalde in artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag en op grond van artikel 77, derde lid, van dat Verdrag wordt aangemerkt als te zijn ingetrokken en die, als bijlage bij een regelmatig verzoek tot omzetting in een aanvrage om octrooi in het Koninkrijk, bij het bureau is binnengekomen, hierna te noemen omgezette aanvrage, geldt als een tot het bureau gerichte en bij het bureau ingediende aanvrage om octrooi als bedoeld in artikel 24. Een verzoek tot omzetting is regelmatig als het met inachtneming van de bepalingen van het Achtste Deel, hoofdstuk I, van het Europees Octrooiverdrag tijdig gedaan en aan het bureau doorgezonden is.
Artikel 48
-
-
1.Op de omgezette aanvrage wordt de datum, waarop zij bij het bureau is binnengekomen, alsmede een volgnummer vermeld. Het bureau geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan de aanvrager.
-
-
2.Voor de omgezette aanvrage moet het in artikel 24, vijfde lid, bedoelde bewijs van betaling worden overgelegd binnen een termijn van drie maanden na de in het eerste lid bedoelde datum van binnenkomst. Indien de Europese octrooiaanvrage niet in het Nederlands is ingediend moet binnen dezelfde termijn een vertaling in het Nederlands van de oorspronkelijke stukken van die aanvrage worden overgelegd. De vertaling maakt deel uit van de omgezette aanvrage; zij moet op verzoek van het bureau binnen een door dat bureau te stellen termijn worden gewaarmerkt. Indien niet tijdig is voldaan aan het in dit lid bepaalde, stelt het bureau de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om binnen een door het bureau te stellen termijn zijn verzuim te herstellen. Indien de aanvrager zijn verzuim niet tijdig heeft hersteld, besluit het bureau de aanvrage niet te behandelen. Het bureau maakt zijn beschikking zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend.
-
-
3.Op de omgezette aanvrage zijn de bij of krachtens artikel 24 gestelde vormvoorschriften niet van toepassing, voor zover zij afwijken van of een aanvulling betekenen op het bij of krachtens het Europees Octrooiverdrag bepaalde; in dat geval zijn laatstbedoelde bepalingen op de omgezette aanvrage van toepassing.
-
-
4.Zodra de aanvrager heeft voldaan aan het tweede lid gaat het bureau na of de aanvrage voldoet aan het bij en krachtens artikel 24 bepaalde of, indien van toepassing, de in het derde lid bedoelde bepalingen van het Europees Octrooiverdrag. Indien dat niet het geval is of indien het openbaar worden van de uitvinding in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden, geeft het bureau hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan. Artikel 30, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
-
5.Voor de toepassing van de artikelen 31, eerste lid, 36, zesde lid, en 61, eerste lid, op de omgezette aanvrage wordt in plaats van "de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening" gelezen: de datum van indiening die de aanvrage ingevolge artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61 of 76 van dat Verdrag bezit. In afwijking van artikel 32, eerste en tweede lid, kan een verzoek om een aan de verlening van het octrooi voorafgaand onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van de omgezette octrooiaanvrage of een daarvan afgesplitste aanvrage worden ingediend binnen twee maanden na de ingevolge artikel 48, eerste lid, op de omgezette aanvrage vermelde datum onderscheidenlijk binnen twee maanden na indiening van de afgesplitste aanvrage.
-
-
6.De in artikel 31 bedoelde inschrijving in het octrooiregister vindt niet eerder plaats dan nadat is vastgesteld dat aan de in het vierde lid bedoelde voorschriften is voldaan of de gebreken zijn hersteld.
Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende Europese octrooien
Artikel 49
-
-
1.Met inachtneming van het in deze rijkswet bepaalde hebben Europese octrooien vanaf de dag, waarop overeenkomstig artikel 97, derde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening is gepubliceerd, dezelfde rechtsgevolgen en zijn zij aan hetzelfde recht onderworpen als de overeenkomstig artikel 36 van deze rijkswet verleende octrooien.
-
-
2.Een Europees octrooi blijft, behoudens eerder verval of vernietiging door de rechter, van kracht tot het verstrijken van een termijn van twintig jaren, te rekenen vanaf de datum van indiening, die de Europese octrooiaanvrage, die tot het betrokken Europees octrooi heeft geleid, ingevolge artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61 of 76 van dat verdrag bezit.
-
-
3.Voor de toepassing van de artikelen 55, eerste lid, 57, vierde lid, en 77, eerste lid, op Europese octrooien geldt als dag van indiening: de datum van indiening die de Europese octrooiaanvrage, die tot het betrokken Europees octrooi heeft geleid, ingevolge artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61 of 76 van dat verdrag bezit.
Artikel 50
-
-
1.Een Europees octrooi wordt geacht van de aanvang af geheel of gedeeltelijk niet de in de artikelen 53, 53a, 72 en 73 bedoelde rechtsgevolgen te hebben gehad naar gelang het octrooi geheel of gedeeltelijk is herroepen of beperkt.
-
-
2.De terugwerkende kracht van de herroeping heeft geen invloed op:
- o
-
a. een beslissing, niet zijnde een voorlopige voorziening, ter zake van handelingen in strijd met het in de artikelen 53 en 53a bedoelde uitsluitend recht van de octrooihouder of van handelingen als bedoeld in de artikelen 72 en 73, die voor de herroeping in kracht van gewijsde is gegaan en ten uitvoer is gelegd;
- o
-
b. een voor de herroeping gesloten overeenkomst, voor zover deze voor de herroeping is uitgevoerd; uit billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen, en wel in de mate als door de omstandigheden gerechtvaardigd is.
-
-
3.Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt onder het sluiten van een overeenkomst mede verstaan het ontstaan van een licentie op een andere in de artikelen 56, tweede lid, 59 of 60 aangegeven wijze.
Artikel 51
-
-
1.Het bureau doet van de overeenkomstig artikel 97, derde lid, van het Europees Octrooiverdrag bedoelde publikatie van de vermelding dat een Europees octrooi is verleend onverwijld aantekening in het octrooiregister.
-
-
2.Het bureau doet in het octrooiregister onverwijld aantekening van het instellen van een oppositieprocedure, een beperkingsprocedure of een herroepingsprocedure met betrekking tot een Europees octrooi, met vermelding van de datum waarop dit geschiedde en van beslissingen van het Europees Octrooibureau ter zake van deze procedures.
Artikel 52
-
-
1.Degene aan wie een Europees octrooi is verleend, doet het bureau, indien het octrooi is verleend in een andere taal dan het Engels, binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen termijn een vertaling in het Nederlands of in het Engels toekomen van de tekst waarin het Europees Octrooibureau besluit dat octrooi te verlenen. Daarnaast doet degene aan wie een Europees octrooi is verleend het bureau binnen een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen termijn een vertaling in het Nederlands toekomen van de conclusies van het verleende octrooi. Bij indiening van de vertaling wordt een bedrag betaald, waarvan de hoogte en de termijn waarbinnen betaling geschiedt, bij algemene maatregel van rijksbestuur worden bepaald.
-
-
2.De in het eerste lid bedoelde vertalingen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften. Indien bij ontvangst binnen de in het eerste lid bedoelde termijn niet is voldaan aan een vormvoorschrift, geeft het bureau hiervan onverwijld kennis aan de octrooihouder onder opgave van het voorschrift waaraan niet is voldaan en van de termijn waarbinnen het geconstateerde gebrek kan worden opgeheven.
-
-
3.Onverwijld na ontvangst in behoorlijke vorm van de in het eerste lid bedoelde vertalingen doet het bureau daarvan aantekening in het octrooiregister.
-
-
4.Het Europees octrooi wordt geacht van de aanvang af niet de in artikel 49 bedoelde rechtsgevolgen te hebben gehad, indien:
- o
-
a. binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen de in het eerste lid bedoelde vertalingen niet door het bureau zijn ontvangen onderscheidenlijk het krachtens dat lid verschuldigde bedrag niet is betaald, of
- o
-
b. binnen de in het tweede lid bedoelde termijn niet alsnog aan de opgegeven voorschriften is voldaan.
-
-
5.Indien zich een omstandigheid als bedoeld in het vierde lid voordoet, doet het bureau daarvan onverwijld aantekening in het octrooiregister.
-
-
6.Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien in het Europees octrooi tijdens de oppositieprocedure of beperkingsprocedure wijziging is gekomen.
-
-
7.De octrooihouder kan te allen tijde het bureau een verbeterde vertaling doen toekomen onder betaling van een bedrag, waarvan de hoogte bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt bepaald. Het eerste lid, tweede volzin, het tweede en het derde lid zijn van toepassing.
-
-
8.Vanaf het tijdstip, waarop de in artikel 51, eerste lid, bedoelde aantekening in het octrooiregister is gedaan, kan een ieder kosteloos kennisnemen van alle op het Europees octrooi betrekking hebbende stukken die het bureau hebben bereikt of die het bureau aan de houder van het Europees octrooi of aan derden heeft doen uitgaan in het kader van de bepalingen van deze rijkswet. Het bureau maakt van al deze stukken zo spoedig mogelijk doch niet voor het in de eerste volzin bedoelde tijdstip melding in het in artikel 20 bedoelde blad.
-
-
9.Indien in de vertaling, bedoeld in het eerste of zevende lid, de beschermingomvang van de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi beperkter is dan de bescherming die wordt geboden door die aanvrage of door dat octrooi in de procestaal, geldt die vertaling als authentieke tekst, behalve in geval van toepassing van artikel 75.
-
-
10.Indien een houder van een Europees octrooi een vermeende inbreukpleger schriftelijk op de hoogte stelt van de inbreuk op zijn octrooi, maakt de houder van dat octrooi op verzoek van een vermeende inbreukpleger een vertaling in het Nederlands van de tekst van het octrooi en verstrekt deze tekst aan de verzoeker.
-
-
11.De kosten van de vertalingen worden gedragen door de houder van een octrooi.
Hoofdstuk 4. Rechtsgevolgen van het octrooi
§ 1. Rechten en verplichtingen van de octrooihouder
Artikel 53
-
-
1. Een octrooi geeft de octrooihouder, behoudens de bepalingen van de artikelen 54 tot en met 60, het uitsluitend recht:
- o
-
a. het geoctrooieerde voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te vervaardigen, te gebruiken, in het verkeer te brengen of verder te verkopen, te verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen, dan wel voor een of ander aan te bieden, in te voeren of in voorraad te hebben;
- o
-
b. de geoctrooieerde werkwijze in of voor zijn bedrijf toe te passen of het voortbrengsel, dat rechtstreeks verkregen is door toepassing van die werkwijze, in of voor zijn bedrijf te gebruiken, in het verkeer te brengen of verder te verkopen, te verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen, dan wel voor een of ander aan te bieden, in te voeren of in voorraad te hebben.
-
-
2. Het uitsluitend recht wordt bepaald door de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies.
-
-
3. Het uitsluitend recht strekt zich niet uit over handelingen, uitsluitend dienende tot onderzoek van het geoctrooieerde, daaronder begrepen het door toepassing van de geoctrooieerde werkwijze rechtstreeks verkregen voortbrengsel.
-
-
4. Het uitvoeren van de noodzakelijke studies, tests en proeven met het oog op de toepassing van artikel 10, eerste tot en met vierde lid, van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 311) of artikel 13, eerste tot en met het vijfde lid van Richtlijn 2001/82/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311) en de daaruit voortvloeiende praktische vereisten worden niet beschouwd als een inbreuk op octrooien met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik, respectievelijk geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.
-
-
5. Is een voortbrengsel als in het eerste lid, onder a of b, bedoeld, in Nederland of de Nederlandse Antillen of, indien het een Europees octrooi betreft, in Nederland rechtmatig in het verkeer gebracht, dan wel door de octrooihouder of met diens toestemming in één der Lid‐Staten van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer gebracht, dan handelt de verkrijger of latere houder niet in strijd met het octrooi, door dit voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te gebruiken, te verkopen, te verhuren, af te leveren of anderszins te verhandelen, dan wel voor een of ander aan te bieden, in te voeren of in voorraad te hebben.
-
-
6. Een voortbrengsel als in het eerste lid, onder a of b, bedoeld, dat voor de verlening van het octrooi, of, indien het een Europees octrooi betreft, voor de dag, waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, in een bedrijf is vervaardigd, mag niettegenstaande het octrooi ten dienste van dat bedrijf worden gebruikt.
Artikel 53a
-
-
1.Ten aanzien van een octrooi voor biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft verkregen, strekt het uitsluitend recht zich uit tot ieder biologisch materiaal dat hieruit door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm wordt gewonnen en dat diezelfde eigenschappen heeft.
-
-
2.Ten aanzien van een octrooi voor een werkwijze voor de voortbrenging van biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft gekregen, strekt het uitsluitend recht zich uit tot het biologisch materiaal dat rechtstreeks door deze werkwijze wordt gewonnen en tot ieder ander biologisch materiaal dat door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm uit het rechtstreeks gewonnen biologisch materiaal wordt gewonnen en dat diezelfde eigenschappen heeft.
-
-
3.Ten aanzien van een octrooi voor een voortbrengsel dat uit genetische informatie bestaat of dat zulke informatie bevat, strekt het uitsluitend recht zich uit tot ieder materiaal waarin dit voortbrengsel wordt verwerkt en waarin de genetische informatie wordt opgenomen en haar functie uitoefent, onverminderd artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 53b
Het uitsluitend recht strekt zich niet uit tot biologisch materiaal dat wordt gewonnen door propagatie of door vermeerdering van biologisch materiaal dat in Nederland of de Nederlandse Antillen rechtmatig in het verkeer is gebracht, dan wel door de octrooihouder of met diens toestemming in één van de lid‐staten van de Europese Gemeenschap of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer is gebracht, indien de propagatie of vermeerdering noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het gebruik waarvoor het biologisch materiaal in het verkeer is gebracht, mits het afgeleide materiaal vervolgens niet voor andere propagaties of vermeerderingen wordt gebruikt.
Artikel 53c
-
-
1.In afwijking van de artikelen 53 en 53a houdt de verkoop of een andere vorm van in het verkeer brengen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van plantaardig propagatiemateriaal aan een landbouwer voor agrarische exploitatiedoeleinden voor de laatste het recht in om de voortbrengselen van zijn oogst voor verdere propagatie of vermeerdering door hemzelf op zijn eigen bedrijf te gebruiken met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227).
-
-
2.In afwijking van de artikelen 53 en 53a houdt de verkoop of een andere vorm van in het verkeer brengen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van fokvee of dierlijk propagatiemateriaal aan een landbouwer voor de laatste het recht in om het door een octrooi beschermde vee voor agrarische doeleinden te gebruiken.
-
-
3.Onder gebruik voor agrarische doeleinden, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval verstaan het beschikbaar stellen van het dier of van dierlijk propagatiemateriaal voor het gebruik in het agrarisch bedrijf van de landbouwer, maar niet de verkoop in het kader van of met het oog op de commerciële fokkerij.
-
-
4.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, nadere regels worden gesteld ten aanzien van het recht, bedoeld in het tweede of derde lid.
Artikel 54
Het uitsluitend recht van de octrooihouder strekt zich niet uit tot:
-
-
a. het gebruik aan boord van schepen van andere landen van datgene, wat het voorwerp van zijn octrooi uitmaakt, in het schip zelf, in de machines, het scheepswant, de tuigage en andere bijbehorende zaken, wanneer die schepen tijdelijk of bij toeval in de wateren van Nederland of de Nederlandse Antillen verblijven, mits bedoeld gebruik uitsluitend zal zijn ten behoeve van het schip;
-
-
b. het gebruik van datgene, wat het voorwerp van zijn octrooi uitmaakt, in de constructie of werking van voor de voortbeweging in de lucht of te land dienende machines van andere landen, of van het toebehoren van die machines, wanneer deze tijdelijk of bij toeval in Nederland of de Nederlandse Antillen verblijven;
-
-
c. handelingen, vermeld in artikel 27 van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165), mits deze handelingen betrekking hebben op een luchtvaartuig van een onder c van dat artikel bedoelde andere staat dan het Koninkrijk of van Aruba.
Artikel 55
-
-
1.Degene, die datgene waarvoor door een ander een octrooi is gevraagd, in Nederland of de Nederlandse Antillen reeds in of voor zijn bedrijf vervaardigde of toepaste of aan zijn voornemen tot zodanige vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering had gegeven op de dag van indiening van die aanvrage of, indien de aanvrager een recht van voorrang geniet ingevolge artikel 9, eerste lid, dan wel ingevolge artikel 87 van het Europees Octrooiverdrag, op de dag van indiening van de aanvrage, waarop het recht van voorrang berust, blijft niettegenstaande het octrooi, als voorgebruiker bevoegd de in artikel 53, eerste lid, bedoelde handelingen te verrichten, tenzij hij zijn wetenschap ontleend heeft aan hetgeen reeds door de octrooiaanvrager vervaardigd of toegepast werd, of wel aan beschrijvingen, tekeningen of modellen van de octrooiaanvrager.
-
-
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van dat deel van het aan Nederland of de Nederlandse Antillen grenzende continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, doch uitsluitend voor zover het handelingen betreft, gericht op en verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen daarvan.
-
-
3.Degene, die te goeder trouw datgene waarvoor aan een ander een Europees octrooi is verleend, reeds in of voor zijn bedrijf vervaardigde of toepaste of aan zijn voornemen tot zodanige vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering had gegeven voor de datum waarop van een verbeterde vertaling als bedoeld in artikel 52, zevende lid, aantekening is gedaan in het octrooiregister, blijft niettegenstaande het octrooi bevoegd de in artikel 53, eerste lid, bedoelde handelingen te verrichten, voor zover deze handelingen geen inbreuk maken op het uitsluitend recht van de octrooihouder, welk recht in dit geval bepaald wordt door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift en de voor de uitleg daarvan bedoelde beschrijving en tekeningen in de eerdere, gebrekkige vertaling in het Nederlands.
-
-
4.De in het eerste en het derde lid bedoelde bevoegdheden gaan alleen met het bedrijf op anderen over.
Artikel 56
-
-
1.Door een licentie wordt van de octrooihouder de bevoegdheid verkregen handelingen te verrichten, die volgens artikel 53 aan anderen dan hem niet vrijstaan. Die bevoegdheid strekt zich uit tot alle in bedoeld artikel vermelde handelingen en geldt voor de gehele duur van het octrooi, tenzij bij de verlening der licentie een minder omvangrijk recht is toegekend.
-
-
2.Een licentie ontstaat door een overeenkomst, door een aanvaarde uiterste wilsbeschikking of, overeenkomstig de artikelen 57 en 58, door een beschikking van Onze Minister of door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. De door een overeenkomst of aanvaarde wilsbeschikking ontstane licentie is tegenover derden geldig, nadat de titel in het octrooiregister is ingeschreven. Voor de inschrijving is een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag verschuldigd.
-
-
3.Indien het recht op een vergoeding voor een licentie ingevolge artikel 75, achtste lid, of artikel 78, vierde lid, op een ander overgaat, wordt door de nieuwe rechthebbende aanspraak verkregen op een deel van de in het geheel voor de licentie betaalde en te betalen vergoeding in verhouding tot de tijd, gedurende welke de licentie in normale omstandigheden nog van kracht moet blijven. Is hetgeen de licentiehouder nog moet betalen niet voldoende om de nieuwe rechthebbende te verschaffen wat hem toekomt, dan heeft deze voor het ontbrekende verhaal op de vroegere.
Artikel 57
-
-
1.Onze Minister kan, indien het algemeen belang dit naar zijn oordeel vordert, onder een octrooi een licentie van een door hem nauwkeurig omschreven inhoud aan een door hem aangewezen persoon verlenen. Alvorens zijn beschikking te geven onderzoekt Onze Minister, tenzij de te dezen vereiste spoed zich daartegen verzet, of de octrooihouder bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden vrijwillig te verlenen. Hij stelt daartoe de octrooihouder in de gelegenheid schriftelijk en, zo deze dit verzoekt, ook mondeling van zijn gevoelen te doen blijken. De beschikking wordt aan de octrooihouder en aan de verkrijger van de licentie bekendgemaakt. Bij zijn beschikking kan Onze Minister de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Het instellen van bezwaar en beroep heeft schorsende werking, tenzij de beschikking van Onze Minister op grond van de te dezen vereiste spoed anders bepaalt.
-
-
2.Indien noch de octrooihouder, noch een ander krachtens een hem verleende licentie na verloop van drie jaren na dagtekening van het octrooi in het Koninkrijk of in een andere, bij algemene maatregel van rijksbestuur aangewezen staat in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate het betrokken voortbrengsel wordt vervaardigd of de betrokken werkwijze wordt toegepast, is de octrooihouder verplicht de voor het in werking hebben van zodanige inrichting nodige licentie te verlenen, tenzij geldige redenen voor het ontbreken van zodanige inrichting blijken te bestaan. Voor de houder van een Europees octrooi ontstaat deze verplichting, indien niet na verloop van drie jaren na de dag, waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, een inrichting van nijverheid als hiervoor bedoeld in werking is in Nederland of in de Nederlandse Antillen of in een andere, bij algemene maatregel van rijksbestuur aangewezen staat.
-
-
3.Het tweede lid is niet van toepassing, indien de octrooihouder of een ander krachtens een hem verleende licentie in dat deel van het aan Nederland of de Nederlandse Antillen grenzende continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, in werking heeft een inrichting van nijverheid, waarin te goeder trouw in voldoende mate handelingen als in dat lid bedoeld worden verricht, mits die handelingen zijn gericht op en worden verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen daarvan.
-
-
4.De octrooihouder is te allen tijde verplicht de licentie te verlenen welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een octrooi, verleend op een aanvrage met een gelijke of latere dag van indiening of, indien voor de aanvrage een recht van voorrang bestaat, gelijke of latere voorrangsdatum, voor zover in het octrooi ten behoeve waarvan de licentie is gevraagd, een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijke economische betekenis is belichaamd; de octrooihouder is evenwel tot verlening van een licentie welke nodig mocht zijn voor de toepassing van een Europees octrooi eerst verplicht nadat de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi gestelde termijn is verstreken of een ingestelde oppositieprocedure is afgesloten. Een zodanige licentie strekt zich niet verder uit dan noodzakelijk is voor de toepassing van het octrooi van de verkrijger. Deze is verplicht aan de houder van het andere octrooi wederkerig licentie onder zijn octrooi te verlenen.
-
-
5.De octrooihouder verleent aan een kweker een licentie tegen een redelijke vergoeding, indien de kweker een kwekersrecht op een plantenras niet kan verkrijgen of exploiteren zonder inbreuk te maken op het octrooi van eerdere datum en de licentie noodzakelijk is voor de exploitatie van het te beschermen plantenras, dat een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van de door het octrooi beschermde uitvinding.
-
-
6.Indien aan een octrooihouder een licentie is verleend op grond van artikel 42, tweede lid, van de Zaaizaad‐ en Plantgoedwet, verleent de octrooihouder aan de houder van het kwekersrecht op diens verzoek onder redelijke voorwaarden een wederkerige licentie om de beschermde uitvinding te gebruiken.
Artikel 57a
In afwijking van artikel 57 kan een gedwongen licentie onder een octrooi op het gebied van de halfgeleiderstechnologie alleen worden verleend voor niet‐commercieel gebruik door de overheid of voor het tegengaan van een gedraging waarvan na een rechterlijke of administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrentiebeperkend is.
Artikel 58
-
-
1.Indien de licentie, bedoeld in artikel 57, tweede, vierde, vijfde of zesde lid, ten onrechte niet is verleend, wordt de licentie op vordering van de belanghebbende door de rechter verleend. Op verzoek van eiser wordt de dagvaarding door het bureau in het octrooiregister ingeschreven.
-
-
2.Indien het octrooi op grond van deze rijkswet is verleend, is de eiser in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij niet bij dagvaarding als bijlage daarbij het resultaat van een door het bureau of het in het Europees Octrooiverdrag bedoelde Europees Octrooibureau ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is gevorderd, overlegt.
-
-
3.De verlening van een op grond van artikel 57, vierde lid, eerste volzin, gevorderde licentie kan met of zonder tijdsbepaling worden geschorst, indien binnen twee maanden na de betekening van de dagvaarding waarin de licentie is gevorderd, een vordering tot vernietiging van het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is gevorderd, is ingesteld.
-
-
4.De rechter kan bij de omschrijving van de verleende licentie afwijken van hetgeen gevraagd is en kan voorts de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen. Een op grond van artikel 57, vierde lid, eerste volzin, verleende licentie zal slechts kunnen worden overgedragen tezamen met het octrooi van de licentiehouder. Een op grond van artikel 57, vierde lid, eerste of derde volzin, verleende licentie vervalt niet doordat het octrooi, ten behoeve waarvan de licentie is verleend, als gevolg van het verstrijken van de in artikel 36, zesde lid, bedoelde termijn is geëindigd of met goed gevolg is opgeëist, doch vervalt wel voor zover het octrooi geheel of gedeeltelijk is vernietigd als resultaat van de in het derde lid bedoelde vordering.
-
-
5.Een besluit als bedoeld in artikel 57, eerste lid, of een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak wordt door het bureau in het octrooiregister ingeschreven. Is het stellen van zekerheid opgelegd, dan heeft de inschrijving niet plaats, voordat aan die verplichting is voldaan. Voor de inschrijving is een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag verschuldigd. De licentie werkt eerst na die inschrijving, maar dan ook tegenover hen, die na de inschrijving van de in het eerste lid bedoelde dagvaarding rechten op het octrooi hebben verkregen. Een ingeschreven licentie, die op grond van artikel 57, vierde lid, is verleend, werkt echter terug tot en met de dag waarop de dagvaarding is ingeschreven.
-
-
6.Op vordering van de meest gerede partij bepaalt de rechter bij gebreke van overeenstemming de vergoeding, die de verkrijger van de licentie aan de octrooihouder dient te betalen. De rechter kan daarbij de verkrijger van de licentie het stellen van zekerheid binnen een bepaalde termijn opleggen, dan wel de op grond van artikel 57, eerste lid, of het vijfde lid van dit artikel bepaalde zekerheid bevestigen of wijzigen.
Artikel 58a
-
-
1.Een op grond van artikel 57 verleende licentie is niet uitsluitend.
-
-
2.Een op grond van artikel 57 verleende licentie kan niet worden overgedragen dan tezamen met het gedeelte van de onderneming of de goodwill van het gedeelte van de onderneming, waarin de licentie wordt uitgeoefend.
-
-
3.Een op grond van artikel 57 verleende licentie kan worden ingetrokken wanneer, rekening houdend met een redelijke bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de licentiehouder, de omstandigheden welke hebben geleid tot de verlening van de licentie ophouden te bestaan en het onwaarschijnlijk is dat zij herleven. De instantie welke de licentie heeft verleend onderzoekt op gemotiveerd verzoek het voortduren van bovengenoemde omstandigheden.
Artikel 59
-
-
1.Bij koninklijk besluit kan, indien het belang van de verdediging van het Koninkrijk dit vordert, op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister en van Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat, worden bepaald, dat de Staat bevoegd is in dat besluit nauwkeurig te omschrijven handelingen, waartoe de houder van een in dat besluit aan te wijzen octrooi ingevolge de artikelen 53 en 53a uitsluitend gerechtigd is, zelf te verrichten of door anderen te doen verrichten. Deze bevoegdheid geldt voor de gehele duur van het octrooi, tenzij in het besluit een kortere duur is bepaald.
-
-
2.Na het van kracht worden van een besluit als bedoeld in het eerste lid zal Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat, zich met de octrooihouder verstaan omtrent de door de Staat aan deze te betalen vergoeding. Indien Onze minister, wie het rechtstreeks aangaat, hierover niet binnen zes maanden na het van kracht worden van het desbetreffende besluit met de octrooihouder tot overeenstemming is gekomen, is artikel 58, zesde lid, met uitzondering van het omtrent het stellen van zekerheid bepaalde, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
-
-
1.Onverminderd artikel 56, tweede lid, eerste volzin, ontstaat een licentie door:
- o
-
a. een uitspraak van de Arbitrage‐Commissie, bedoeld in artikel 20 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) (Trb. 1957, 92);
- o
-
b. een besluit van Onze Minister ter uitvoering van artikel 21 van genoemd verdrag.
-
-
2.Ten aanzien van een licentie, ontstaan door een eindbeslissing als bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 56, tweede lid, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing.
-
-
3.Ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, is artikel 58, eerste, vierde en vijfde lid, eerste, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van een door zodanig besluit ontstane licentie is artikel 58, vijfde lid, vierde volzin, en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
-
-
4.Een licentie als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de Nederlandse Antillen.
§ 2. Jaartaks en afstand
Artikel 61
-
-
1.Voor de instandhouding van een octrooi moet elk jaar, voor het eerst voor de aanvang van het vierde jaar na de in artikel 29, eerste lid, bedoelde datum van indiening, op de laatste dag van de maand waarin de aanvrage die tot octrooi heeft geleid is ingediend, of ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt aangemerkt te zijn ingediend, aan het bureau een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag worden betaald.
-
-
2.Voor de instandhouding van een Europees octrooi moet elk jaar, voor het eerst na afloop van het in artikel 86, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag bedoelde jaar doch niet eerder dan voor de aanvang van het vierde jaar na de in artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag bedoelde datum van indiening, aan het bureau een bedrag als in het eerste lid bedoeld worden betaald en wel op de laatste dag van de maand waarin de datum van indiening valt, die de Europese octrooiaanvrage, die tot het octrooi heeft geleid, ingevolge artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag met inachtneming van de artikelen 61 of 76 van dat verdrag, bezit. Indien het voor de eerste maal verschuldigde bedrag zou moeten worden betaald binnen een termijn van twee maanden na de dag waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd, kan dit bedrag nog worden betaald op de laatste dag van de maand waarin deze termijn eindigt.
-
-
3.Bij betaling na de vervaldag zijn bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen verhogingen verschuldigd.
Artikel 62
Een octrooi vervalt van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag zijn betaald. Van dit vervallen wordt in het octrooiregister van het bureau aantekening gedaan.
Artikel 63
-
-
1.Een octrooihouder kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van zijn octrooi. De afstand heeft terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 75, vijfde tot en met zevende lid.
-
-
2.De afstand geschiedt door de inschrijving van een daartoe strekkende akte in het octrooiregister. Het bureau schrijft de akte niet in zolang er personen zijn, die krachtens in het octrooiregister ingeschreven stukken rechten op het octrooi of licenties hebben verkregen of rechtsvorderingen, het octrooi betreffende, hebben ingesteld en deze personen tot de afstand geen toestemming hebben verleend.
§ 3. Het octrooi als deel van het vermogen
Artikel 64
-
-
1.Het octrooi en de aanspraak op octrooi zijn zowel voor wat betreft het volle recht als voor wat betreft een aandeel daarin vatbaar voor overdracht of andere overgang.
-
-
2.De overdracht en andere overgang van het octrooi of van het recht, voortvloeiende uit de octrooiaanvrage, kunnen door het bureau worden ingeschreven in het octrooiregister. Voor de inschrijving is een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen bedrag verschuldigd.
Artikel 65
-
-
1.De levering, vereist voor de overdracht van het octrooi of het recht, voortvloeiende uit een octrooiaanvrage, geschiedt bij een akte, houdende de verklaring van de rechthebbende, dat hij het octrooi of het recht, voortvloeiende uit de octrooiaanvrage, aan de verkrijger overdraagt, en van deze, dat hij deze overdracht aanneemt.
-
-
2.Elk voorbehoud, de overdracht betreffende, moet in de akte omschreven zijn; bij gebreke daarvan geldt de overdracht voor onbeperkt.
-
-
3.De overdracht werkt tegenover derden eerst wanneer de akte in het octrooiregister is ingeschreven. Tot het doen verrichten van deze inschrijving zijn beide partijen gelijkelijk bevoegd.
-
-
4.Artikel 88 van Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
Artikel 66
-
-
1.Indien het octrooi aan verscheidene personen gezamenlijk toekomt, wordt hun onderlinge verhouding beheerst door hetgeen tussen hen bij overeenkomst is bepaald.
-
-
2.Indien er geen overeenkomst is of indien in de overeenkomst niet anders is bepaald, heeft iedere rechthebbende de bevoegdheid de in artikel 53 genoemde handelingen te verrichten en tegen zulke handelingen alsmede handelingen als bedoeld in artikel 73, eerste en tweede lid, die onbevoegdelijk zijn verricht, ingevolge de artikelen 70 tot en met 73 op te treden, doch kan een licentie of toestemming als bedoeld in artikel 73, tweede lid, door de rechthebbenden slechts met gemeen goedvinden verleend worden.
-
-
3.Voor de betaling van de in artikel 61 genoemde bedragen zijn de rechthebbenden hoofdelijk verbonden.
Artikel 67
-
-
1.Pandrecht op een octrooi wordt gevestigd bij een akte en werkt tegenover derden eerst wanneer de akte door het bureau in het octrooiregister is ingeschreven.
-
-
2.De pandhouder is verplicht in een door hem ondertekende verklaring, bij het bureau ter inschrijving in te zenden, woonplaats te kiezen te ’s‐Gravenhage. Indien die keuze niet is gedaan, geldt het bureau als gekozen woonplaats.
-
-
3.Bedingen in de pandakte betreffende na inschrijving te verlenen licenties gelden van het ogenblik af, dat zij in het octrooiregister zijn aangetekend, ook tegenover derden. Bedingen betreffende vergoedingen voor licenties die op het ogenblik van de inschrijving reeds waren verleend, gelden tegenover de houder van de licentie na aanzegging aan deze bij deurwaardersexploit.
-
-
4.Akten, waaruit blijkt, dat het pandrecht heeft opgehouden te bestaan of krachteloos is geworden, worden door het bureau in het octrooiregister ingeschreven.
Artikel 68
-
-
1.Het beslag op een octrooi wordt gelegd en het proces‐verbaal van inbeslagneming wordt door het bureau in het octrooiregister ingeschreven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende executoriaal en conservatoir beslag op onroerende zaken, met dien verstande dat in het proces‐verbaal van inbeslagneming in plaats van de aard en de ligging van de onroerende zaak een aanduiding van het octrooi wordt opgenomen.
-
-
2.Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verlening van een licentie, totstandgekomen na de inschrijving van het proces‐verbaal, kan tegen de beslaglegger niet worden ingeroepen.
-
-
3.De voor de inschrijving van het proces‐verbaal nog niet betaalde licentievergoedingen vallen mede onder een op het octrooi gelegd beslag, nadat het ingeschreven beslag aan de houder van de licentie is betekend. Deze vergoedingen moeten worden betaald aan de notaris voor wie de executie zal plaatsvinden, mits dit bij de betekening uitdrukkelijk aan de licentiehouder is medegedeeld, en behoudens de rechten van derden die de executant moet eerbiedigen. Hetgeen aan de notaris wordt betaald, wordt tot de in artikel 69, tweede lid, bedoelde opbrengst gerekend. De artikelen 475i, 476 en 478 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-
-
4.De inschrijving van het proces‐verbaal van inbeslagneming kan worden doorgehaald:
- o
-
a. krachtens een schriftelijke, ter inschrijving aangeboden verklaring van de deurwaarder dat hij in opdracht van de beslaglegger het beslag opheft of dat het beslag is vervallen;
- o
-
b. krachtens een ter inschrijving aangeboden rechterlijke uitspraak die tot opheffing van het beslag strekt of het verval van het beslag vaststelt of meebrengt.
-
-
5.De artikelen 504a, 507a, 538 tot en met 540, 726, tweede lid, en 727 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in geval van beslag op een octrooi van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
-
-
1.De verkoop van een octrooi door een pandhouder of een beslaglegger tot verhaal van een vordering geschiedt in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris. De artikelen 508, 509, 513, eerste lid, 514, tweede en derde lid, 515 tot en met 519 en 521 tot en met 529 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daar ten aanzien van hypotheken en hypotheekhouders is voorgeschreven geldt voor de op het octrooi rustende pandrechten en de pandhouders.
-
-
2.De verdeling van de opbrengst geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 551 tot en met 552 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
§ 4. Handhaving van het octrooi
Artikel 70
-
-
1.De octrooihouder kan zijn octrooi handhaven jegens een ieder die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een der in artikel 53, eerste lid, genoemde handelingen verricht.
-
-
2.De houder van een octrooi verleend op grond van deze rijkswet is in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij niet bij dagvaarding dan wel bij conclusie van eis in reconventie als bijlage daarbij en in kort geding op de terechtzitting het resultaat van een door het bureau of het in het Europees Octrooiverdrag bedoelde Europees Octrooibureau ingesteld onderzoek naar de stand van de techniek met betrekking tot het onderwerp van het octrooi overlegt.
-
-
3.De rechter kan de houder van een octrooi verzoeken om een vertaling in het Nederlands van het octrooi en een tijdstip vaststellen wanneer deze vertaling moet zijn overgelegd. De houder van een octrooi is in zijn rechtsvordering niet ontvankelijk als hij op dit tijdstip de vertaling niet heeft overgelegd.
-
-
4.Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van hem, die wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat zijn handelingen inbreuk maken.
-
-
5.Naast schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de rechter evenwel van oordeel is, dat de omstandigheden van het geval tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven, zal hij de gedaagde tot schadevergoeding kunnen veroordelen. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.
-
-
6.De octrooihouder kan de vorderingen tot schadevergoeding of het afdragen van winst ook namens of mede namens licentienemers of pandhouders instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatsten in een al of niet namens hen of mede namens hen door de octrooihouder aldus ingestelde vordering tussen te komen om rechtstreeks de door hen geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. Licentienemers en pandhouders kunnen slechts een zelfstandige vordering als bedoeld in het derde en vierde lid instellen, als zij de bevoegdheid daartoe van de octrooihouder hebben bedongen.
-
-
7.De octrooihouder heeft de bevoegdheid roerende zaken waarmee een inbreuk op zijn recht wordt gemaakt als zijn eigendom op te vorderen dan wel de bevoegdheid onttrekking aan het verkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking te vorderen van die zaken, en onttrekking aan het verkeer te vorderen van materialen en werktuigen die voornamelijk zijn gebruikt bij de voortbrenging van die zaken. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor. Een vordering als bedoeld in de eerste volzin wordt op kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten. Bij de beoordeling van de vordering dient een afweging te worden gemaakt tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen alsmede de belangen van derden.
-
-
8.Indien een rechtsvordering wordt ingesteld tot handhaving van een octrooi voor een werkwijze tot vervaardiging van een nieuw voortbrengsel, dan wordt vermoed, dat het betrokken voortbrengsel volgens de geoctrooieerde werkwijze is vervaardigd, tenzij door de gedaagde het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de vraag of een voortbrengsel nieuw is, blijft de inhoud van in artikel 4, derde en vierde lid, bedoelde octrooiaanvragen buiten beschouwing.
-
-
9.De octrooihouder heeft de bevoegdheid een bevel te vorderen tot staking van diensten van tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op zijn recht te maken.
-
-
10.De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat degene die inbreuk op zijn recht heeft gemaakt wordt bevolen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de zaken waarmee die inbreuk is gepleegd, aan hem mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens te verstrekken.
-
-
11.De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat bij tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk aan deze voortzetting de voorwaarde wordt verbonden dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door hem geleden schade. De octrooihouder komt die bevoegdheid eveneens toe bij voortzetting van de dienstverlening door een tussenpersoon als bedoeld in het achtste lid.
-
-
12.De octrooihouder heeft de bevoegdheid te vorderen dat de gedaagde wordt gelast op diens kosten passende maatregelen tot verspreiding van informatie over de uitspraak te treffen.
Artikel 71
-
-
1.Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan de octrooihouder een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in het tijdvak, gelegen tussen de inschrijving van de aanvrage die tot octrooi heeft geleid in het octrooiregister en de verlening van octrooi op die aanvrage of een daaruit ingevolge artikel 28 afgesplitste aanvrage, handelingen heeft verricht als vermeld in artikel 53, eerste lid, voor zover de octrooihouder daarvoor uitsluitende rechten heeft verkregen.
-
-
2.Behoudens het bepaalde in het vierde lid kan de octrooihouder eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem, die na de in het eerste lid bedoelde verlening van het octrooi handelingen als in dat lid bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het aldaar genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder kan een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na de verlening van het octrooi ten dienste van zijn bedrijf voortbrengselen als bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a of b, dan wel in artikel 53a heeft gebruikt die in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn vervaardigd.
-
-
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen die zijn verricht na verloop van dertig dagen nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig is aangegeven welk gedeelte van de octrooiaanvrage op die handelingen betrekking heeft, is gewezen op het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht.
-
-
4.Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht strekt zich niet uit over handelingen, verricht door een daartoe krachtens artikel 55 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede handelingen met voortbrengselen, die hetzij voor de inschrijving in het octrooiregister van de betrokken octrooiaanvrage in het verkeer zijn gebracht, hetzij nadien door de aanvrager om octrooi of een gerechtigde als hiervoor bedoeld.
Artikel 72
-
-
1.De houder van een Europees octrooi kan, behoudens het bepaalde in het vierde lid, een redelijke vergoeding vorderen van hem, die in het tijdvak, gelegen tussen de publikatie overeenkomstig artikel 93 van het Europees Octrooiverdrag van de aanvrage die tot octrooi heeft geleid en de in artikel 97, vierde lid, van dat verdrag bedoelde publikatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi op die aanvrage of op een daaruit ingevolge artikel 76 van dit verdrag afgesplitste aanvrage, handelingen heeft verricht als vermeld in artikel 53, eerste lid, voor zover de octrooihouder daarvoor uitsluitende rechten heeft verkregen en de handelingen worden bestreken door de laatstelijk ingediende gepubliceerde conclusies.
-
-
2.Behoudens het bepaalde in het vierde lid kan de houder van een Europees octrooi eveneens een redelijke vergoeding vorderen van hem, die na de in het eerste lid bedoelde publikatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi handelingen als in dat lid bedoeld heeft verricht met voortbrengselen, die gedurende het aldaar genoemde tijdvak in het verkeer zijn gebracht. De octrooihouder kan een zelfde vergoeding vorderen van hem, die na bedoelde publikatie ten dienste van zijn bedrijf voortbrengselen als bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a of b, dan wel in artikel 53a heeft gebruikt die in het in het eerste lid genoemde tijdvak in zijn bedrijf zijn vervaardigd.
-
-
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde vergoeding is alleen verschuldigd voor handelingen, die zijn verricht na verloop van dertig dagen, nadat de betrokkene bij deurwaardersexploit is gewezen op het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht. Bij dit deurwaardersexploit, waarin nauwkeurig is aangegeven welk gedeelte van de octrooiaanvrage op die handelingen betrekking heeft, moet zijn betekend een vertaling in het Nederlands van de conclusies zoals vervat in de publikatie van de Europese octrooiaanvrage overeenkomstig artikel 93 van het Europees Octrooiverdrag. Indien een Nederlandse vertaling als hiervoor bedoeld reeds voor het uitbrengen van het deurwaardersexploit aan het bureau is toegezonden en daarvan aantekening gedaan is in het octrooiregister, kan de betekening van de vertaling achterwege blijven, mits in het exploit melding wordt gemaakt van de aantekening in het octrooiregister.
-
-
4.Het krachtens dit artikel aan de octrooihouder toekomende recht strekt zich niet uit over handelingen, verricht door een daartoe krachtens artikel 55 of krachtens overeenkomst gerechtigde, alsmede handelingen met voortbrengselen, die hetzij voor de in het eerste lid bedoelde publikatie van de aanvrage overeenkomstig artikel 93 van het Europees Octrooiverdrag in het verkeer zijn gebracht, hetzij nadien door de aanvrager van het octrooi of een gerechtigde als hiervoor bedoeld.
-
-
5.Het bureau gaat zo spoedig mogelijk over tot de in het derde lid bedoelde aantekening in het octrooiregister.
Artikel 73
-
-
1.De octrooihouder kan de vorderingen die hem ten dienste staan bij de handhaving van zijn octrooi instellen tegen iedere persoon, die in Nederland of de Nederlandse Antillen in of voor zijn bedrijf middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding aan anderen dan hen, die krachtens de artikelen 55 tot en met 60 tot toepassing van de geoctrooieerde uitvinding bevoegd zijn, aanbiedt of levert voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding in Nederland of de Nederlandse Antillen, een en ander mits die persoon weet dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is, dat die middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn.
-
-
2.Het eerste lid geldt niet, indien het aanbieden of leveren geschiedt met toestemming van de octrooihouder. Dat lid geldt evenmin, indien de geleverde of aangeboden middelen algemeen in de handel verkrijgbare produkten zijn, tenzij de betrokkene degene aan wie hij levert aanzet tot het verrichten van in artikel 53, eerste lid, vermelde handelingen.
-
-
3.Artikel 70, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74
De rechten en verplichtingen, voortvloeiende uit de artikelen 53 tot en met 60 en 64 tot en met 73, gelden mede in, op en boven dat deel van het aan Nederland of de Nederlandse Antillen grenzende continentaal plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft, doch uitsluitend voor zover het betreft handelingen, gericht op en verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen daarvan.
Hoofdstuk 5. Vernietiging en opeising
Artikel 75
-
-
1.Een octrooi wordt door de rechter vernietigd voor zover:
- o
-
a. hetgeen waarvoor octrooi is verleend ingevolge de artikelen 2 tot en met 7 niet vatbaar is voor octrooi dan wel, indien het een Europees octrooi betreft, het octrooi ingevolge de artikelen 52 tot en met 57 van het Europees Octrooiverdrag niet had behoren te worden verleend;
- o
-
b. het octrooischrift niet een beschrijving bevat van de uitvinding, die, in voorkomend geval met toepassing van artikel 25, tweede en derde lid, zodanig duidelijk en volledig is dat een deskundige deze uitvinding kan toepassen;
- o
-
c. het onderwerp van het octrooi niet wordt gedekt door de inhoud van de ingediende aanvrage of, indien het octrooi is verleend op een afgesplitste of gewijzigde aanvrage dan wel op een nieuwe Europese octrooiaanvrage die is ingediend overeenkomstig artikel 61 van het Europees Octrooiverdrag, door de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage;
- o
-
d. na octrooiverlening uitbreiding van de beschermingsomvang is opgetreden;
- o
-
e. de houder van het octrooi daarop geen aanspraak had hetzij krachtens de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze rijkswet hetzij, indien het een Europees octrooi betreft, krachtens artikel 60, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag.
-
-
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt onder de stand van de techniek, bedoeld in artikel 54, derde lid, van het Europees Octrooiverdrag, mede begrepen de inhoud van uit hoofde van deze rijkswet ingediende octrooiaanvragen, waarvan de dag van indiening voor de datum van indiening van de desbetreffende Europese octrooiaanvrage, die voor de toepassing van dat lid geldt, ligt, en die eerst op of na die datum overeenkomstig artikel 31 zijn ingeschreven.
-
-
3.De rechtsvordering tot vernietiging komt in de in het eerste lid, onder a tot en met d, genoemde gevallen toe aan een ieder en in het eerste lid, onder e, genoemde geval aan degene, die krachtens de in dat onderdeel genoemde bepalingen aanspraak op het octrooi heeft. Indien laatstgenoemde zelf een octrooi voor de desbetreffende uitvinding heeft verkregen, komt de rechtsvordering tot vernietiging ook toe aan licentiehouders en pandhouders.
-
-
4.De dagvaarding moet binnen acht dagen na haar dagtekening in het octrooiregister worden ingeschreven. Bij gebreke van tijdige inschrijving is de eiser verplicht de schade te vergoeden, geleden door hen, die te goeder trouw na die termijn en voor de inschrijving rechten, waarop de vernietiging invloed uitoefent, hebben verkregen.
-
-
5.Een octrooi wordt geacht van de aanvang af geheel of gedeeltelijk niet de in de artikelen 53, 53a, 71, 72 en 73 bedoelde rechtsgevolgen te hebben gehad naar gelang het octrooi geheel of gedeeltelijk is vernietigd.
-
-
6.De terugwerkende kracht van de nietigheid heeft geen invloed op:
- o
-
a. een beslissing, niet zijnde een voorlopige voorziening, ter zake van handelingen in strijd met het in de artikelen 53 en 53a bedoelde uitsluitend recht van de octrooihouder of van handelingen als bedoeld in de artikelen 71, 72 en 73, die voor de vernietiging in kracht van gewijsde is gegaan en ten uitvoer is gelegd;
- o
-
b. een voor de vernietiging gesloten overeenkomst, voor zover deze voor de vernietiging is uitgevoerd; uit billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen in de mate als door de omstandigheden gerechtvaardigd is.
-
-
7.Voor de toepassing van het zesde lid, onder b, wordt onder het sluiten van een overeenkomst mede verstaan het ontstaan van een licentie op een andere in artikel 56, tweede lid, 59 of 60 aangegeven wijze.
-
-
8.Ingeval een octrooi wordt vernietigd op grond van het eerste lid, onder e, en degene, die krachtens de in dat onderdeel genoemde bepalingen aanspraak op het octrooi heeft, zelf een octrooi voor de desbetreffende uitvinding heeft verkregen, worden licenties, die te goeder trouw van het vernietigde octrooi waren verkregen voor de inschrijving van de dagvaarding in het octrooiregister, aangemerkt als licentie van het bestaande octrooi, en verkrijgt de houder daarvan overeenkomstig artikel 56, derde lid, recht op de voor de licenties verschuldigde vergoeding. De houder van het vernietigde octrooi, die bij zijn aanvrage te goeder trouw was of die het octrooi voor de inschrijving van de dagvaarding te goeder trouw van een vroegere houder verkreeg, blijft in dat geval ten aanzien van het bestaande octrooi bevoegd tot toepassing van de uitvinding overeenkomstig artikel 55.
-
-
9.Zodra een eindbeslissing aangaande een vordering tot vernietiging in kracht van gewijsde is gegaan of de instantie is vervallen, wordt daarvan op verzoek van de meest gerede partij in het octrooiregister aantekening gedaan.
Artikel 76
-
-
1.Degene die een rechtsvordering als bedoeld in artikel 75 tot vernietiging van een krachtens deze rijkswet verleend octrooi instelt, is in die vordering niet ontvankelijk als hij niet als bijlage bij dagvaarding dan wel bij conclusie van eis in reconventie het resultaat van een door het bureau uitgebracht advies omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden overlegt.
-
-
2.In kort geding kan de voorzieningenrechter bedoeld in artikel 80, tweede lid, degene die stelt dat een krachtens deze rijkswet verleend octrooi vernietigd behoort te worden, opdragen een advies van het bureau omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden over te leggen.
Artikel 77
-
-
1.Voor zover een uit hoofde van deze rijkswet verleend octrooi betrekking heeft op een uitvinding, waarvoor aan dezelfde uitvinder of zijn rechtverkrijgende een Europees octrooi is verleend, terwijl de dag van indiening of in voorkomend geval de voorrangsdatum van de onderscheidene aanvragen om octrooi dezelfde is, heeft eerstbedoeld octrooi, voor zover het dezelfde uitvinding beschermt als het Europees octrooi, in Nederland of in de Nederlandse Antillen als het een Europees octrooi betreft of in Nederland als het een Gemeenschapsoctrooi betreft, niet meer de in de artikelen 53, 53a, 71 en 73 bedoelde rechtsgevolgen vanaf de dag waarop:
- o
-
a. de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi vastgestelde termijn is verstreken zonder dat oppositie is ingesteld;
- o
-
b. de oppositieprocedure is afgesloten, waarbij het Europees octrooi in stand is gebleven;
- o
-
c. het octrooi uit hoofde van deze rijkswet is verleend, indien deze dag ligt na die onder a of b bedoeld, al naar het geval.
-
-
2.Het tenietgaan, op welke wijze ook, van het Europees octrooi op een later tijdstip laat het bepaalde in het vorige lid onverlet.
-
-
3.Vorderingen ter vaststelling van een in het eerste lid bedoeld verlies van rechtsgevolg kunnen door een ieder worden ingesteld.
-
-
4.Artikel 75, vierde lid, achtste lid, eerste volzin, en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 78
-
-
1.Een octrooi kan geheel, gedeeltelijk of wat betreft een aandeel daarin worden opgeëist door degene die krachtens artikel 11, 12 of 13 dan wel, indien het een Europees octrooi betreft, krachtens artikel 60, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag aanspraak of mede aanspraak heeft op dat octrooi.
-
-
2.De dagvaarding moet in het octrooiregister worden ingeschreven.
-
-
3.De octrooihouder, die bij zijn aanvrage te goeder trouw was, of die het octrooi voor de inschrijving van de dagvaarding te goeder trouw van een vroegere houder verkreeg, blijft ten aanzien van de nieuwe octrooihouder bevoegd tot toepassing van de uitvinding op de voet als omschreven in artikel 55.
-
-
4.Te goeder trouw voor de inschrijving verkregen licenties blijven geldig tegenover de nieuwe octrooihouder, die overeenkomstig artikel 56, derde lid, recht verkrijgt op de voor de licenties verschuldigde vergoeding.
-
-
5.Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing ingeval degene, die het octrooi met goed gevolg heeft opgeëist, reeds door zelf octrooi aan te vragen zijn aanspraken had doen gelden en de dagvaarding, waarbij de vordering tot opeising werd ingesteld, binnen drie maanden na de verlening van het octrooi of, indien het een Europees octrooi betreft, na de publikatie overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi in het octrooiregister was ingeschreven.
-
-
6.Pandrechten, door een vroegere octrooihouder gevestigd, zijn alleen geldig tegenover de nieuwe octrooihouder, indien zij te goeder trouw zijn verkregen en voor de inschrijving van de dagvaarding gevestigd. Zij zijn nimmer tegenover deze geldig in het geval, bedoeld in het vorige lid.
-
-
7.De vordering, bedoeld in het eerste lid, verjaart, wanneer vijf jaren zijn verstreken na de dag van verlening van het octrooi of, indien het een Europees octrooi betreft, na de datum, waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening van het Europees octrooi is gepubliceerd; nochtans kan degene, die bij het verkrijgen van het octrooi wist of had moeten weten, dat hij of de persoon, die het hem overdroeg, geen aanspraak had op het octrooi, zich niet op deze verjaring beroepen.
-
-
8.Zodra een eindbeslissing aangaande een vordering tot opeising in kracht van gewijsde is gegaan of de instantie is vervallen, wordt daarvan op verzoek van de meest gerede partij in het octrooiregister aantekening gedaan.
Artikel 79
-
-
1.Hij die opzettelijk inbreuk maakt op het recht van de octrooihouder door het verrichten van een der in artikel 53, eerste lid, bedoelde handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
-
-
2.Hij die van het plegen van het in het vorige lid bedoelde misdrijf zijn beroep maakt of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.
-
-
3.Bij veroordeling kan door de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak worden gelast.
-
-
4.Indien voorwerpen verbeurd zijn verklaard, kan de octrooihouder vorderen, dat die voorwerpen hem worden afgegeven indien hij zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen een maand nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Door deze afgifte gaat de eigendom van de voorwerpen op de octrooihouder over. De rechter zal kunnen gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen een door hem bepaalde, door de octrooihouder te betalen vergoeding, welke ten bate komt van de Staat.
-
-
5.De in dit artikel bedoelde strafbare feiten zijn misdrijven. Van deze misdrijven neemt in Nederland in eerste aanleg uitsluitend de rechtbank te 's‐Gravenhage kennis.
Hoofdstuk 6. Octrooirechtelijke geschillen
Artikel 80
-
-
1.De rechtbank te ’s‐Gravenhage is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd voor:
- o
-
a. vorderingen tot vaststelling van ontbreken van rechtsgevolg, vernietiging, vaststelling van een verlies van rechtsgevolg of opeising van octrooien, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 10, 75, 77 en 78;
- o
-
b. vorderingen tot opeising van Europese octrooiaanvragen;
- o
-
c. vorderingen tot verlening van een licentie als bedoeld in artikel 58, eerste lid;
- o
-
d. vorderingen tot vaststelling van een vergoeding als bedoeld in de artikelen 58, 59 en 60.
-
-
2.De rechtbank te ’s‐Gravenhage en de voorzieningenrechter van die rechtbank zijn in eerste aanleg in Nederland uitsluitend bevoegd voor:
- o
-
a. vorderingen, bedoeld in de artikelen 70, 71, 72 en 73;
- o
-
b. vorderingen welke worden ingesteld door een ander dan de octrooihouder ten einde te doen vaststellen dat bepaalde door hem verrichte handelingen niet strijdig zijn met een octrooi.
Artikel 81
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, is voor beroepen ingesteld tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te 's‐Gravenhage bevoegd.
Artikel 82
Bij de behandeling ter terechtzitting van geschillen bedoeld in artikel 80 mogen octrooigemachtigden het woord voeren onverminderd de verantwoordelijkheid van de procureur.
Artikel 83
-
-
1.Van alle andere geschillen dan in de artikelen 80 en 81 bedoeld wordt kennis genomen door de rechter die daartoe volgens de algemene regeling der rechtspraak bevoegd is.
-
-
2.Rechtsvorderingen, die gegrond zijn op artikel 12, zesde lid, worden aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst.
-
-
3.Indien de rechter meent, dat op de beslissing van een geschil van invloed kan zijn een rechtsvordering, die op grond van artikel 10, 75, 77 of 78 is of zou kunnen worden ingesteld, kan hij de behandeling van het aanhangige geschil met of zonder tijdsbepaling schorsen. Gelijke bevoegdheid bezit hij, indien op de beslissing inzake zulk een rechtsvordering een uit anderen hoofde ingestelde rechtsvordering van invloed kan zijn.
-
-
4.De rechter kan de behandeling van een geschil ter zake van een Europees octrooi met of zonder tijdsbepaling schorsen, indien bij het Europees Octrooibureau tegen dat octrooi oppositie is ingesteld ingevolge artikel 99 van het Europees Octrooiverdrag.
Artikel 84
-
-
1.Een ieder kan het bureau schriftelijk verzoeken een advies uit te brengen omtrent de toepasselijkheid van de in artikel 75, eerste lid, genoemde nietigheidsgronden op een krachtens deze rijkswet verleend octrooi.
-
-
2.Het verzoek bevat een gemotiveerde aanduiding van de aan artikel 75, eerste lid, ontleende bezwaren tegen het verleende octrooi waaromtrent een advies wordt verlangd.
-
-
3.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gesteld met betrekking tot de voor het advies verschuldigde vergoeding.
Artikel 85
-
-
1.Het bureau stelt de in artikel 84 bedoelde verzoeker in de gelegenheid de geopperde bezwaren toe te lichten. Het bureau kan nietigheidsgronden die het baseert op het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek als bedoeld in artikel 34, vierde lid, als bezwaren toevoegen. De houder van het desbetreffende octrooi wordt ten minste eenmaal in de gelegenheid gesteld op de bezwaren te reageren.
-
-
2.Het bureau is bevoegd voor de inbreng van verzoeker en octrooihouder termijnen te stellen.
-
-
3.Het in artikel 84 bedoelde advies wordt zo spoedig mogelijk uitgebracht, doch uiterlijk binnen twee maanden nadat het bureau kennis heeft genomen van het standpunt van de verzoeker en de octrooihouder of, indien toepassing is gegeven aan het vorige lid, binnen twee maanden nadat de gestelde termijn is verstreken.
Artikel 86
Het in artikel 84 bedoelde advies bestaat uit een gemotiveerde beoordeling van de in artikel 85, eerste lid, genoemde bezwaren.
Artikel 87
-
-
1.Het bureau is verplicht de rechter alle inlichtingen en technische adviezen te verstrekken, die deze tot beslissing van aan zijn oordeel onderworpen rechtsvorderingen inzake octrooien mocht verlangen.
-
-
2.De waarde van adviezen als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld met die van deskundigen als bedoeld in artikel 194 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 88
De in artikel 80 bedoelde rechtbank treedt op als centrale instantie, belast met het ontvangen van rogatoire commissies en bevoegd tot het uitvoeren van genoemde commissies van het Europees Octrooibureau, bedoeld in regel 99 van het bij het Europees Octrooiverdrag behorende Uitvoeringsreglement.
Artikel 89
Van alle rechterlijke uitspraken betreffende octrooien wordt door de griffier van het desbetreffende gerecht binnen één maand kosteloos een afschrift aan het bureau gezonden, en, indien het een Europees octrooi betreft, tevens aan het Europees Octrooibureau, bedoeld in het Europees Octrooiverdrag.
Hoofdstuk 7. Aanvullende beschermingscertificaten
Artikel 90
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 98, en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder:
verordening: de verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PbEG L 182), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/20/EG, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PbEG L 378);
basisoctrooi: een octrooi als bedoeld in artikel 1, onder c, van de verordening;
certificaat: een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in artikel 1, onder d, van de verordening;
aanvrage om verlenging van de duur van een certificaat: een aanvraag om verlenging van de duur van een reeds verleend certificaat als bedoeld in artikel 1, onder e, van de verordening.
Artikel 91
De aanvrage om een certificaat en om verlenging van de duur van een certificaat worden bij het bureau ingediend.
Artikel 92
Bij de aanvrage om een certificaat en om verlenging van de duur van een certificaat dient een bewijsstuk te worden overgelegd waaruit blijkt dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld tarief.
Artikel 93
Met betrekking tot aanvragen om een certificaat en om verlenging van de duur van een certificaat zijn de artikelen 24, derde lid, en 38, eerste lid, van deze rijkswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
Indien niet is voldaan aan het bij artikel 8 van de verordening of het bij de artikelen 92 en 93 van deze rijkswet bepaalde, geeft het bureau daarvan binnen twee maanden na de datum van indiening van de aanvraag om een certificaat dan wel om verlenging van de duur van een certificaat schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan.
Artikel 95
Voor de instandhouding van een aanvullend beschermingscertificaat moet elk jaar, voor het eerst vanaf het jaar waarin de wettelijke duur van het basisoctrooi is verstreken, aan het bureau een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag worden betaald. Dit bedrag wordt uiterlijk voldaan op de laatste dag van de maand waarin de wettelijke duur van het basisoctrooi is verstreken. De artikelen 61, derde lid, en 62 van deze rijkswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 96
-
-
1. De in de artikelen 9, tweede en derde lid, 11 en 16 van de verordening voorgeschreven mededelingen geschieden in het in artikel 20 van deze rijkswet bedoelde blad.
-
-
2. Het bureau schrijft de in de artikelen 9, tweede en derde lid, 11 en 16 van de verordening bedoelde gegevens in het octrooiregister in.
Artikel 97
De artikelen 64 tot en met 69 zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten.
Artikel 98
Indien een andere dan de in artikel 90 genoemde door de Raad van de Europese Gemeenschappen vastgestelde verordening betreffende aanvullende beschermingscertificaten in het belang van een goede uitvoering nadere regeling behoeft geschiedt dit bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij kan worden voorzien in het opleggen van taksen, voor zover dat is toegelaten ingevolge de betrokken verordening.
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen voor de Nederlandse Antillen
Artikel 99
In de Nederlandse Antillen kan een bureau voor de industriële eigendom worden ingesteld. Dit bureau is een instelling van dat land.
Artikel 100
-
-
1.De aanvragen om octrooi van inwonenden van de Nederlandse Antillen kunnen worden ingediend bij het aldaar ingestelde bureau voor de industriële eigendom.
-
-
2.Als datum van indiening van de aanvrage geldt die, waarop bij het betrokken bureau de in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, vermelde bescheiden zijn overgelegd. Artikel 29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
-
3.Nadat het betrokken bureau de in het tweede lid bedoelde datum op de aanvrage heeft vermeld, zendt het de aanvrage met alle overgelegde bescheiden zo spoedig mogelijk door aan het bureau, bedoeld in artikel 1, tenzij het meent dat deze bescheiden niet voldoen aan het bij of krachtens artikel 24 bepaalde.
-
-
4.In het geval, bedoeld in het derde lid, geeft het betrokken bureau aan de aanvrager schriftelijk kennis van de vermeende gebreken, met het verzoek deze binnen een door het bureau te bepalen termijn te herstellen. Na het verstrijken van die termijn worden, onverschillig of aan het verzoek is voldaan, de door de aanvrager overgelegde bescheiden, alsmede een afschrift van het hem afgegeven ontvangstbewijs door het betrokken bureau zo spoedig mogelijk aan het bureau, bedoeld in artikel 1, toegezonden.
Hoofdstuk 9. Overgangs‐ en slotbepalingen
Artikel 101
De Rijksoctrooiwet vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 102
-
-
1.Ten aanzien van octrooiaanvragen die zijn ingediend voor 1 april 1995 en van deze aanvragen afgesplitste octrooiaanvragen zijn de Rijksoctrooiwet en de artikelen 102a tot en met 102e van toepassing.
-
-
2.Ten aanzien van:
- o
-
a. octrooiaanvragen, ingediend na de inwerkingtreding van deze rijkswet, met uitzondering van de in het eerste lid bedoelde afgesplitste octrooiaanvragen,
- o
-
b. octrooien, verleend op de onder a bedoelde octrooiaanvragen en
- o
-
c. licenties onder de onder b bedoelde octrooien is uitsluitend het bij en krachtens deze rijkswet bepaalde van toepassing.
-
-
3.Deze rijkswet is niet van toepassing op aanvragen om een certificaat als bedoeld in artikel 90 welke bij de Octrooiraad zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet.
-
-
4.De artikelen 95 en 97 zijn mede van toepassing op certificaten welke zijn verleend op aanvragen welke zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet.
Artikel 102a
-
-
1.Op octrooiaanvragen ten aanzien waarvan het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek aan de aanvrager is meegedeeld, maar de aanvraagafdeling van de Octrooiraad op de datum van inwerkingtreding van dit artikel nog geen besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 24 van de Rijksoctrooiwet, verleent de Octrooiraad in afwijking van Hoofdstuk II, Afdeling II, van de die Rijkswet octrooi door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvrager is ingediend of door hem nadien is gewijzigd.
-
-
2.Indien op de datum van inwerkingtreding van dit artikel het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek nog niet aan de aanvrager is meegedeeld, wordt het octrooi verleend met ingang van twee maanden na de datum waarop het resultaat van het onderzoek van de stand van de techniek is meegedeeld aan de aanvrager, welke termijn op verzoek van de aanvrager door de Octrooiraad eenmaal met twee maanden kan worden verlengd.
Artikel 102b
-
-
1.In afwijking van Hoofdstuk II, Afdeling II, van de die Rijkswet verleent de Octrooiraad octrooi op octrooiaanvragen ten aanzien waarvan de aanvraagafdeling of de afdeling van beroep van de Octrooiraad na de inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel 24 of 24A van die Rijkswet besluit tot gehele of gedeeltelijke openbaarmaking, door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvraagafdeling of de afdeling van beroep geschikt is bevonden voor verlening.
-
-
2.Het octrooi begint te werken met ingang van de datum van het besluit tot gehele of gedeeltelijke openbaarmaking.
Artikel 102c
-
-
1.Vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 102a is artikel 102a van overeenkomstige toepassing op octrooiaanvragen waarop de artikelen 29A tot en met 29F van de Rijksoctrooiwet van toepassing zijn, met dien verstande dat:
- o
-
a. de Octrooiraad besluit tot verlening van het octrooi door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage, doch dat de inschrijving van de octrooiaanvrage in het octrooiregister en de verlening van het octrooi worden opgeschort, en
- o
-
b. de artikelen 41 tot en met 45 op die octrooiaanvragen van overeenkomstige toepassing zijn.
-
-
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op artikel 102b.
Artikel 102d
-
-
1.Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel of, indien dat later is, vanaf de datum van verlening van het octrooi, hebben octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of die worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c, in Nederland en de Nederlandse Antillen dezelfde rechtsgevolgen als octrooien die zijn verleend op grond van artikel 36 en zijn daarop de bepalingen van deze rijkswet van toepassing, met dien verstande dat:
- o
-
a. de toepassing van artikel 76 beperkt is tot octrooien die zijn verleend op grond van artikel 102a of 102c, eerste lid, en
- o
-
b. de toepassing van de artikelen 84 tot en met 86 beperkt is tot octrooien die zijn verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c.
-
-
2.Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel of, indien dat later is, vanaf de datum van verlening van het octrooi, hebben octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of die worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c, in Aruba dezelfde rechtsgevolgen als octrooien die zijn verleend op grond van artikel 34 van de Landsverordening van Aruba van 5 mei 1997 houdende regels met betrekking tot octrooien (Octrooiverordening).
Artikel 102e
-
-
1.Op een verzoek tot herstel in de vorige toestand dat is ingediend na de inwerkingtreding van dit artikel, is artikel 23 van de Rijksoctrooiwet 1995 van toepassing.
-
-
2.Het bureau verleent op een octrooiaanvrage die na de inwerkingtreding van deze wet wordt hersteld in de vorige toestand, octrooi door het plaatsen van een gedateerde aantekening op de aanvrage in de vorm zoals deze door de aanvrager is ingediend of door hem nadien is gewijzigd.
-
-
3.Het octrooi begint te werken met ingang van de datum waarop het besluit tot herstel onherroepelijk is.
Artikel 102f
Het openbare deel van de registers die worden gehouden op grond van de Rijksoctrooiwet maakt vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 101, deel uit van het register, bedoeld in artikel 19.
Artikel 103
-
-
1.Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikellid is ten aanzien van Europese octrooien, waarvan de vermelding van de verlening overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag is gepubliceerd voor de inwerkingtreding van deze rijkswet, en licenties onder deze octrooien, het bij en krachtens deze rijkswet bepaalde van toepassing.
-
-
2.Ten aanzien van Europese octrooien, waarvan de vermelding van de verlening overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag is gepubliceerd na de inwerkingtreding van deze rijkswet, en licenties onder deze octrooien, is uitsluitend het bij en krachtens deze rijkswet bepaalde van toepassing.
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 105
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 106
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 107
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 108
-
-
1.De artikelen 57 tot en met 58a zijn van toepassing op licenties onder octrooien die zijn verleend op grond van de Rijksoctrooiwet of die worden verleend op grond van de artikelen 102a, 102b of 102c.
-
-
2.Indien voor de inwerkingtreding van deze rijkswet een verzoek tot verlening van een licentie overeenkomstig artikel 34, vijfde lid, van de Rijksoctrooiwet is ingediend, vindt het eerste lid geen toepassing.
Artikel 109
Tot de stand van de techniek, bedoeld in de artikelen 4 en 75, tweede lid, behoort tevens de inhoud van voor de inwerkingtreding van deze rijkswet ingediende octrooiaanvragen, die op of na de in artikel 4, tweede lid, van deze wet onderscheidenlijk artikel 80 van het Europees Octrooiverdrag bedoelde dag overeenkomstig artikel 22C van de Rijksoctrooiwet ter inzage worden gelegd of, indien terinzagelegging nog niet had plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 25 van die rijkswet openbaar worden gemaakt.
Artikel 110
Indien in deze rijkswet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze rijkswet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van rijksbestuur.
Artikel 111
De artikelen van deze rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 112
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijksoctrooiwet met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Artikel 113
-
-
1.Deze rijkswet is verbindend voor Nederland en, behoudens hoofdstuk 7, voor de Nederlandse Antillen.
-
-
2.Deze rijkswet is voor Aruba slechts verbindend voor zover het betreft de artikelen 40 tot en met 45, 59, 101, 102, eerste lid, artikel 102a tot en met artikel 102f, 104 tot en met 108, 111 en 114. Voor de toepassing van de artikelen 40 tot en met 45 in Aruba wordt onder "bureau" verstaan het Bureau voor de Intellectuele Eigendom van Aruba.
Artikel 114
In Nederland kan bij wet en in de Nederlandse Antillen en Aruba kan bij landsverordening worden verklaard, dat de in deze rijkswet vervatte onderlinge regeling dient te worden beëindigd. Met ingang van het derde kalenderjaar na dat van afkondiging van zodanige wet of landsverordening verkrijgt deze rijkswet in Nederland de staat van wet en in de Nederlandse Antillen en Aruba de staat van landsverordening. Het bepaalde in de vorige volzinnen geldt niet met betrekking tot de artikelen 40 tot en met 45 en artikel 59.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s‐Gravenhage, 15 december 1994
Beatrix
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok‐van Weele
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zestiende februari 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
- Chapter 1 General Provisions
- Chapter 2 Processing of Patent Applications
- Chapter 3 Provisions Governing European Patents and Community Patents
- Chapter 4 Legal Effects of the Patent
- Chapter 5 Invalidation and Claiming Entitlement to the Patent
- Chapter 6 Disputes Concerning Patent Rights
- Chapter 7 Supplementary Protection Certificates
- Chapter 8 Special Provisions for the Netherlands Antilles
- Chapter 9 Transitional and Final Provisions
Patents Act of the Kingdom 1995* (of December 13, 1994)
TABLE OF CONTENTS**
Articles
“European Patent Convention” shall mean the Convention on the Grant of European Patents signed in Munich on October 5, 1973 (Trb. 1975, 108 and 1976, 101); “Community Patent Convention” shall mean the Convention for the European Patent for the Common Market signed in Luxembourg on December 15, 1989 (Trb. 1990, 121); “European patent” shall mean a patent granted under the European Patent Convention, insofar as it has been granted for the Kingdom and is not a Community Patent; “Community patent” shall mean a patent as referred to in Article 2 of the Community Patent Convention; “European patent application” shall mean an application for a European patent as referred to in the European Patent Convention; “Patent Cooperation Treaty” shall mean the Patent Cooperation Treaty signed in Washington, D.C. on June 19, 1970 (Trb. 1973, 20); “Office” shall mean the Industrial Property Office as referred to in Article 4 of the Act of April 25, 1963 (Stb. 221);
* Dutch title: Rijksoctrooiwet 1995.
Entry into force: April 1, 1995, except for provisions relating to extension of priority rights and the criterion for a non-voluntary
license: January 1, 1996. Source: Communication from the Netherlands authorities. Note: This text is based on an official English translation furnished by the Netherlands authorities and prepared by Kluwer Law
International in cooperation with Nederlandsch Octrooibureau. ** Added by WIPO.
“patent register” shall mean the register referred to in Article 19 of this Act;
“The Minister” shall mean the Dutch Minister of Economic Affairs;
“natural resources” shall mean the mineral and other non-living resources from the seabed and
substratum, as well as living organisms of the sedentary type, i.e., organisms that at the moment they can be harvested are stationary either on or under the seabed, or cannot move except in constant physical contact with the seabed or substratum.
Art. 2.–
- Inventions that are new, that involve an inventive step and that are susceptible of industrial application shall be patentable.
- 2. The following inventions shall not be regarded as inventions within the meaning of the first
- The second paragraph applies only insofar as it concerns the subject matter or activities referred to as such.
| paragraph: | |
|---|---|
| a. | discoveries, as well as scientific theories and mathematical methods; |
| b. | aesthetic creations; |
| c. | schemes, rules and methods for performing mental acts, playing games or doing business, as |
| well as computer programs; | |
| d. | presentations of information. |
Art. 3. No patent shall be issued for:
- a.
- inventions the publication or exploitation of which would be contrary to public order or morality;
- b.
- plant or animal varieties, or essentially biological processes for the production of plants or animals and the products thereof, with the exception of microbiological processes unless these are prohibited by or pursuant to the Act on Health and Welfare of Animals.
Art. 4.–
1. An invention shall be considered to be new if it does not form part of the state of the art.
- The state of the art shall comprise everything made available to the public by means of a written or oral description, by use or in any other way before the date of filing of the application.
- The state of the art shall also comprise the contents of previously filed applications that have been entered in the patent register pursuant to Article 31 on or after the date referred to in paragraph (2), above.
- The state of the art shall also comprise the contents of European patent applications and of international applications as referred to in Article 158(1) and (2) of the European Patent Convention, the date of filing of which, pursuant to Article 54(2) and (3) of said Convention, precedes the date referred to in paragraph (2), above, and which have been published pursuant to Article 93 of said Convention or Article 21 of the Patent Cooperation Treaty on or after that date, provided that the Kingdom has been designated in the published application.
- Notwithstanding the provisions of paragraphs (1) to (4), substances or compositions included in the state of the art may be patented when they are intended for use in one of the methods referred to in Article 7(2) provided that said use for any method referred to in that paragraph is not included in the state of the art.
Art. 5.–
1. For the purposes of Article 4 the disclosure of an invention shall be disregarded if it occurred no earlier than six months prior to the filing of the patent application as a direct or indirect consequence of:
- a.
- an evident abuse in relation to the applicant or his legal predecessor, or
- b.
- the fact that the applicant or his legal predecessor displayed the invention at an official, or officially recognized, international exhibition within the terms of the Convention on International Exhibitions signed in Paris on November 22, 1928, and last revised by the Protocol of November 30, 1972 (Trb. 1973, 100), on condition that the applicant declares, upon
filing his application, that the invention has been so displayed and submits proof thereof within a period set by administrative order and in accordance with provisions set by administrative order.
2. Official recognition of exhibitions in the Netherlands shall be accorded by the Minister. Recognition of exhibitions in the Netherlands Antilles shall be accorded by the Government of the Netherlands Antilles.
Art. 6. An invention shall be deemed to be the result of inventive activity if, having regard to the state of the art, it is not obvious to a person skilled in the art. Documents as referred to in Article 4(3) and (4) belonging to the state of the art shall not be taken into consideration in assessing inventive activity.
Art. 7.–
- An invention shall be considered susceptible of industrial application if it can be made or used in any field of industry, including agriculture.
- Methods for treatment of the human body or animal body whether through surgery or medical treatment and diagnostic methods practiced on the human or animal body shall not be regarded as inventions that are susceptible of industrial application within the meaning of the preceding paragraph. This provision does not apply to products, particularly substances or compositions, for use in any of these methods.
Art. 8. Without prejudice to Articles 11, 12 and 13, the applicant shall be deemed to be the inventor and in that capacity to be the person entitled to the patent.
Art. 9.–
- A person who has duly filed an application for a patent or for a utility certificate or for the protection of a utility model in any of the countries members of the International Union for the Protection of Industrial Property1 and in accordance with the laws in force in that country or in accordance with treaties concluded between two or more of the aforementioned countries, shall enjoy a right of priority within the Netherlands and the Netherlands Antilles during a period of 12 months from the filing date of the application with regard to obtaining a patent for the subject matter in respect of which the protection referred to above has been applied for. The foregoing shall apply mutatis mutandis to a person who has applied for an inventor’s certificate if the relevant legislation provides an option regarding the grant of such a certificate or of a patent.
- An application within the meaning of paragraph (1) shall be understood to mean any application of which the date of filing can be ascertained, regardless of the subsequent fate of the application.
- If the person entitled to do so has filed more than one application for the same subject matter, only the first application shall serve as a basis for claiming a right of priority. Nevertheless, a subsequent application for protection in the same country may serve as a basis for claiming a right of priority, provided that, on the filing date of the subsequent application, the previous application has been withdrawn, abandoned or refused without being open to public inspection and without leaving any rights outstanding, and provided it has not served as a basis for claiming a right of priority. If a right of priority based on a later application is invoked, the first application may not thereafter serve as a basis for claiming a right of priority.
- For the purposes of Articles 4(2), (3) and (4) and Article 6, the effect of the right of priority shall be that the application for which this right exists shall be deemed to have been filed on the date of filing of the application that confers the right of priority.
- The applicant may claim multiple rights of priority, even if the rights originated in different countries. The application for which one or more rights are claimed may also include elements for which no rights were claimed in the claims formulated in the application upon which his claim to right of priority is based, provided that the documents of the latter application refer to the product in question or the process in question with sufficient accuracy.
- A person wishing to avail himself of the right of priority shall claim it in writing upon filing the application or within three months thereafter, stating the date of filing of the application upon which his claim is based and also the country in which or for which it was filed; within 16 months after filing the application upon which his claim is based, he must submit to the Office the number of that application and a copy of it in Dutch, French, German or English, or a translation of the application upon which his claim to right of priority is based in one of these languages and, if he is not the person who filed the application serving as a basis for the priority claim, a document establishing his rights. The Office may require that the translation referred to in the previous sentence be certified.
1 Before the end of 1995, this will be amended to include countries party to the World Trade Organization.
7. The right of priority shall be lost if the conditions of paragraph (6) are not met.
Art. 10.–
- Where for a patent granted pursuant to this Act the right of priority of a patent application filed previously pursuant to this Act is claimed, the patent granted on said application has no legal consequences insofar as it concerns the same invention as the first-mentioned patent.
- Claims to establish the absence of legal consequences as referred to in the first paragraph may be brought by any person.
3. Article 75(4), (8), first sentence, and (9) shall apply mutatis mutandis.
Art. 11. The applicant shall not be entitled to a patent insofar as the contents of his application have been obtained unlawfully from subject matter made or applied by another person or from descriptions, drawings or models belonging to another person without that person’s consent. The latter person shall remain entitled to a patent to the extent that the subject matter thus unlawfully obtained is patentable. For the purposes of Article 4(3) and (4), the application filed by the person who has so obtained the subject matter shall not be taken into consideration for the subject matter of an application filed by the person from whom the aforementioned subject matter has been so taken.
Art. 12.–
- Where the invention for which a patent application has been filed has been made by a person employed in the service of another person, the employee shall be entitled to the patent unless the nature of the service entails the use of the employee’s special knowledge for the purposes of making inventions of the same kind as that to which the patent application relates. Should the latter be the case, the employer shall be entitled to the patent.
- Where the invention for which a patent application has been filed has been made by a person who performs services for another in the context of a training course, the person for whom the services are performed shall be entitled to the patent unless the invention has no connection with the subject of the services.
- Where the invention has been made by a person carrying out research in the service of a university, college or research establishment, the university, college or research establishment shall be entitled to the patent.
- For the purposes of Article 4(3) and (4), an application filed by a person not having a right to a patent shall be disregarded in respect of the subject matter of an application filed by the employer referred to in the first paragraph, last sentence, or by a person providing the opportunity to perform the services referred to in the second paragraph.
5. The provisions of paragraphs (1), (2) and (3) may be departed from by written agreement.
6. Where the inventor cannot be deemed to have been compensated, in the salary he earns or the pecuniary allowance he receives or in any extra remuneration he receives, for not having been granted a patent, the person who is entitled to the patent on the basis of paragraphs (1), (2) and (3) shall be obliged to award him equitable remuneration related to the pecuniary importance of the invention and the circumstances under which it was made. Any right of the inventor to claim under this provision shall lapse after the expiry of three years from the date of the grant of the patent.
7. Any stipulation departing from the sixth paragraph shall be void.
Art. 13. Where an invention has been made by two or more persons working together by agreement, they shall have a joint right to a patent.
Art. 14.–
1. Any person who has made an invention for which a patent application has been filed, but who cannot claim any title to a patent under Article 12(1), (2) or (3) or under an agreement concluded with the applicant or his predecessors in title, shall have a right to be mentioned as the inventor in the patent.
2. Any stipulation departing from the provisions of the preceding paragraph shall be void.
Chapter 2
Processing of Patent Applications
Part 1
General Provisions
Art. 15. The Office is an institution of the Netherlands. It shall serve, with respect to patents, as the central office for the Netherlands and the Netherlands Antilles pursuant to Article 12 of the Paris Convention for the Protection of Industrial Property of March 20, 1883, as revised at Stockholm on July 14, 1967 (Trb. 1969, 144).
Art. 16. If the Office is closed on the last day of any time limit to be observed under this Act by or vis-à-vis the Office, that time limit shall be extended for the purposes of this Act to the end of the first day thereafter on which the Office is open.
Art. 17.–
- The Office shall act as a receiving Office within the meaning of Article 2(xv) of the Patent Cooperation Treaty and shall exercise its functions in that capacity in accordance with the provisions of said Treaty.
- Inasmuch as the Patent Cooperation Treaty permits, the amount and the due date of the fees that can be levied under the Patent Cooperation Treaty and the Regulations under it shall be set by administrative order. Furthermore, additional regulations may be laid down by administrative order concerning the subject matter in respect of which the receiving Office is empowered to make provision by virtue of the aforementioned Regulations.
Art. 18. The designation or, in appropriate cases, the election of the Kingdom in an international application as referred to in Article 2(vii) of the Patent Cooperation Treaty shall be deemed to be a request by the applicant to be granted a European patent.
Art. 19.–
- The Office shall maintain a register in which, by virtue of this Act, particulars concerning patent applications and patents are recorded.
- 2. The register shall be open for inspection by any person free of charge.
- Additional regulations may be set by administrative order with respect to this register. These may provide that the registration of given particulars is dependent upon the payment of an amount by the individual requesting registration.
- In return for payment of amounts to be set by administrative order, any individual may request written information on or certified extracts from the patent register or documents relating to a patent application or patent registered in the patent register, as well as copies of the latter documents.
Art. 20.–
- All particulars recorded in the patent register shall also be reported in a Journal to be published periodically by the Office.
- Additional regulations may be fixed by administrative order with respect to the provisions of the first paragraph.
Art. 21.–
- From the moment the patent application is recorded in the patent register any person can inspect free of charge all documents pertaining to the application or the patent granted as a result of such application that the Office has received or has sent to the applicant or to third parties in the context of the provisions of this Act. As soon as possible, but not before the application is entered in the patent register, the Office shall give notice of these documents in the Journal referred to in Article 20.
- Documents pertaining to an application that has not yet been entered in the patent register may only be inspected with the consent of the applicant. It shall, however, be possible to inspect such documents without the consent of the applicant if the person in question shows that the applicant has invoked the rights under the application against the person in question. This provision does not pertain to the patent applications referred to in Part 3 of this Chapter.
- The declaration of the inventor stating that he does not wish to be recorded as the inventor in the patent may not be inspected.
Art. 22. Persons entitled to act as authorized representatives before the Patent Office may act as authorized representatives for the applicant before the Office. The provisions of Article 18A of the Patents Act of the Kingdom (last amended in 1987) and provisions thereunder shall also apply to professional representation before the Office.
Art. 23.–
- If, despite taking all due care required by the circumstances, the applicant for or proprietor of a patent or the proprietor of a European patent has not been able to observe a time limit with respect to the Office or the office referred to in Article 99, he shall, at his request, have his rights reestablished by the Office, if failure to observe the time limit pursuant to this Act has directly led to the loss of any right or means of redress.
- The first paragraph shall not apply to failure to file the patent application within the time limit stipulated in Article 9(1) or to failure to comply with the time limit referred to in paragraph (3), below.
- The request shall be filed as soon as possible, but in any case not more than a year after expiry of the time limit that was not observed. The omitted act is to be made good together with the request. If the applicant is not resident in the Kingdom, he shall elect domicile with an authorized representative. An amount to be set by administrative order is to be paid upon filing the request.
4. The Office shall record the reestablishment in the patent register.
5. Any person remains authorized notwithstanding the patent to continue the acts stipulated in Article 53(1) where said person has, in or for his business, commenced manufacture or application of that for which as a result of the reestablishment a patent is in force, or has commenced implementation of his decision to do so in or for his business within the Netherlands or the Netherlands Antilles or where a European patent is concerned, within the Netherlands, in the period between the loss of rights or means of redress and the reestablishment. Article 55(2) and (3) shall apply mutatis mutandis.
Part 2 Grant of Patent
Art. 24.–
1. An application for a patent must be filed with the Office in writing and must:
| a. | contain the name and address of the applicant; |
| b. | contain the name and place of residence of the inventor unless, according to a written |
| declaration attached to the application, he does not wish to be recorded on the patent as the | |
| inventor; | |
| c. | contain a request for the grant of a patent; |
| d. | contain a concise indication of the subject matter of the invention; |
| e. | be accompanied by a description of the invention containing, in one or more claims at the end, a |
| definition of the subject matter for which exclusive rights are being sought; | |
| f. | be accompanied by an abstract of the description. |
- The abstract is only intended to serve as a source of technical information; it specifically may not serve for interpreting the scope of the protection requested or for the application of Article 4(3) or Article 75(2).
- The application and the description of the invention should be written in Dutch and signed by the applicant or the person appointed as his representative by written authorization.
- The application, the description of the invention, the drawings and the abstract shall also meet the other formal regulations laid down by administrative order.
- Proof confirming that an amount equal to the rate set by administrative order has been paid to the Office should be submitted with the application.
Art. 25.–
- The description of the invention must be clear and complete; the definition given in one or more claims at the end should be precise. The description should, if necessary, be accompanied by corresponding drawings and be of such a nature as to enable a person skilled in the art to understand and carry out the invention on the basis of that description.
- If an invention involving a microbiological process or a product made using such a process involves the use of a microorganism that is not accessible to the public, a culture of the organism shall also be deposited at an institution designated by or by virtue of an administrative order no later than the date of filing and shall comply with the requirements stipulated by administrative order regarding the identification and availability of the microorganism.
Art. 26. If the applicant’s place of residence is not in the Kingdom, he shall be required to elect domicile in the Netherlands with an authorized representative as referred to in Article 22.
Art. 27. Each application for a patent shall relate to one invention only or to a group of related inventions so linked as to form a single general inventive concept. Further regulations in this matter may be laid down by administrative order.
Art. 28.–
- The applicant may divide a previously filed application by filing a separate application for a part of the contents. Except for the purposes of Article 30(1), Article 31(3) and Article 32(1), this application shall be deemed to have been filed on the date of filing of the original application.
- 2. The applicant may change the description, claims and drawings of the application already filed.
- The subject matter of the divisional or amended application must be covered by the contents of the original application.
- The division or amendment may be made up to the time at which the patent application is to be entered in the patent register in accordance with Article 31(1) or (2).
- If the applicant has requested a search of the state of the art pursuant to Article 32, the division or amendment may be made up to two months after dispatch of the notice referred to in Article 34(4) if this time limit expires after the time limit referred to in the fourth paragraph. This time limit may be extended once by two months by the Office at the written and reasoned request of the applicant.
Art. 29.–
1. The date of filing shall be the date on which the following are submitted:
- a.
- a request for the grant of a patent;
- b.
- particulars identifying the applicant;
- c.
- a description of the invention and one or more claims, even if they fail to comply with the provisions of Article 24 or provisions thereunder.
- The Office shall record the date referred to in the first paragraph and assign a serial number to the application and shall notify these to the applicant as soon as possible by post or hand delivery.
- If the Office is of the opinion that the filed documents do not meet the requirements of the first paragraph, then the Office shall refuse to record the date referred to in the first paragraph. It shall notify the applicant of its decision and the reasons for it as soon as possible by post or hand delivery.
Art. 30.–
- If the provisions of Articles 24 and 26 and provisions thereunder are not complied with or disclosure of the invention to the public would be contrary to public order or morality, the Office shall notify the applicant of this in writing within one month of the date of filing referred to in Article 29(1) or, in the case of a divisional application, within one month of the date on which the divisional application was filed, together with a statement of the provisions that have not been complied with.
- If the shortcomings are not remedied within three months after dispatch of the notice referred to in the first paragraph or if the applicant makes it known before then that he does not wish to remedy them, the Office shall decide not to process the application. The Office shall inform the applicant of its decision and the reasons for it by post or hand delivery as soon as possible.
Art. 31.–
- The Office shall enter a patent application in the patent register as soon as possible after the expiration of 18 months:
- 2. At the written request of the applicant, registration shall take place at an earlier date.
- A divisional application as referred to in Article 28 shall be registered as soon as possible after its filing, although not prior to the registration of the original application.
| a. | following the date of filing referred to in Article 29(1), or, |
| b. | if it concerns an application for which one or more rights of priority have been claimed, after |
| the first date of priority. |
Art. 32.–
1. Within 13 months of:
- a.
- the date of filing referred to in Article 29(1), or,
- b.
- if the application is one for which one or more rights of priority have been claimed, after the
first date of priority, the applicant may request the Office to perform a search of the state of the art with respect to the subject matter of the patent application prior to the grant of the patent.
- If a divisional application as provided for in Article 28 is involved, then the request referred to in the first paragraph may be made within 13 months of the date of filing of the original application provided for in Article 29(1) or within two months after the filing of the divisional application, if the resulting date is later.
- The request shall be filed in writing with the Office, accompanied by proof that a payment has been made to the Office in accordance with the rate set by administrative order. If this proof is not submitted within the time limit stipulated in the first paragraph then the request shall not be processed.
- As soon as possible after the patent application has been entered in the patent register, the Office shall record the request referred to in the first paragraph in the patent register.
Art. 33.–
- If the applicant has not made said request within the time limit stipulated in Article 32(1) or has informed the Office in writing that he will not make such a request, the Office shall grant the patent as soon as the patent application has been entered in the register and shall record the grant in the register.
- The patent shall relate only to the invention or group of inventions referred to in Article 27 that is mentioned first in the claims.
- The patent shall be granted by signing and affixing the date to the application in the form in which it was filed or amended pursuant to Article 28 or 30(2).
- The Office shall issue the specifications and drawings attached to the application in the form of a patent specification and supply a certified copy to the applicant.
- A patent granted by virtue of this Article shall remain in force, barring earlier lapse or invalidation by the court, until the expiry of six years from the date of filing referred to in Article 29(1).
Art. 34.–
- A search of the state of the art as provided for in Article 32(1) shall be conducted by the Office, if necessary with the assistance of the European Patent Office referred to in the European Patent Convention.
- If the applicant so requests, the Office shall cause the application to be subjected to an international search as provided in Article 15(5)(a) of the Patent Cooperation Treaty. Such a search shall be deemed to be a search of the state of the art as referred to in Article 32(1).
- If it is apparent from the search that the application filed does not comply with the provisions of Article 27 and provisions thereunder, it shall be carried out with respect to the element of the application relating to the invention or group of inventions referred to in Article 27 that is mentioned first in the claims.
4. The Office shall notify the applicant in writing of the results of the search of the state of the art.
5. If the third paragraph applies, the Office shall state this in the notification provided for in paragraph (4), providing reasons therefor and specifying the invention or group of inventions regarding which the search was conducted.
Art. 35.–
- If the Office is of the opinion that the search of the state of the art cannot be conducted owing to lack of clarity of the claims in the application, it shall so inform the applicant in a reasoned, written statement as soon as possible.
- If the shortcomings are not remedied within two months of the dispatch of the notice referred to in the first paragraph, or if the applicant makes it known before then that he does not wish to remedy them, the Office shall decide not to process the application. The Office shall inform the applicant of its decision and the reasons for it by post or hand delivery as soon as possible.
Art. 36.–
- If the applicant has requested a search of the state of the art as provided in Article 32(1), the Office shall grant the patent as soon as the patent application has been entered in the register, but not earlier than two months or—if Article 28(5), second sentence, applies—four months after the dispatch of the notification referred to in Article 34(4). It shall record this in the patent register.
- 2. Article 33(3) and (4) shall apply.
- If Article 34(3) applies, the patent shall relate only to that invention or group of inventions referred to in Article 27 that is mentioned first in the claims.
4. The report on the search of the state of the art shall be attached to the patent specification.
5. A patent granted by virtue of this Article shall remain in force, barring earlier lapse or invalidation by the court, until the expiry of 20 years from the date of filing provided for in Article 29(1).
Art. 37.–
- Any person may at any time request the Office in writing to conduct a search of the state of the art in respect of the subject matter of a patent granted by the Office.
- If the person making the request precisely states in the request to which specific part of the patent the request for a search applies, the search shall be conducted in accordance with the request.
- The request should be accompanied by proof that payment has been made to the Office in accordance with the rate set by administrative order. If this proof is not submitted, the request shall not be processed.
- The Office shall immediately notify the applicant of a request as referred to in the first paragraph and record the submission of the request as soon as possible in the register.
5. Article 34(1), (3), (4) and (5) and Article 35(1) shall apply mutatis mutandis.
Art. 38.–
- Anyone may provide the Office with information on a patent application or the patent granted on it in a written statement. The Office shall then pass this information on to the applicant or the patent proprietor if it did not originate with said person in the first place.
- If the identification of the inventor as referred to in Article 24(1)(b) is incorrect, or if a person other than the inventor declares that the inventor does not wish to be identified as such in the patent, then the applicant and inventor may jointly request the Office in writing to make the necessary corrections to the patent against payment of an amount to be set by administrative order. If applicable, the request must be accompanied by the written consent of the person wrongly designated as the inventor.
Art. 39.–
- The withdrawal of a patent application entered in the patent register shall have no consequences for third parties as long as no legal claims have been finally and irrevocably decided in any legal proceedings that have been instituted concerning the application according to documents registered in the patent register.
- Where a person other than the applicant is entitled to the patent or has a joint right to the patent by virtue of an irrevocable judgment in legal proceedings as referred to in paragraph (1), the withdrawal shall be deemed not to have occurred.
3. The Office shall record the withdrawal in the patent register.
Part 3
Maintenance of Secrecy of the Contents of Patent Applications
Art. 40.–
- If the Office is of the opinion that the secrecy of the contents of a patent application may be in the interest of the defense of the Kingdom or its allies, it shall notify the applicant thereof as soon as possible, but no later than three months from the date of filing of the application. The Minister of Defense may give directions to the Office on whether or not there is such an interest.
- At the same time as the notification is sent, the Office shall send a copy thereof and of the description and drawings pertaining to the application to the aforementioned Minister.
3. Where paragraph (1) applies, the entry of the application in the patent register shall be suspended.
Art. 41.–
- Within eight months of the filing of a patent application as referred to in Article 40, the Minister of Defense shall notify the Office whether the contents of the application are to be kept secret in the interest of the defense of the Kingdom or its allies.
- Notification in the affirmative under paragraph (1) shall have the effect of suspending the entry of the application in the patent register for a period of three years from the date of notification of said decision. Notification in the negative shall terminate such suspension. The absence of any notification shall be treated as a notification in the negative.
- The aforementioned Minister may extend the term of suspension within six months preceding its expiry for periods of three years at a time by notifying the Office that the contents of the application are to be kept secret in the interest of the defence of the Kingdom or its allies.
- The aforementioned Minister may at any time notify the Office that the contents of the application need no longer be kept secret. Such a notification shall terminate the suspension.
- The Office shall inform the applicant without delay of any notification under paragraph (1), (3) or (4). The Office shall also inform the applicant without delay of the absence of any notification as referred to in paragraph (1) or (3).
- For as long as the suspension has not been terminated the Office shall send the aforementioned Minister, at his request, copies of all the relevant documents exchanged between the Office and the applicant.
- If the suspension ends, the application shall nevertheless not be entered in the patent register until a period of three months has elapsed, unless the applicant requests otherwise.
Art. 42.–
- Any person whose patent application has become subject to Articles 40, 41 or 46 shall, at his request, be awarded compensation by the State for any damage he has sustained through the enforcement of these Articles.
- The amount of the compensation shall be determined on the termination of the suspension. If, however, the term of suspension has been extended by virtue of Article 41(3), the amount of the compensation shall be determined, at the request of the applicant, in installments, the first relating to the period prior to the commencement of the first extension, the next to the period between two successive extensions and the last to the period from the commencement of the last extension to the termination of the suspension; the amounts shall be determined upon expiration of the relevant periods.
- The amount of the compensation shall be determined, if possible, by mutual consent between the Minister of Defense and the applicant. If no agreement has been reached within six months from the date of the expiry of the period to which the compensation relates, Article 58(6), first sentence, shall apply mutatis mutandis.
Art. 43.–
- If an applicant requests that the contents of a patent application be kept secret in the interest of the defense of some other State, or if the government of that State makes such a request, the Office shall, provided the applicant has stated in writing that he renounces any compensation for damages he might sustain by reason of the enforcement of this Article, send without delay a copy of that request and of the specification and drawings pertaining to the application as well as the aforementioned statement of renunciation to the Minister of Defense. In such a case, the entry of the application in the patent register shall be suspended. In the absence of a statement of renunciation, the Office shall notify the aforementioned Minister thereof without delay.
- Within three months following the date of filing of the request, the aforementioned Minister may notify the Office that the contents of the application are to be kept secret in the interest of the defense of the State concerned, provided that he has ascertained that secrecy has been imposed on the applicant by that State and that the applicant was given permission by the same State to file an application the subject matter of which has been made secret.
- A notification by virtue of paragraph (2) shall result in the entry of the application in the patent register being suspended until the aforementioned Minister notifies the Office that the contents of the application need no longer be kept secret. Absence of the aforesaid notification shall end the suspension.
- Article 41(6) and (7) shall apply mutatis mutandis with regard to an application as referred to in paragraph (1).
Art. 44.–
- Where the Minister of Defense is of the opinion that it is in the interest of the defense of the Kingdom for the State to use, put into practice or cause to be used or to be put into practice the subject matter of a patent application to which Article 40, 41 or 43 has been applied, he may take measures to that effect after notifying the applicant thereof. The notification shall contain a precise account of the acts that the State must perform or cause to be performed.
- The State shall compensate the applicant for the use or the putting into practice of the subject matter of the application pursuant to paragraph (1).
- The amount of this compensation shall be fixed, if possible, by mutual consent between the aforementioned Minister and the applicant. If no agreement has been reached within six months following the date of the notification referred to in paragraph (1), Article 58(6), first sentence, shall apply mutatis mutandis.
Art. 45. If the State itself is the owner of a patent application and if the Minister of Defense notifies the Office that its contents are to be kept secret in the interest of the defense of the Kingdom or its allies, the entry of the application in the patent register shall be suspended until the aforementioned Minister notifies the Office that the contents of the application need no longer be kept secret.
Art. 46.–
- A European patent application whose applicant knows or should reasonably know that the contents thereof should be kept secret in the interests of the defense of the Kingdom or its allies shall be filed with the Office.
- The Office shall without delay send a copy of the specification and drawings pertaining to the application to the Minister of Defense.
- Within a period not exceeding three weeks before expiration of the time limit referred to in Article 77(3) of the European Patent Convention, the Minister of Defense shall notify the Office whether the contents of the application shall be subject to secrecy in the interest of the defense of the Kingdom or its allies.
- If notification under paragraph (3) has been effected in the negative or if no notification has been effected at all, the Office shall forward the European patent application to the European Patent Office referred to in the European Patent Convention with due observance of the time limit referred to in Article 77(3) of said Convention.
- The Office shall inform the applicant without delay of any notification by virtue of paragraph (3) or of the absence thereof.
Part 4
Conversion of European Patent Applications
Art. 47. A European patent application which complies with the provisions of Article 80 of the European Patent Convention and is deemed to have been withdrawn under Article 77(5) of said Convention and which has been filed at the Office as an annex to a regular request for conversion to a patent application in the Kingdom, hereinafter referred to as a converted application, shall be deemed to be a patent application as referred to in Article 24, directed to the Office and filed at the Office. A request for conversion shall be regular if it has been filed, and has been transferred to the Office, in due time with due observance of the provisions of Part VIII, Chapter I, of the European Patent Convention.
Art. 48.–
- The date of delivery to the Office, together with a serial number, shall be noted on the converted application. The Office shall inform the applicant of this as soon as possible.
- Proof of payment for the converted application as specified in Article 24(5) shall be furnished within a period of three months from the date of filing referred to in paragraph (1). If the European patent application has not been filed in Dutch, a translation into Dutch of the original documents of that application shall be filed within the same period. The translation shall form part of the converted application; it shall be certified at the request of the Office within a time limit to be stipulated by the Office. If the provisions of this paragraph have not been complied with in due time, the Office shall give the applicant one opportunity to remedy this deficiency within a period to be stipulated by the Office. If the applicant does not remedy the deficiency within this time limit, the Office shall decide not to process the application. The Office shall notify the applicant of this decision and the reasons for it by post or hand delivery as soon as possible.
- The formal requirements imposed by or by virtue of Articles 24 and 26 shall not apply to the converted application if and to the extent that they differ from or are supplementary to the provisions of the European Patent Convention or provisions thereunder; in such cases the latter provisions shall apply to the converted application.
- As soon as the applicant has complied with the provisions of paragraph (2), the Office shall determine whether the application satisfies the provisions of Articles 24 and 26 or provisions thereunder or, if applicable, the provisions of the European Patent Convention as referred to in paragraph (3). If this is not the case, or if making the invention public is contrary to public order or morality, the Office shall so inform the applicant in writing as soon as possible, stating the requirements that have not been complied with. Article 30(2) shall apply mutatis mutandis.
- For the application of Articles 31(1), 32(1), 33(5), 36(5) and 61(1) to the converted patent application, “the date of filing referred to in Article 29(1),” should read: the date of filing of the application pursuant to Article 80 of the European Patent Convention in consideration of Articles 61 or 76 of that Convention.
- The entry in the patent register referred to in Article 31 shall not be made until it has been ascertained that the requirements of paragraph (4) have been satisfied or that deficiencies in this respect have been remedied.
Chapter 3 Provisions Governing European Patents and Community Patents
Art. 49.–
- In conformity with the provisions of this Act, European patents shall have the same effect in the Netherlands and shall be governed by the same legal provisions and have the same legal consequences as patents granted under Article 36 of this Act from the date on which the mention of the grant is published in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention. Community patents in the Netherlands shall from that date be governed by the same legal provisions and have the same legal consequences as patents granted under Article 36 of this Act only insofar as that follows from the Community Patent Convention.
- Barring earlier lapse or invalidation by the court, a European patent shall remain in force for a period of 20 years from the date of filing of the European patent application that led to the European patent concerned pursuant to Article 80 of the European Patent Convention, in accordance with Articles 61 or 76 of that Convention.
- Where the provisions of Articles 55(1), 57(4) and 77(1) govern European patents, the date of filing shall be deemed to be the date of filing of the European patent application which resulted in the grant of the European patent pursuant to Article 80 of the European Patent Convention, in accordance with Articles 61 or 76 of that Convention.
Art. 50.–
- A European patent shall be deemed, entirely or partly, not to have had the legal consequences referred to in Articles 53, 72 and 73 from the outset insofar as the patent is entirely or partly revoked during opposition proceedings.
- 2. The retroactive force of the revocation shall not affect:
- For the application of paragraph (2)(b), the conclusion of an agreement shall be deemed to include the creation of a license in another manner provided for in Articles 56(2), 59 or 60.
| a. | a decision, which is not a temporary order, relating to acts that conflict with the exclusive rights |
| of the patent proprietor, referred to in Article 53, or acts as referred to in Articles 72 and 73 | |
| which had become res judicata and had been enforced before the revocation; | |
| b. | an agreement concluded prior to the revocation, insofar as it was also implemented prior to the |
| revocation; however, in the interest of equity repayment can be demanded in respect of | |
| payments made on the basis of this agreement to the extent justified by the circumstances. |
Art. 51.–
- The Office shall without delay enter in the patent register the publication, pursuant to Article 97(4) of the European Patent Convention, of the mention of the grant of a European patent.
- The Office shall without delay enter in the patent register any notice of opposition to a European patent, stating the date of filing of the opposition and the decisions of the European Patent Office relating thereto.
Art. 52.–
- Within a time limit to be set by administrative order, any person to whom a European patent has been granted shall provide the Office with a translation into Dutch of the text in which the European Patent Office proposes the patent be granted. Furthermore, a fee shall be due, the amount thereof and the time limit within which it is to be paid being set by administrative order. The translation must be certified by a professional representative. The translation and the certification thereof must satisfy formal requirements to be set by administrative order.
- If on receipt within the time limit referred to in paragraph (1) the formal requirements referred to in the last sentence of said paragraph have not been satisfied, the Office shall so notify the proprietor of the patent without delay, with a statement of the requirements that have not been satisfied and of the time limit within which the noted deficiencies may be remedied.
- On receipt of the translation in the proper form, the Office shall without delay enter it in the patent register.
- The European patent shall be deemed not to have had the legal consequences referred to in Article 49 from the outset if:
- In the event of a situation provided for in paragraph (4) arising, the Office shall without delay record the fact in the patent register.
- Paragraphs (1) to (5) shall apply mutatis mutandis if the European patent has been amended during opposition proceedings.
- The proprietor of the patent may at any time provide the Office with a corrected translation, for which a fee shall be due in an amount to be set by administrative order. Paragraph (1), third and fourth sentences, and paragraphs (2) and (3) shall apply.
- From the moment the entry referred to in Article 51(1) is made in the patent register, all documents pertaining to the European patent received by the Office or sent to the proprietor of the European patent or given to third parties within the context of the provisions of this Act shall be open to public inspection free of charge. The Office shall publish a mention of all these documents in the Journal referred to in Article 20 as soon as possible, but not before the time referred to in the first sentence.
| a. | within the time limit referred to in paragraph (1), the translation has not been received by the |
| Office or the fee due by virtue of that paragraph has not been paid; or | |
| b. | within the time limit referred to in paragraph (2), the stipulated requirements have not yet been |
| satisfied. |
Chapter 4 Legal Effects of the Patent
Part 1 Rights and Obligations of the Patent Proprietor
Art. 53.–
1. Subject to the provisions of Articles 54 to 60, a patent shall confer on its owner the exclusive right:
- a.
- to make, use, put on the market or resell, hire out or deliver the patented product, or otherwise deal in it in or for his business, or to offer, import or stock it for any of those purposes;
- b.
- to use the patented process in or for his business or to use, put on the market, or resell, hire out or deliver the product obtained directly as a result of the use of the patented process, or otherwise deal in it in or for his business, or to offer, import or stock it for any of those purposes, with the exception of any product excluded from the grant of a patent pursuant to Article 3.
- The exclusive right shall be determined by the contents of the claims in the patent specification, and the description and the drawings shall serve to interpret those claims.
- The exclusive right shall not extend to acts solely serving for research on the patented subject matter, including the product obtained directly as a result of using the patented process. The exclusive right shall likewise not extend to the preparation of medicines in pharmacies for immediate use in individual cases on medical prescription, or to acts related to medicines prepared in this manner.
- If a product as referred to in paragraph (1)(a) or (b) has been put on the market lawfully in the Netherlands or the Netherlands Antilles, or, where a European patent is concerned, in the Netherlands, or if it is put on the market lawfully in one of the Member States of the European Union or in another State that is party to the Agreement concerning the European Economic Area by the patent proprietor or with his
- consent, the person who obtains or later holds the product shall not contravene the patent by using, selling, hiring out or delivering the product or by otherwise dealing in it in or for his business, or by offering, importing, or stocking the product for any of those purposes.
- A product as specified in paragraph (1)(a) or (b) which was manufactured by a business prior to the grant of a patent or, where a European patent is concerned, prior to the date of publication of the mention of the grant of the European patent in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention, may continue to be used on behalf of that business notwithstanding the patent.
Art. 54. The exclusive right of the patent owner shall not extend to:
| a. | the use, on board vessels of other countries, of the subject matter of the patent in the body of |
| the vessel or in the machinery, rigging, tackle and other accessories thereof when such vessels | |
| are in the waters of the Netherlands or Netherlands Antilles temporarily or accidentally, | |
| provided that the use is for the actual needs of the vessel only; | |
| b. | the use of the subject matter of the patent in the construction or operation of aircraft or land |
| vehicles or of the accessories of such aircraft or land vehicles belonging to other countries, | |
| when such aircraft or land vehicles are in the Netherlands or Netherlands Antilles temporarily | |
| or accidentally; | |
| c. | acts specified in Article 27 of the Chicago Convention on International Civil Aviation of |
| December 7, 1944 (Stb. 1947, H 165), provided that those acts relate to aircraft of a State other | |
| than the Kingdom or Aruba—mentioned under (c) in that Article. |
Art. 55.–
- Any person who, in the Netherlands or Netherlands Antilles or, in the case of a European patent, in the Netherlands, has already manufactured or applied or commenced implementation of his intention to manufacture or apply, in or for his business, the subject matter of a patent application filed by another on the filing date thereof or, if the applicant has a right of priority under Article 9(1) or Article 87 of the European Patent Convention, on the filing date of the priority application, shall, notwithstanding the patent, continue to have the right to perform the acts referred to in Article 53(1), this right being based on prior use, unless his knowledge was obtained from matter already made or applied by the applicant or from the applicant’s descriptions, drawings or models.
- Paragraph (1) shall apply mutatis mutandis to that part of the continental shelf contiguous to the Netherlands or Netherlands Antilles—or, in the case of a European patent, contiguous to the Netherlands— in which the Kingdom has sovereign rights, but exclusively to the extent that such acts are associated with and performed during the exploration for or recovery of natural resources.
3. The right referred to in paragraph (1) may only be assigned to other persons with said business.
4. For the application of this Article to Community patents pursuant to Article 37 of the Community Patent Convention, “a European patent” should read: a Community patent.
Art. 56.–
- The right to perform acts prohibited to any person other than the proprietor of the patent by virtue of Article 53 may be acquired from the patent proprietor by means of a license. That right shall extend to all acts referred to in the aforementioned Article and shall remain in force as long as the patent has effect, except where a less extensive right has been granted under the license.
- A license shall be created by an agreement, by an accepted testamentary disposition or, in accordance with Articles 57 and 58, by a decision taken by the Minister or by a court decision that has become res judicata. A license created by an agreement or an accepted testamentary disposition shall have effect vis-à-vis third parties after the ownership thereof has been entered in the patent register. For this entry a fee, to be set by administrative order, shall be due.
- Where the right to remuneration in respect of a license passes to another under Article 75(8) or Article 78(4), the successor in title shall be entitled to a part of the total remuneration paid or to be paid for the license in proportion to the period during which the license should continue to have effect under normal circumstances. If the amount still to be paid by the licensee is insufficient to provide the successor in title with that which he is due, the latter may seek redress for the shortfall from his predecessor.
Art. 57.–
- The Minister may, if he considers it in the public interest, grant a license under a patent, the contents of which shall be described precisely by him, to a person designated by him. Before giving his decision the Minister shall, unless this is incompatible with the urgency of the matter, ascertain whether the proprietor of the patent is willing to grant the license voluntarily and on reasonable terms. To this end, he shall give the patent proprietor an opportunity to express his sentiments on the matter in writing and, at his request, also orally. The decision shall be accompanied by a statement of reason and shall be posted or hand-delivered to the proprietor of the patent and the licensee. In his decision, the Minister may impose upon the licensee the obligation to provide security within a certain time limit. The lodging of an appeal as referred to in Article 81 shall have staying effect, unless the decision of the Minister provides otherwise in view of the urgency of the matter.
- If, after three years have elapsed since the grant of the patent, neither the proprietor of the patent nor any other person who has been granted a license operates an industrial establishment in the Kingdom or in another State to be designated by administrative order in which the product concerned is being made or where the process concerned is being applied in good faith and on a sufficient scale, the patent proprietor shall be obliged to grant the license needed for operating such an establishment unless valid reasons are shown to exist for the absence of such an establishment. This obligation shall be effective against the proprietor of a European patent if, after three years have elapsed since the date on which the mention of the grant of the European patent was published in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention, an industrial establishment as referred to above is not in operation in the Netherlands or in another State to be designated by administrative order.
- Paragraph (2) shall not apply if the patent proprietor or any other person who has been granted a license has an industrial establishment in operation in that part of the continental shelf contiguous to the Netherlands or Netherlands Antilles, or, where a European patent is concerned, contiguous to the Netherlands in which the Kingdom has sovereign rights, in which those acts referred to in that paragraph are performed in good faith and on a sufficient scale, provided that such acts are associated with and performed during the exploration for or recovery of natural resources.
- The patent proprietor shall be obliged at any time to grant a license required for the working of a patent granted in respect of an application which has the same or a later date of filing or, where a right of priority exists for the application, the same or later priority date, insofar as the patent for which the license is requested represents a considerable advance;2 the patent proprietor shall, however, only be obliged to grant a license required for the working of a European patent after the time limit for filing an opposition to the European patent has expired or after opposition proceedings thus instituted have been terminated. Such a license shall not extend further than is necessary for the application of the patented invention of the licensee. The latter shall be obliged to grant a reciprocal license under his patent to the proprietor of the other patent.
2 According to the TRIPS Agreement: “a considerable technical advance of considerable economic significance.”
Art. 58.–
- If the license referred to in Article 57(2) or (4) is unjustifiably withheld, the license shall be granted by the court on a claim by the interested party. At the request of the claimant, the Office shall enter the writ in the patent register.
- If a patent is granted on the basis of this Act, the claimant’s claim shall not be admitted if he does not append to his statement of claim the results of a report by the Office or the European Patent Office as referred to in the European Patent Convention concerning the state of the art with regard to the subject matter of the patent for which the license was claimed.
- The grant of a license claimed pursuant to Article 57(4), first sentence, may be suspended with or without a time limit if, within two months after service of the writ in which the license is claimed, a claim for the invalidation of the patent for which the license is claimed has been submitted.
- In the specification of the license granted the court may derogate from the licensee’s claims and can also require that the licensee provide security within a certain period. A license granted pursuant to Article 57(2) shall not be exclusive and shall not be transferable, even by sublicensing, otherwise than
together with the part of the company in which the license is being worked. A license granted pursuant to Article 57(4), first or third sentence, shall not expire because the patent on which the license is granted has lapsed on expiry of the period referred to in Article 33(5) or Article 36(5) or has been successfully claimed, but shall expire where the patent is partially or entirely invalidated as a result of the claim referred to in the third paragraph.
- A decision as referred to in Article 57(1) or a court decision having become res judicata shall be entered in the patent register by the Office. If security is to be provided, the entry shall not be made before that requirement has been met. A fee, the amount of which shall be determined by administrative order, shall be due for the entry. The license shall only come into effect after the entry, but shall subsequently also have effect with regard to persons who became entitled to the patent after the entry in the register of the writ referred to in paragraph (1). A registered license granted on the basis of Article 57(4) shall have retroactive effect to the date on which the writ was entered.
- On a claim by the most diligent party, in the absence of agreement, the court shall fix the remuneration that the licensee has to pay to the patent proprietor. The court may also require the licensee to provide security within a certain period, or confirm or change the security fixed by virtue of Article 57(1) or paragraph (5) of this Article.
7. For the application of Article 57 and this Article to Community patents pursuant to Articles 45 to 47 of the Community Patent Convention, “a European patent” should read: a Community patent; in the fourth paragraph of this Article, “the period referred to in Article 33(5) or Article 36(5)” should read: the period referred to in Article 63 of the European Patent Convention.
Art. 59.–
- In the interest of the defense of the Kingdom, and on a joint recommendation from the Minister directly concerned and the Minister, it may be provided by Royal Decree that the State shall be authorized to perform or cause others to perform acts, to be described precisely in the Decree, which the proprietor of a patent to be specified in said Decree has the exclusive right to perform, or cause others to perform, pursuant to Article 53. The authorization shall apply throughout the lifetime of the patent unless a shorter term has been specified in the Decree.
- Upon the entry into force of the Royal Decree, the Minister directly concerned shall determine, by agreement with the proprietor of the patent, the remuneration payable to the latter by the State. If the Minister directly concerned has not reached an agreement with the patent proprietor within six months from the date of the entry into force of said Decree, Article 58(6), with the exception of the provisions concerning the deposit of security, shall apply mutatis mutandis.
- In applying this Article to Community patents pursuant to Article 45 of the Community Patent Convention, in the first paragraph “acts ... which the proprietor of a patent to be specified in said Decree has the exclusive right to perform pursuant to Article 53” should read: acts ... which the proprietor of a patent to be specified by Royal Decree may prohibit third parties from performing pursuant to Article 25 of the Community Patent Convention.
Art. 60.–
1. Without prejudice to Article 56(2), first sentence, a license may be created by:
| a. | a decision of the Arbitration Committee referred to in Article 20 of the Treaty establishing the |
| European Atomic Energy Community (EURATOM) (Trb. 1957, 92); | |
| b. | a decision of the Minister pursuant to Article 21 of the aforementioned Treaty. |
- With respect to a license obtained by a final decision as specified in paragraph (1)(a), Article 56(2), second and third sentences, shall apply mutatis mutandis.
- With respect to a decision as referred to in paragraph (1)(b), Article 58(1) and (4) and (5), first, second and third sentences, shall apply mutatis mutandis. With respect to a license granted by virtue of such a decision, Article 58(5), fourth sentence, and (6) shall apply mutatis mutandis.
4. A license as referred to in paragraph (1) shall not be effective in the Netherlands Antilles.
Part 2
Annual Fee and Expiry of Patent
Art. 61.–
- In order to maintain the patent, an amount to be specified by administrative order must be paid every year to the Office, starting in the fifth year after the date referred to in Article 29(1), on the last day of the month in which the application resulting in the grant of a patent was filed or is deemed to have been filed pursuant to Article 28(1).
- With regard to maintenance of a European patent, an annual fee as mentioned in paragraph (1) must be paid to the Office, starting after the year referred to in Article 86(4) of the European Patent Convention has ended, on the last day of the month in which the filing date, under Article 80 of the European Patent Convention, of the European patent application that resulted in the grant of the patent fell in accordance with Article 61 or 76 of that Convention. If the fee falls due for the first time within a period of two months from the date of publication of the mention of the grant of the European patent in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention, the fee may be paid on the last day of the month in which this period expires.
- For payments after the due date an additional fee shall be due, the amount of which shall be set by administrative order.
Art. 62. A patent shall expire, as of right, when the amounts referred to in Article 61 are not paid within six calendar months of the due date mentioned in said Article. Any such expiry shall be recorded in the patent register of the Office.
Art. 63.–
1. A patent shall expire, wholly or in part, if the patent proprietor surrenders it wholly or in part.
2. Surrender shall occur by the registration of a deed to this effect in the patent register. The Office shall not register the deed as long as there are persons who, by virtue of documents entered in the patent register, have registered rights in the patent or have received licenses or have commenced legal proceedings concerning the patent, and these persons have not consented to the surrender.
Part 3
The Patent as an Object of Property
Art. 64.–
- The patent and the right to obtain a patent shall be assignable or otherwise transferable in full or joint ownership.
- The assignment and other transfer of the patent or of the right arising from the patent application may be the subject of an entry in the patent register. A fee to be set by administrative order shall be due for such an entry.
Art. 65.–
- The submission required for the assignment of the patent or the rights arising from a patent application shall be effected by means of a deed containing a declaration by the proprietor of the patent that he assigns the patent or the rights arising from the patent application to the assignee and a declaration of the assignee that he accepts the assignment.
- Any reservation relating to the assignment must be specified in the deed; in the absence of any such reservation, the assignment shall be deemed to be unrestricted.
- The assignment shall take effect vis-à-vis third parties only after an entry has been made concerning the deed in the patent register. Both parties shall be equally entitled to have the entry made in the register.
4. Article 88 of Book 3 of the Civil Code of the Netherlands shall apply.
Art. 66.–
- Where several persons are jointly entitled to the patent, their mutual relationship shall be governed by a mutual agreement between them.
- Where there is no agreement or where the agreement does not provide otherwise, any person entitled to the patent shall have the right to perform the acts referred to in Article 53 and to take action in accordance with Articles 70 to 73 against any such act, as well as against acts referred to in Article 73(1) and (2) performed by a non-entitled person, but a license or consent as referred to in Article 73(2) may only be granted with the common consent of the persons entitled to the patent.
- With regard to the payment of the fee referred to in Article 61, the persons entitled to the patent shall be severally liable.
Art. 67.–
- A pledge (see Art. 3:227 of the Civil Code of the Netherlands) on a patent shall be established by a deed and shall be effective against third parties only when entered in the patent register.
- The pledgee shall be required, by means of a declaration bearing his signature to be sent to the Office for registration, to elect domicile in The Hague. If domicile has not been elected in this way, the Office shall be deemed to be the elected domicile.
- Stipulations in the deed of pledge concerning the licenses to be granted after registration shall take effect, also vis-à-vis third parties, from their date of entry in the patent register. Stipulations concerning remuneration for licenses granted prior to registration shall take effect vis-à-vis the licensee after he has been served with a writ.
- An entry of deeds from which it appears that the right of pledge has ceased to exist or has ceased to have effect shall be made in the patent register.
Art. 68.–
- In the case of attachment of a patent, the writ of attachment shall be entered in the patent register and the provisions of the Code of Civil Procedure of the Netherlands concerning executory and conservatory attachment of real property shall apply mutatis mutandis, subject to the condition that in the writ of attachment a description of the patent shall be included instead of the nature and location of the real property.
- Alienation, encumbrance, the placing under management or the granting of a license taking effect after registration of the writ of attachment may not be invoked against the attaching creditor.
- License fees not paid prior to the entry of the writ of attachment shall be included, as of right, in the attachment of the patent after the licensee has been served with notice of the registered attachment. These fees must be paid to the notary on whose behalf the writ is served, provided that the licensee has been expressly notified hereof when being served with notice and subject to the rights of third parties which the notary must honor. Any money paid to the notary falls under the proceeds as referred to in Article 69(2). Articles 475i, 476 and 478 of the Code of Civil Procedure of the Netherlands shall apply mutatis mutandis.
4. The registration of the writ of attachment may be cancelled:
| a. | pursuant to a written declaration offered for registration by the bailiff that he is discontinuing |
| the attachment on the instructions of the attaching creditor, or that the attachment has expired; | |
| b. | pursuant to a court decision offered for registration lifting the attachment or which establishes |
| or involves the expiry of the attachment. |
5. Articles 504a, 507a, 538 to 540, 726(2) and 727 of the Code of Civil Procedure of the Netherlands shall apply mutatis mutandis to the attachment of a patent.
Art. 69.–
- The sale of a patent by a pledgee or attaching creditor for the purposes of recovering a claim shall take place in public before a qualified notary. Articles 508, 509, 513(1), 514(2) and (3), 515 to 519 and 521 to 529 of the Code of Civil Procedure of the Netherlands apply mutatis mutandis, with the proviso that their provisions concerning mortgages and mortgagees apply to the pledges on the patent and the pledgees.
- Articles 551 to 552 of the Code of Civil Procedure of the Netherlands shall apply mutatis mutandis to the distribution of the proceeds.
Part 4
Enforcement of the Patent
Art. 70.–
- The proprietor of a patent may enforce his patent vis-à-vis any person who, without being entitled to do so, performs any of the acts referred to in Article 53(1).
- The claim of the proprietor of a patent granted on the basis of this Act shall not be admissible in the proprietor’s legal action if he does not submit the search report on the state of the art with regard to the subject matter of the patent as drawn up by the Office or by the European Patent Office as mentioned in the European Patent Convention as an appendix to the statement of claim and at the hearing of summary proceedings.
- Damages may be claimed only from a person who performs such acts in the knowledge that he has no right to do so. In any event, a person shall be deemed to have such knowledge if the infringement is committed after the expiry of 30 days following the service of a writ stating that the patent is violated by the acts performed.
- Besides a claim for damages, the proprietor of a patent may seek to have the defendant ordered to surrender any profits derived from the infringement and to give an accounting of such profits; if the court determines, however, that the circumstances of the case do not justify such an order, it may order the defendant to pay damages.
- The proprietor of a patent may institute claims for damages or for the surrender of profits on behalf of himself and licensees or pledgees, or on behalf of licensees or pledgees only, without prejudice to the right of the latter parties to intervene in the claim brought by the proprietor of the patent, whether or not brought exclusively or also on their behalf, in order to obtain direct compensation for their damages or in order to be awarded a proportional share of the profits to be surrendered by the defendant. Independent claims may only be brought by licensees and pledgees, and writs as referred to in paragraph (3) may only be caused to be served with a view to such actions if they have been authorized by the proprietor of the patent.
- Where proceedings are brought for the enforcement of a patent relating to a process for the manufacture of a new product, it shall be assumed that the product in question has been manufactured using the patented process unless the defendant can establish the plausibility of the contrary. In the evaluation of whether or not a product is new, the terms of Article 4(3) and (4) shall not be taken into consideration.
Art. 71.–
- Subject to the provisions of paragraph (4), the proprietor of a patent may demand reasonable compensation from a person who, in the period between the registration of the application leading to the patent and the grant of the patent on that application or a divisional application pursuant to Article 28, has performed acts as referred to in Article 53(1), insofar as the patent proprietor has been granted exclusive rights for these acts.
- Subject to the provisions of paragraph (4), the proprietor of a patent may also demand reasonable compensation from any person who, after the grant of the patent as referred to in paragraph (1), has performed the acts referred to in that paragraph with regard to products that were put on the market during the period stipulated in that paragraph. The proprietor of the patent may demand similar compensation from any person who, after the grant of the patent, has used for the purposes of his business products as specified in Article 53(1)(a) or (b) that were manufactured in his business in the period referred to in paragraph (1).
- The compensation referred to in paragraphs (1) and (2) shall only be due for acts performed after the expiry of 30 days following the date on which the party concerned was informed, by means of a writ indicating precisely which part of the patent application relates to such acts, of the rights that belong to the proprietor of the patent by virtue of this Article.
- The rights that belong to the proprietor of a patent by virtue of this Article shall not extend to acts performed by a person entitled to do so by virtue of Article 55 or by agreement, nor shall it extend to acts with regard to products that were put on the market either prior to the registration of the patent application in question or thereafter by the applicant or a person entitled to do so as specified above.
Art. 72.–
- The proprietor of a European patent may, subject to the provisions of paragraph (4), demand reasonable compensation from any person who, in the period between the publication pursuant to Article 93 of the European Patent Convention of the application which has resulted in the grant of the patent and the publication, referred to in Article 97(4) of that Convention, of the mention of the grant of the European patent in respect of said application or in respect of a divisional application related thereto by virtue of Article 76 of said Convention, has performed acts as specified in Article 53(1) insofar as the proprietor of the patent has acquired the exclusive right thereto and such acts are within the scope of the last filed and published claims.
- Subject to the provisions of paragraph (4), the proprietor of a European patent may also demand reasonable compensation from any person who, after the publication referred to in paragraph (1) of the mention of the grant of the European patent, has performed acts as referred to in that paragraph with regard to products that were put on the market during the period stipulated in that paragraph. The proprietor of the patent may demand similar compensation from any person who, after the publication referred to in paragraph (1), has used for his business products as specified in Article 53(1)(a) or (b) that were manufactured in his business in the period referred to in paragraph (1).
- The compensation referred to in paragraphs (1) and (2) shall only be due for acts performed after the expiry of 30 days following the date on which the party concerned was informed by means of a writ of the right to which the proprietor of the patent is entitled by virtue of this Article. This writ, indicating precisely which part of the patent application relates to such acts, shall be accompanied by the notification of a translation into Dutch of the claims as contained in the publication of the European patent application in accordance with Article 93 of the European Patent Convention. If such translation was sent to the Office prior to the serving of the writ and an entry made in the patent register regarding it, notification of the translation may be omitted, provided that the writ makes a mention of the entry in the patent register.
- The right that belongs to the proprietor of a patent by virtue of this Article shall not extend to acts performed by a person entitled to do so by virtue of Article 55 or an agreement, nor shall it extend to acts with regard to products that were put on the market either prior to the publication of the application under paragraph (1) in accordance with Article 93 of the European Patent Convention, or thereafter by the applicant or a person entitled to do so as specified above.
- The Office shall provide as soon as possible for the entry in the patent register specified in paragraph (3).
- Paragraphs (3) and (5) shall apply mutatis mutandis with respect to claims for payments of reasonable compensation as provided in Article 32(1) of the Community Patent Convention.
Art. 73.–
- The proprietor of the patent may institute the claims at his disposal in enforcing his patent against any person who, in the Netherlands or Netherlands Antilles or, where a European patent is concerned, in the Netherlands, supplies or delivers to or for his business, in respect of an essential part of the invention, to persons other than those who by virtue of Articles 55 to 60 are empowered to work the patented invention, the means for the application of the patented invention in the Netherlands or Netherlands Antilles, or where a European patent is concerned, in the Netherlands, provided that that person knows, or that it is evident considering the circumstances, that those means are suitable and intended for that application.
- Paragraph (1) shall not apply if the supply or delivery takes place with the consent of the proprietor of the patent. That paragraph shall likewise not apply if the means delivered or offered are products which are generally available in commerce, unless the person involved incites the third party to whom he delivers to perform acts specified in Article 53(1).
3. Article 70(5) shall apply mutatis mutandis.
Art. 74.
The rights and obligations arising out of Articles 53 to 60 and 64 to 73 shall also apply in, on and above that part of the continental shelf contiguous to the Netherlands or the Netherlands Antilles—or, where a European patent is concerned, contiguous to the Netherlands—over which the Kingdom has sovereign rights, but exclusively to the extent that such acts are associated with and are performed during exploration for or the recovery of natural resources.
Chapter 5
Invalidation and Claiming Entitlement to the Patent
Art. 75.–
1. A patent shall be invalidated by the court where:
| a. | that for which the patent has been granted was unpatentable by virtue of the provisions of |
| Articles 2 to 7 or, where a European patent is concerned, by virtue of the provisions of | |
| Articles 52 to 57 of the European Patent Convention; | |
| b. | the patent specification does not contain a description of the invention which, in appropriate |
| cases with the application of Article 25(2), is sufficiently clear and complete to allow a person | |
| skilled in the art to work the invention; | |
| c. | the subject matter of the patent extends beyond the contents of the patent application as filed or |
| by the contents of the original patent application if the patent has been granted on a divisional | |
| or amended application or on a new European patent application filed pursuant to Article 61 of | |
| the European Patent Convention; | |
| d. | after the grant of the patent, the scope of protection has been extended; |
| e. | the proprietor of the patent was not entitled to it either by virtue of the provisions of Chapter 1 |
| of this Act or, where a European patent is concerned, by virtue of Article 60(1) of the European | |
| Patent Convention. |
- For the purposes of paragraph (1)(a), the state of the art referred to in Article 54(3) of the European Patent Convention shall also include the contents of patent applications under this Act which were filed on a date prior to the date of filing of the European patent application to which that paragraph applies and which were entered in the patent register pursuant to Article 31 on or after that date.
- Invalidation proceedings may be instituted under paragraph (1)(a) to (d) by any person, and under paragraph (1)(e) by a person who is entitled to the patent by virtue of the provisions specified therein. If the latter has been granted a patent for the relevant invention, the invalidation proceedings may also be instituted by licensees and pledgees.
- The writ shall be recorded in the patent register within eight days of its date of issue. Where the entry is not made in due time, the claimant shall be obliged to pay compensation for damages sustained by any persons who, after expiry of the time limit and prior to the making of the entry, acquired in good faith rights affected by the invalidation.
- A patent shall be deemed from the outset not to have had all or some of the effects specified in Articles 53, 71, 72 and 73 where the patent has been wholly or partially invalidated.
6. The retroactive effect of the invalidation shall not extend to:
- a.
- a decision, not being a provisional measure, relating to acts infringing the exclusive right of the proprietor of the patent referred to in Article 53 or relating to acts referred to in Articles 71, 72 and 73 which have become res judicata and have been enforced prior to the invalidation;
- b.
- any agreement concluded prior to the invalidation insofar as it has been implemented prior to the invalidation; on grounds of equity, repayment of sums paid under the agreement may be claimed to the extent justified by the circumstances.
- For the purposes of paragraph (6)(b), the conclusion of an agreement shall also be deemed to include a license created in another manner provided for in Article 56(2), 59 or 60.
- Where a patent is invalidated on the grounds of paragraph (1)(e), and the person who is entitled to the patent by virtue of the provisions referred to therein has obtained a patent for the relevant invention himself, licenses acquired in good faith in respect of the invalidated patent prior to the date on which the writ of invalidation was recorded in the register shall be deemed to be licenses under the existing patent. The proprietor of said patent shall be entitled pursuant to Article 56(3) to the fees due for the licenses. The proprietor of the invalidated patent who acted in good faith when filing his application or who obtained the patent in good faith from a previous proprietor prior to the date on which the writ of invalidation was registered shall, in relation to the subsisting patent, continue to have the right to work the invention in the manner specified in Article 55.
- As soon as a decision in invalidation proceedings has become res judicata or the proceedings have lapsed, an entry to this effect shall be made in the patent register at the request of the most diligent party.
Art. 76.–
- The action of a party seeking invalidation pursuant to Article 75 of a patent issued pursuant to this Act shall not be entertained if the party does not append to his statement of claim the results of an advisory report by the Office concerning the applicability of the grounds for invalidation as indicated in Article 75(1).
- The president of the District Court referred to in Article 80(2) may, in a summary proceeding, require any person arguing that a patent granted pursuant to this Act should be invalidated to submit an advisory report by the Office concerning the applicability of the grounds of invalidation as indicated in Article 75(1).
Art. 77.–
- Where a patent granted under this Act relates to an invention in respect of which a European patent or Community patent has been granted to the same inventor or his successor in title, and where the dates of filing or, as the case may be, the priority dates of the patent applications concerned are the same, the former patent, insofar as it protects the same invention as the European patent or the Community patent, shall cease to have the effects specified in Articles 53, 71 and 73 in the Netherlands as from the date on which:
- The expiry, for whatever reason, of the European patent or the Community patent at a later date shall not affect the provisions of the preceding paragraph.
- Proceedings to ascertain loss of rights as referred to in paragraph (1) may be instituted by any person.
| a. | the time limit laid down for filing notice of opposition to the European patent has expired without notice of opposition having been filed; |
| b. | the opposition procedure has been concluded, resulting in maintenance of the European patent; |
| or | |
| c. | the patent has been granted under this Act, if that date is later than the date referred to in subparagraph (a) or (b), as the case may be. |
4. Article 75(4), (8), first sentence, and (9) shall apply mutatis mutandis.
Art. 78.–
- An action claiming entitlement to a patent in whole, in part or in joint ownership may be instituted by any person who, under Articles 11, 12 or 13 or, where a European patent is concerned, under Article 60(1) of the European Patent Convention, is entitled to or is jointly entitled to the patent.
- 2. The writ claiming entitlement must be entered in the patent register.
- The proprietor of a patent who acted in good faith when filing his application, or who obtained the patent in good faith from a previous proprietor prior to the date on which the writ claiming entitlement was registered, shall continue, vis-à-vis the new proprietor, to have the right to work the invention in the manner specified in Article 55.
- Licenses obtained in good faith prior to the registration date shall continue to have effect vis-à-vis the new proprietor of the patent; the latter shall be entitled to compensation due for licenses pursuant to the provisions of Article 56(3).
- The provisions of paragraphs (3) and (4) shall not be applicable if the person who has successfully claimed entitlement to the patent previously claimed entitlement by filing a patent application himself and the writ claiming entitlement was entered in the patent register within three months from the date on which the patent was granted or, where a European patent is concerned, from the date on which, pursuant to Article 97(4) of the European Patent Convention, the mention of the grant of the European patent was published.
- Pledges established by a previous proprietor of the patent shall only be binding on the new proprietor of the patent if the rights were acquired in good faith and the pledge was established before the date on which the writ claiming entitlement was registered. They shall not be binding on the new proprietor in the event referred to in the preceding paragraph.
- The claim referred to in paragraph (1) shall lapse upon expiry of a period of two years from the date on which the patent was granted or, where a European patent is concerned, from the date on which, pursuant to Article 97(4) of the European Patent Convention, the mention of the grant of the European patent was published; such statute-barring may not, however, be invoked by a person who knew or ought to have known at the time of acquiring the patent that he, or the person who assigned the patent to him, was not entitled to it. Article 2006 of the Civil Code of the Netherlands Antilles shall not apply to this limitation.
- As soon as a decision on a claim to entitlement has become res judicata or the proceedings have lapsed, an entry to this effect shall be made in the patent register at the request of the most diligent party.
Art. 79.–
- Any person who deliberately infringes the rights of the patent proprietor by performing one of the acts specified in Article 53(1) shall be punished with imprisonment for no more than six months or a fine of the fourth category.
- Any person who makes a profession or a business of criminal acts as referred to in the preceding paragraph shall be punished with imprisonment for no more than four years or a fine of the fifth category.
3. The court may order publication of the judgment on sentencing.
- If any objects have been declared forfeit, the patent proprietor may require that these objects be surrendered to him, provided that he reports this to the clerk within a month of the judgment having become res judicata. Such surrender shall confer title to these objects on the patent proprietor. The court may declare that the surrender shall not take place or shall take place only after compensation, to be set by the court and paid by the patent proprietor, has been paid to the State.
- The criminal acts referred to in this Article shall be misdemeanors. In the Netherlands, the hearing of such misdemeanors in the first instance shall be exclusively within the jurisdiction of the District Court of The Hague.
Chapter 6 Disputes Concerning Patent Rights
Art. 80.–
1. The District Court of The Hague shall have exclusive jurisdiction in the first instance for:
| a. | actions to determine the absence of legal effect, the invalidation, or the loss of legal effect of a |
| patent or to determine claims to entitlement to a patent as referred to in Articles 10, 75, 77 and | |
| 78; | |
| b. | actions claiming entitlement to European patent applications; |
| c. | actions seeking the grant of licenses as referred to in paragraph (1) of Article 58; |
| d. | actions seeking the award of remuneration as referred to in Articles 58, 59 and 60. |
2. The District Court of The Hague, and the President of that Court in summary proceedings, shall have exclusive first-instance jurisdiction in the Netherlands with respect to:
- a.
- actions referred to in Articles 70, 71, 72 and 73;
- b.
- actions instituted by some person other than the proprietor of the patent to obtain a ruling that certain acts performed by him do not constitute infringement of a patent.
Art. 81.–
- Any person directly affected by a decision issued by virtue of this Act or provisions thereunder may appeal within one month of the issue of the decision concerned to the Court specified in Article 80. Article 4(4), second and third sentences, of the Act Concerning Administrative Jurisdiction (Stb. 1954, 416) shall apply.
- The Court may annul a decision referred to in paragraph (1), and decide on the consequences of the annulment in its judgment. The Court may rule that the Office or the Minister shall make, repeal or amend a decision in accordance with the judgment or shall take or refrain from action.
Art. 82. Authorized representatives shall be permitted to plead on behalf of the parties in the hearing of the disputes referred to in Articles 80 and 81 without prejudice to the responsibility of counsel.
Art. 83.–
- All disputes other than those specified in Articles 80 and 81 shall be brought before the court which has jurisdiction under the general rules governing the administration of justice.
- Proceedings instituted under the provisions of Article 12(6) shall be deemed to be proceedings relating to a contract of employment except where legal relationship between those involved is not determined by such a contract.
- Where it appears to the court that a decision on a matter in dispute may be affected by proceedings instituted or possibly to be instituted under Articles 10, 75, 77 or 78, the court may stay the proceedings relating to the matter in dispute, with or without setting a time limit. The court may also so act where a decision relating to such proceedings may be affected by proceedings instituted on different grounds.
- The court may stay proceedings relating to a dispute in respect of a European patent, with or without setting a time limit, where notice has been given to the European Patent Office of opposition to that patent by virtue of Article 99 of the European Patent Convention.
Art. 84.–
- Any person may request the Office in writing to provide an advisory report on the applicability of the grounds for invalidation specified in Article 75(1) to a patent granted on the basis of this Act.
- The request shall contain a reasoned indication of the objections derived from Article 75(1) to the granted patent concerning which an advisory report is requested.
3. Rules concerning the fee to be paid for an advisory report shall be enacted by administrative order.
Art. 85.–
- The Office shall give the petitioner indicated in Article 84 the opportunity to explain the objections made. The proprietor of the patent concerned shall be given the opportunity to respond to the objections at least once.
- The Office is authorized to set time limits within which the petitioner and patent proprietor must make their submissions.
- The advisory report referred to in Article 84 shall be issued as soon as possible, but no more than two months after the Office has been informed of the views of the petitioner and the patent proprietor, or, if the preceding paragraph is applicable, within two months of the expiration of the time limit set.
Art. 86. The advisory report referred to in Article 84 shall consist of a reasoned evaluation of the objections stated in the request.
Art. 87.–
- The Office shall be obliged to provide the court with all information and technical advice that it may require for a decision in legal proceedings subject to its jurisdiction concerning patents.
- Advice as referred to in paragraph (1) shall be equal in value to that of experts as referred to in Article 221 of the Code of Civil Procedure.
Art. 88. The Court referred to in Article 80 shall act as a central authority responsible for the receipt of letters rogatory and authorized to act on such letters from the European Patent Office, referred to in Article 99 of the Implementing Regulations to the European Patent Convention.
Art. 89. A separate copy of all court decisions rendered in patent matters shall be sent free of charge to the Office within one month by the clerk of the court which has rendered the judgment and, where a European patent is involved, also to the European Patent Office referred to in the European Patent Convention.
Chapter 7
Supplementary Protection Certificates
Art. 90. For the purposes of this Chapter, with the exception of Article 98 and the provisions based on it:
“Regulation” means Council Regulation (EEC) No. 1768/92 of June 18, 1992 Concerning the Creation of a Supplementary Protection Certificate for Medicinal Products (PbEG L 182); “basic patent” means a patent as indicated in Article 1(c) of the Regulation; “certificate” means a supplementary protection certificate as indicated in Article 1(d) of the Regulation.
Art. 91. The application for a certificate shall be filed at the Office.
Art. 92. Upon application for a certificate, proof must be provided that an amount, in accordance with a tariff to be set by decree, has been paid to the Office.
Art. 93. With reference to applications for a certificate, Articles 24(3), 26 and 38(1) of this Act shall apply mutatis mutandis.
Art. 94. If the provisions of Article 8 of the Regulation or Articles 92 and 93 of this Act are not satisfied, the Office shall so inform the applicant in writing within one month of the filing of the application for a certificate, stating the requirements which have not been met. Article 30(2) shall apply mutatis mutandis.
Art. 95. In order to maintain a certificate in force, an amount to be set by decree shall be paid to the Office each year as from the year in which the legal term of the basic patent has expired. This amount shall be paid no later than on the last day of the month in which the legal term of the basic patent has expired. Articles 61(3) and 62 of this Act shall apply mutatis mutandis.
Art. 96.–
- The notifications required by Articles 9(2), 11 and 16 of the Regulation shall be placed in the publication specified in Article 20 of this Act.
- The Office shall record the information specified in Articles 9(2), 11 and 16 of the Regulation in the patent register.
Art. 97. Articles 64 to 69 inclusive shall apply to certificates mutatis mutandis.
Art. 98. If a regulation other than that established by the Council of the European Communities concerning supplementary protection certificates mentioned in Article 90 is required in the interest of proper implementation, it shall take place by administrative order. This can provide for fees, insofar as is permitted under the regulation concerned.
Chapter 8
Special Provisions for the Netherlands Antilles
Art. 99. An industrial property office may be established in the Netherlands Antilles. That office shall be an institution of the country.
Art. 100.–
- Patent applications may be filed by residents of the Netherlands Antilles at the industrial property office established there.
- The date of filing of the application shall be deemed to be the date upon which the documents indicated in Article 29(1)(a), (b) and (c) are filed at the office concerned. Article 29(2) and (3) shall apply mutatis mutandis.
- After the office concerned has recorded the date referred to in paragraph (2) on the application, it shall send the application with all documents filed to the Office referred to in Article 1 as soon as possible, unless it is of the opinion that the filing does not meet the requirements specified in or by virtue of Articles 24 and 26.
- In the event referred to in paragraph (3), the office shall inform the applicant of the alleged deficiencies in writing, with the request that he remedy these deficiencies within a time limit to be set by the office. After expiry of that time limit, and regardless of whether or not the request has been fulfilled, the documents filed by the applicant, accompanied by a copy of the receipt issued to him, shall be sent by the office concerned to the Office referred to in Article 1 as soon as possible.
Chapter 9 Transitional and Final Provisions
Art. 101. The Patents Act of the Kingdom (last amended in 19873) is repealed with effect from a time to be set by Royal Decree.
Art. 102.–
| 1. | |
|---|---|
| a. | Patent applications filed prior to the entry into force of this Act and divisional patent |
| applications arising from these applications, | |
| b. | patents granted on the applications referred to in (a), above, and |
| c. | licenses under the patents referred to in (b), above, |
shall be governed exclusively by the provisions of the 1987 Act and provisions thereunder.
2.
- a.
- Patent applications filed after the entry into force of this Act, with the exception of the divisional patent applications referred to in paragraph (1)(a),
- b.
- patents granted on the applications referred to in (a), above, and
c. licenses under the patents referred to in (b), above, shall be governed exclusively by the provisions of this Act and provisions thereunder.
- This Act shall not apply to applications for certificates as referred to in Article 90 filed at the Office prior to the date upon which this Act enters into force.
- Articles 95 and 97 shall also apply to certificates granted on applications filed prior to the date upon which this Act enters into force.
Art. 103.–
- European patents the mention of the grant of which has been published in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention prior to the entry into force of this Act, and licenses under these patents, shall be governed exclusively by the provisions of the 1987 Act and provisions thereunder.
- European patents the mention of the grant of which has been published in accordance with Article 97(4) of the European Patent Convention after the entry into force of this Act, and licenses under these patents, shall be governed exclusively by the provisions of this Act and provisions thereunder.
Art. 104. Article 17A of the 1987 Act is amended as follows:
- In the first paragraph, “If the applicant” is replaced by: If the applicant or patent proprietor or the proprietor of a European patent.
- In the second paragraph, “payment, admissible after the due date, that has not been effected punctually,” is deleted.
3. In the third paragraph, “or, if it concerns a European patent, within the Netherlands” is added after “Kingdom” and in the sixth paragraph, “or has been maintained” is added after “has been granted”.
Art. 105. Article 22K, paragraph (1), of the 1987 Act shall read:
1. An application shall lapse if a request as referred to in Article 22J is not filed within one year of the entry into force of the 1995 Act.
Art. 106. Article 29Q of the 1987 Act is repealed.
Art. 107. In Article 54 of the 1987 Act, a new paragraph (3) is inserted after paragraph (2) and the former paragraph (3) is renumbered (4), said new paragraph (3) reading as follows:
3. Authorized representatives may plead on behalf of parties in proceedings for the settlement of the disputes referred to in paragraphs (1) and (2), without prejudice to the responsibility of counsel.
Art. 108.–
- By derogation from Article 102(1)(c), with respect to licenses, Articles 57(2) to (4) and 58 of this Act shall replace Article 34(2) to (9) of the 1987 Act.
- If, prior to the entry into force of this Act, a request is made for the grant of a license in accordance with Article 34(5) of the 1987 Act, the first paragraph shall not apply.
Art. 109. The state of the art, referred to in Article 4, shall also comprise the contents of patent applications filed before the entry into force of this Act, which are laid open to public inspection in accordance with Article 22C of the 1987 Act or which, if they were not laid open to public inspection, are published, in accordance with Article 25 of the 1987 Act, on or after the date referred to in Article 4(2).
Art. 110. If the matters provided for in this Act require further regulation in the interest of the proper implementation thereof, this may take place by administrative order.
Art. 111. This Act shall enter into force at a time to be set by Royal Decree, which may differ for the various articles or parts thereof.
Art. 112. This Act is to be referred to as the Patents Act of the Kingdom with the mention of the year of the Official Gazette in which it has been published.
Art. 113.–
1. This Act shall be binding on the Netherlands and, with the exception of Chapter 7, on the Netherlands Antilles 2. This Act is binding on Aruba only with respect to Articles 40 to 45, 59, 101, 102(1), 105, 108, 111 and 114. For the application of Articles 40 to 45 in Aruba, “Office” shall be defined as the Office for Intellectual Property of Aruba.
Art. 114. The common regulations provided for in this Act may be ended by Act in the Netherlands and by local enactment in the Netherlands Antilles and Aruba. With effect from the third calendar year following the year in which such an Act or local enactment is published, this shall acquire the status of a national Act in the Netherlands and of a local enactment in the Netherlands Antilles. The provisions of the previous sentences shall not apply to Articles 40 to 45 and Article 59.
3 Referred to as the 1987 Act.
Loi du Royaume sur les brevets (1995)* (du 13 décembre 1994)
TABLE DES MATIÈRES**
Articles
Chapitre 1er : Dispositions générales.................................................................................. 1 – 14
Chapitre 2 : Instruction des demandes de brevet Partie 1 : Dispositions générales.................................................................................. 15 – 23 Partie 2 : Délivrance du brevet .................................................................................... 24 – 39 Partie 3 : Obligation de tenir secret le contenu de certaines demandes de brevet........ 40 – 46 Partie 4 : Transformation des demandes de brevet européen....................................... 47 – 48
Chapitre 3 : Dispositions régissant les brevets européens et les brevets communautaires49- ................................................................................... 52
Chapitre 4 : Effets juridiques du brevet Partie 1 : Droits et obligations du titulaire du brevet ................................................... 53 – 60 Partie 2 : Taxe annuelle et expiration du brevet .......................................................... 61 – 63 Partie 3 : Le brevet comme objet de propriété............................................................. 64 – 69 Partie 4 : Défense du brevet......................................................................................... 70 – 74
Chapitre 5 : Annulation et revendication du brevet ......................................................... 75 – 79
Chapitre 6 : Contentieux des brevets ............................................................................... 80 – 89
Chapitre 7 : Certificats complémentaires de protection ................................................... 90 – 98
Chapitre 8 : Dispositions spéciales pour les Antilles néerlandaises................................. 99 – 100
Chapitre 9 : Dispositions transitoires et finales ............................................................... 101 – 114
Chapitre premier Dispositions générales
Art. premier. Dans la présente loi du Royaume et dans les dispositions prises en vertu de cette loi, on entend par :
«Convention sur le brevet européen» la Convention sur la délivrance de brevets européens signée à Munich le 5 octobre 1973 (Trb. 1975, 108 et 1976, 101);
«Convention sur le brevet communautaire» la Convention relative au brevet européen pour le Marché commun signée à Luxembourg le 15 décembre 1989 (Trb. 1990, 121);
«brevet européen» un brevet délivré en vertu de la Convention sur le brevet européen, s’il a été délivré pour le Royaume et s’il ne s’agit pas d’un brevet communautaire;
«brevet communautaire» un brevet au sens de l’article 2 de la Convention sur le brevet communautaire;
«demande de brevet européen» une demande de brevet européen au sens de la Convention sur le brevet européen;
«traité de coopération» le Traité de coopération en matière de brevets signé à Washington le 19 juin 1970 (Trb. 1973, 20);
«office» l’office de la propriété industrielle visé à l’article 4 de la loi du 25 avril 1963 (Stb. 221);
* Titre néerlandais : Rijksoctrooiwet 1995. Entrée en vigueur : 1er avril 1995, à l’exception des dispositions relatives à l’extension du droit de priorité et aux critères
applicables aux licences non volontaires, qui entreront en vigueur le 1 er janvier 1996. Source : communication des autorités néerlandaises. Note : traduction du Bureau international de l’OMPI.
** Ajoutée par l’OMPI.
NL020FR page 1/28
«registre des brevets» le registre visé à l’article 19 de la présente loi; «le ministre» le ministre des affaires économiques des Pays-Bas; «ressources naturelles» les ressources minérales et autres ressources non vivantes du fond marin et du
sous-sol, ainsi que les organismes vivants appartenant à des espèces sédentaires, c’est-à-dire les organismes qui, au moment où ils peuvent être récoltés, sont immobiles sur le fond de la mer ou dans son sous-sol ou sont incapables de se mouvoir s’ils ne sont pas en contact physique constant avec le fond de la mer ou avec le sous-sol.
Art. 2. – 1) Sont brevetables les inventions nouvelles, impliquant une activité inventive et susceptibles
d’application industrielle. 2) Ne sont pas considérées comme des inventions au sens de l’alinéa 1) : a) les découvertes ainsi que les théories scientifiques et les méthodes mathématiques; b) les créations esthétiques; c) les plans, principes et méthodes dans l’exercice d’activités intellectuelles, en matière de jeu ou
dans le domaine des activités économiques, ainsi que les programmes d’ordinateur; d) les présentations d’informations. 3) L’alinéa 2) ne s’applique qu’aux objets ou activités considérés en tant que tels.
Art. 3. Il n’est pas délivré de brevets pour : a) les inventions dont la publication ou la mise en œuvre seraient contraires à l’ordre public ou
aux bonnes mœurs; b) les variétés végétales ou les races animales ainsi que les procédés essentiellement biologiques
d’obtention de végétaux ou d’animaux et les produits obtenus par ces procédés, à l’exception des procédés microbiologiques sauf si ceux-ci sont interdits en vertu de la loi sur la santé et la protection des animaux.
Art. 4. – 1) Une invention est considérée comme nouvelle si elle n’est pas comprise dans l’état de la technique. 2) L’état de la technique est constitué par tout ce qui a été rendu accessible au public avant la date de
dépôt de la demande, par une description écrite ou orale, un usage ou tout autre moyen. 3) Est également considéré comme compris dans l’état de la technique le contenu des demandes
déposées antérieurement qui ont été inscrites au registre des brevets conformément à l’article 31 à la date visée à l’alinéa 2 ci-dessus ou à une date postérieure.
4) Est en outre considéré comme compris dans l’état de la technique le contenu des demandes de brevet européen et des demandes internationales au sens de l’article 158.1) et 2) de la Convention sur le brevet européen dont la date de dépôt, selon l’article 54.2) et 3) de ladite convention, est antérieure à la date mentionnée à l’alinéa 2) ci-dessus et qui ont été publiées à cette date ou à une date postérieure en vertu de l’article 93 de ladite convention ou de l’article 21 du Traité de coopération en matière de brevets, à condition que le Royaume soit désigné dans la demande publiée.
5) Nonobstant les dispositions des alinéas 1) à 4), les substances ou compositions comprises dans l’état de la technique peuvent être brevetées lorsqu’elles sont destinées à la mise en œuvre d’une des méthodes visées à l’article 7.2), à condition qu’une telle utilisation ne soit pas contenue dans l’état de la technique.
Art. 5. – 1) Pour l’application de l’article 4, la divulgation d’une invention n’est pas prise en considération si
elle n’est pas intervenue plus de six mois avant la date du dépôt de la demande et si elle résulte directement ou indirectement :
a) d’un abus évident à l’égard du déposant ou de son prédécesseur en droit ou b) du fait que le déposant ou son prédécesseur en droit a exposé l’invention dans des expositions
officielles ou officiellement reconnues au sens de la Convention concernant les expositions
NL020FR page 2/28
internationales signée à Paris le 22 novembre 1928 et révisée en dernier lieu par le Protocole du 30 novembre 1972 (Trb. 1973, 100), à condition que le déposant déclare, lorsqu’il dépose sa demande, que l’invention a été réellement exposée et qu’il en apporte la preuve dans le délai fixé par décret et conformément aux dispositions établies par décret.
2) La reconnaissance officielle des expositions aux Pays-Bas est accordée par le ministre. La reconnaissance des expositions aux Antilles néerlandaises est accordée par le gouvernement des Antilles néerlandaises.
Art. 6. Une invention est considérée comme impliquant une activité inventive si, pour un homme du métier, elle ne découle pas d’une manière évidente de l’état de la technique. Si l’état de la technique comprend des documents visés à l’article 4.3) et 4), ils ne sont pas pris en considération pour l’appréciation de l’activité inventive.
Art. 7. – 1) Une invention est considérée comme susceptible d’application industrielle si son objet peut être
fabriqué ou utilisé dans tout genre d’industrie, y compris l’agriculture. 2) Ne sont pas considérées comme des inventions susceptibles d’application industrielle au sens de
l’alinéa précédent les méthodes de traitement chirurgical ou thérapeutique du corps humain ou animal et les méthodes de diagnostic appliquées au corps humain ou animal. Cette disposition ne s’applique pas aux produits, notamment aux substances ou compositions, destinés à la mise en œuvre d’une de ces méthodes.
Art. 8. Sans préjudice des articles 11, 12 et 13, le déposant est réputé être l’inventeur et, à ce titre, la personne qui a droit au brevet.
Art. 9. – 1) Toute personne qui a régulièrement déposé, dans l’un des pays membres de l’Union internationale
pour la protection de la propriété industrielle1, conformément aux lois en vigueur dans le pays concerné ou conformément aux traités conclus entre plusieurs de ces pays, une demande de brevet ou de certificat d’utilité ou de protection d’un modèle d’utilité, jouit aux Pays-Bas et aux Antilles néerlandaises, pendant les 12 mois qui suivent le dépôt de cette demande, d’un droit de priorité aux fins de l’obtention d’un brevet pour l’objet auquel celle-ci se rapporte. La disposition qui précède s’applique mutatis mutandis à toute personne qui a déposé une demande de certificat d’inventeur si la législation en vigueur permet de choisir entre la délivrance d’un tel certificat ou celle d’un brevet.
2) Par demande au sens de l’alinéa 1), il faut entendre toute demande dont la date de dépôt peut être établie, quel que soit le sort ultérieur de cette demande.
3) Si la personne habilitée à le faire a déposé plus d’une demande pour le même objet, seule la première demande déposée sert de base à la revendication d’un droit de priorité. Une demande ultérieure de protection dans le même pays peut néanmoins servir de base à la revendication d’un droit de priorité à condition que, à la date du dépôt de la demande ultérieure, la demande antérieure ait été retirée, abandonnée ou rejetée sans avoir été soumise à l’inspection publique et sans laisser subsister de droits, et qu’elle n’ait pas servi de base à la revendication d’un droit de priorité. Si un droit de priorité fondé sur une demande ultérieure est invoqué, la demande antérieure ne peut plus servir de base à la revendication d’un droit de priorité.
4) Le droit de priorité a pour effet, aux fins de l’article 4.2), 3) et 4) et de l’article 6, que la demande pour laquelle ce droit existe est réputée avoir été déposée à la date du dépôt de la demande qui confère le droit de priorité.
5) Le déposant peut revendiquer plusieurs droits de priorité, même si ceux-ci proviennent de pays différents. La demande pour laquelle sont revendiqués un ou plusieurs droits de priorité peut comprendre également des éléments qui ne figuraient pas dans les revendications de la demande dont la priorité est revendiquée, à condition que les pièces de cette dernière demande indiquent de manière suffisamment précise le produit ou le procédé concerné.
1 A la fin de 1995, cette disposition sera étendue aux pays membres de l’Organisation mondiale du commerce.
NL020FR page 3/28
6) Toute personne qui veut revendiquer un droit de priorité doit le faire par écrit au moment du dépôt de la demande ou dans les trois mois qui suivent, en indiquant la date du dépôt de la demande sur laquelle elle se fonde ainsi que le pays dans lequel ou pour lequel celle-ci a été déposée; dans les 16 mois qui suivent le dépôt de la demande sur laquelle elle se fonde, elle doit indiquer le numéro de cette demande et en communiquer une copie en néerlandais, français, allemand ou anglais, ou en fournir à l’office une traduction dans l’une de ces langues, ainsi que, si cette personne n’est pas celle qui a déposé la demande dont la priorité est revendiquée, un document établissant ses droits. L’office peut exiger que la traduction visée dans la phrase précédente soit certifiée conforme.
7) Le droit de priorité est caduc si les dispositions de l’alinéa 6) ne sont pas respectées.
Art. 10. – 1) Si la priorité d’une demande de brevet déposée antérieurement en application de la présente loi est
revendiquée pour un brevet délivré conformément à la présente loi, le brevet délivré à la suite de cette demande ne produit aucun effet juridique pour autant qu’il concerne la même invention que l’autre.
2) Toute personne peut agir en déclaration de l’absence d’effets juridiques au sens de l’alinéa 1). 3) L’article 75.4), 8), première phrase, et 9) s’applique mutatis mutandis.
Art. 11. Le déposant n’a pas droit à un brevet lorsque le contenu de sa demande a été emprunté à ce qu’un tiers avait déjà fabriqué ou appliqué ou à des descriptions, dessins ou modèles appartenant à un tiers, sans le consentement de celui-ci. Ce tiers conserve le droit à un brevet dans la mesure où l’objet de l’emprunt est brevetable. Aux fins de l’application de l’article 4.3) et 4) à la demande déposée par la personne à qui un tel emprunt a été fait, la demande déposée par celui qui a fait l’emprunt n’est pas prise en considération.
Art. 12. – 1) Lorsque l’invention pour laquelle un brevet est demandé a été faite par une personne employée au
service d’un tiers, le droit au brevet appartient à l’employé, sauf si la nature de ses fonctions suppose qu’il utilise ses connaissances particulières à faire des inventions du genre de celle à laquelle se rapporte la demande de brevet. Dans ce dernier cas, le droit au brevet appartient à l’employeur.
2) Lorsque l’invention pour laquelle un brevet est demandé a été faite par une personne qui accomplit un travail pour le compte d’un tiers dans le cadre d’un stage de formation, le droit au brevet appartient à la personne pour le compte de qui le travail est accompli, sauf si l’invention est sans rapport avec la nature du travail fourni.
3) Lorsque l’invention a été faite par une personne qui effectue des recherches pour le compte d’une université, d’une école supérieure ou d’un institut de recherche, le droit au brevet appartient à l’université, à l’école supérieure ou à l’institut de recherche.
4) Aux fins de l’application de l’article 4.3) et 4) à l’objet d’une demande déposée par l’employeur visé à la dernière phrase de l’alinéa 1) ou par une personne qui offre le travail visé à l’alinéa 2), une demande déposée par une personne qui n’a pas droit au brevet n’est pas prise en considération.
5) Il peut être dérogé par accord écrit aux dispositions des alinéas 1), 2) et 3). 6) Lorsque le salaire, la prime pécuniaire ou le paiement spécial reçu par l’inventeur ne peut pas être
considéré comme dédommageant celui-ci de la perte du brevet, la personne qui a droit au brevet en vertu des alinéas 1), 2) et 3) est tenue de lui accorder une rémunération équitable qui tienne compte de la valeur pécuniaire de l’invention et des circonstances dans lesquelles elle a été faite. L’action ouverte à l’inventeur par cette disposition se prescrit par trois ans à compter de la date de la délivrance du brevet.
7) Toute stipulation contraire aux dispositions de l’alinéa 6) est nulle.
Art. 13. Si l’invention est faite par plusieurs personnes travaillant ensemble d’un commun accord, elles ont droit conjointement au brevet.
Art. 14. – 1) Toute personne qui a fait une invention pour laquelle un brevet est demandé mais qui, en
application de l’article 12.1), 2) ou 3) ou en vertu d’une convention avec le déposant ou ses prédécesseurs
NL020FR page 4/28
en droit, ne peut pas faire valoir un droit au brevet, a le droit d’être mentionnée comme inventeur dans le brevet.
2) Toute stipulation contraire aux dispositions de l’alinéa précédent est nulle.
Chapitre 2 Instruction des demandes de brevet
Partie 1 Dispositions générales
Art. 15. L’office est une institution des Pays-Bas. En ce qui concerne les brevets, il sert pour les Pays- Bas et les Antilles néerlandaises de dépôt central au sens de l’article 12 de la Convention de Paris pour la protection de la propriété industrielle du 20 mars 1883 révisée à Stockholm le 14 juillet 1967 (Trb. 1969, 144).
Art. 16. Si l’office est fermé le dernier jour d’un délai qui doit être observé, en vertu de la présente loi, par l’office ou à son égard, ce délai est prorogé, aux fins de la présente loi, jusqu’à la fin du premier jour ouvrable suivant.
Art. 17. – 1) L’office agit en tant qu’office récepteur au sens de l’article 2.xv) du traité de coopération et exerce
ses fonctions à ce titre conformément aux dispositions dudit traité. 2) Dans la mesure où le traité de coopération l’autorise, le montant et la date d’échéance des taxes qui
peuvent être perçues en vertu de ce dernier et de son règlement d’exécution sont fixés par décret. Des règles supplémentaires peuvent en outre être édictées par décret dans les matières pour lesquelles l’office récepteur est compétent en vertu du règlement d’exécution précité.
Art. 18. La désignation ou, le cas échéant, l’élection du Royaume dans une demande internationale au sens de l’article 2.vii) du traité de coopération est réputée signifier que le déposant demande un brevet européen.
Art. 19. – 1) L’office tient un registre dans lequel, en vertu de la présente loi, sont consignées les informations
relatives aux demandes de brevet et aux brevets. 2) Toute personne peut consulter librement et gratuitement ce registre. 3) Des règles plus détaillées relatives au registre pourront être édictées par décret; elles pourront
notamment subordonner l’inscription de mentions déterminées au paiement d’une certaine somme par la personne qui la demande.
4) Moyennant paiement des sommes fixées par décret, toute personne peut demander des renseignements écrits concernant le registre des brevets ou des extraits certifiés conformes du registre, des documents relatifs à une demande de brevet ou à un brevet inscrit au registre, ainsi que des copies de ces documents.
Art. 20. – 1) Toutes les mentions inscrites au registre des brevets sont aussi consignées dans un bulletin que
l’office publie périodiquement. 2) Les dispositions de l’alinéa 1) peuvent être complétées par décret.
Art. 21. – 1) Dès le moment où la demande de brevet est inscrite au registre des brevets, toute personne peut
consulter gratuitement tous les documents relatifs à la demande ou au brevet délivré à la suite de la demande et que l’office a reçus ou qu’il a envoyés au déposant ou à des tiers en application des dispositions de la
NL020FR page 5/28
présente loi. Dès que possible, mais pas avant l’inscription de la demande au registre des brevets, l’office publie une mention de ces documents dans le bulletin visé à l’article 20.
2) Les documents relatifs à une demande qui n’a pas encore été inscrite au registre des brevets ne peuvent être consultés qu’avec le consentement du déposant. Ils peuvent cependant être consultés sans le consentement du déposant si la personne qui le demande apporte la preuve que le déposant a invoqué contre elle les droits qui font l’objet de la demande. Cette disposition ne s’applique pas aux demandes de brevet visées dans la partie 3 du présent chapitre.
3) La déclaration par laquelle l’inventeur indique qu’il ne souhaite pas être mentionné en tant que tel dans le brevet ne peut pas être consultée.
Art. 22. Les personnes autorisées à agir en tant que mandataires agréés auprès de l’office des brevets peuvent à ce même titre représenter le déposant auprès de l’office. Les dispositions de l’article 18A de la loi du Royaume sur les brevets d’invention (modifiée en dernier lieu en 1987) s’appliquent également à l’exercice de la profession de mandataire auprès de l’office.
Art. 23. – 1) Le déposant, le titulaire d’un brevet ou le titulaire d’un brevet européen qui, bien qu’ayant pris
toutes les précautions exigées par les circonstances, a été empêché d’observer un délai à l’égard de l’office ou à l’égard de l’office visé à l’article 99 peut, sur requête, être rétabli dans ses droits par l’office si l’inobservation du délai en application de la présente loi a eu pour conséquence directe la perte d’un droit ou d’un moyen de recours.
2) L’alinéa 1) ne s’applique ni en cas d’inobservation du délai fixé à l’article 9.1) pour le dépôt de la demande de brevet, ni en cas d’inobservation du délai fixé à l’alinéa 3) ci-après.
3) La requête doit être déposée dès que possible, mais en tous cas au plus tard une année après l’expiration du délai qui n’a pas été observé. L’acte omis doit être accompli en même temps qu’est déposée la requête. Si le déposant ne réside pas sur le territoire du Royaume, il doit élire domicile auprès d’un mandataire agréé. Le dépôt de la requête est subordonné au paiement d’une somme, dont le montant est fixé par décret.
4) L’office fait mention au registre des brevets de la restauration des droits du déposant. 5) Toute personne qui, dans ou pour son entreprise, a commencé à fabriquer ou à exploiter ce qui, en
conséquence du rétablissement des droits, fait l’objet d’un brevet, ou qui a commencé à exécuter son intention de le faire, aux Pays-Bas ou aux Antilles néerlandaises ou, dans le cas d’un brevet européen, aux Pays-Bas, pendant la période comprise entre la perte d’un droit ou d’un moyen de recours et le rétablissement des droits, reste autorisée, nonobstant le brevet, à accomplir les actes visés à l’article 53.1).L’article 55.2) et 3) s’applique mutatis mutandis.
Partie 2 Délivrance du brevet
Art. 24. – 1) La demande de brevet doit être déposée par écrit auprès de l’office et doit : a) contenir les nom et adresse du déposant; b) contenir les nom et domicile de l’inventeur, sauf si celui-ci indique, par déclaration écrite jointe
à sa demande, qu’il ne souhaite pas être mentionné dans le brevet en tant qu’inventeur; c) contenir une requête en délivrance de brevet; d) indiquer de manière concise l’objet de l’invention; e) être accompagnée d’une description de l’invention comportant, dans une ou plusieurs
revendications placées à la fin, une définition de l’objet pour lequel un droit exclusif est demandé;
f) être accompagnée d’un abrégé de la description. 2) L’abrégé ne vaut qu’à titre d’information technique; il ne saurait servir à interpréter l’étendue de la
protection demandée, ni aux fins de l’application de l’article 4.3) ou de l’article 75.2).
NL020FR page 6/28
3) La demande et la description doivent être rédigées en néerlandais et signées par le déposant ou par la personne autorisée par écrit à le représenter.
4) La demande, la description, les dessins et l’abrégé doivent également respecter les autres formalités établies par décret.
5) La demande doit être accompagnée d’un document attestant qu’une somme d’un montant fixé par décret a été versée à l’office.
Art. 25. – 1) La description de l’invention doit être claire et complète; la définition figurant à la fin de celle-ci,
dans une ou plusieurs revendications, doit être précise. Au besoin, la description doit être accompagnée de dessins correspondants et être de nature à permettre à un homme du métier de comprendre l’invention et de l’appliquer.
2) Si une invention concernant un procédé microbiologique ou si un produit fabriqué à partir d’un tel procédé fait appel à un micro-organisme qui n’est pas accessible au public, doit en outre être déposée auprès d’une institution désignée par décret, au plus tard à la date de dépôt de la demande, une culture de l’organisme conforme aux prescriptions fixées par décret relatives à l’identification et à la mise à disposition du micro-organisme.
Art. 26. Si le déposant ne réside pas dans le Royaume, il est tenu d’élire domicile aux Pays-Bas auprès d’un mandataire agréé au sens de l’article 22.
Art. 27. La demande de brevet ne doit concerner qu’une seule invention ou un groupe d’inventions liées entre elles de manière à constituer un concept inventif unique. Des règles plus détaillées en la matière pourront être édictées par décret.
Art. 28. – 1) Le déposant peut diviser une demande déjà déposée en présentant une demande séparée pour une
partie de son contenu. Sauf aux fins des articles 30.1), 31.3) et 32.1), cette demande est réputée avoir été déposée à la date de dépôt de la demande initiale.
2) Le déposant peut modifier la description, les revendications et les dessins joints à la demande initiale.
3) L’objet de la demande divisionnaire ou modifiée doit être couvert par le contenu de la demande initiale.
4) La division ou la modification peut être faite jusqu’au moment où la demande de brevet doit être inscrite au registre des brevets conformément à l’article 31.1) ou 2).
5) Si le déposant a demandé une recherche sur l’état de la technique en application de l’article 32, la division ou la modification peut être faite jusqu’à deux mois après expédition de la notification visée à l’article 34.4) si ce délai expire après celui visé à l’alinéa 4). L’office peut, sur demande écrite et motivée du déposant, prolonger une fois ce délai pour une durée de deux mois.
Art. 29. – 1) La date de dépôt est la date à laquelle sont soumis : a) la requête en délivrance d’un brevet; b) les renseignements relatifs à l’identité du déposant; c) la description de l’invention et une ou plusieurs revendications, même ne respectant pas les
dispositions de l’article 24. 2) L’office inscrit la date visée à l’alinéa 1) et assigne un numéro d’ordre à la demande; il en donne
notification au déposant dès que possible par voie postale ou par remise en mains propres. 3) Si l’office estime que les documents déposés ne satisfont pas aux prescriptions de l’alinéa 1), il
refuse d’inscrire la date visée à cet alinéa. Il informe le déposant dès que possible, par voie postale ou par remise en mains propres, de sa décision et des motifs qui la fondent.
Art. 30. –
NL020FR page 7/28
1) Si les dispositions des articles 24 et 26 ne sont pas observées ou si la divulgation de l’invention au public devait être contraire à l’ordre public ou aux bonnes mœurs, l’office en informe le déposant par écrit dans un délai d’un mois à compter de la date de dépôt visée à l’article 29.1) ou, dans le cas d’une demande divisionnaire, dans le mois qui suit la date à laquelle cette demande a été déposée, en lui signalant les conditions qui ne sont pas remplies.
2) Si le déposant n’a pas régularisé sa demande dans les trois mois qui suivent l’envoi de la notification visée à l’alinéa 1) ou s’il a fait savoir qu’il n’entend pas la régulariser, l’office décide de ne pas instruire la demande. L’office informe le déposant dès que possible, par voie postale ou par remise en mains propres, de sa décision et des motifs qui la fondent.
Art. 31. – 1) L’office inscrit la demande de brevet au registre des brevets dès que possible après expiration d’un
délai de 18 mois à compter de : a) la date de dépôt visée à l’article 29.1), ou b) la première date de priorité s’il s’agit d’une demande pour laquelle un ou plusieurs droits de
priorité ont été revendiqués. 2) Sur requête écrite du déposant, l’enregistrement est effectué plus tôt. 3) Une demande divisionnaire déposée en vertu de l’article 28 est enregistrée dès que possible après
son dépôt, mais pas avant l’enregistrement de la demande initiale.
Art. 32. – 1) Dans un délai de 13 mois à compter de : a) la date de dépôt visée à l’article 29.1), ou b) s’il s’agit d’une demande pour laquelle un ou plusieurs droits de priorité ont été revendiqués, la
première date de priorité,
le déposant peut requérir que l’office effectue avant la délivrance du brevet une recherche sur l’état de la technique en ce qui concerne l’objet de la demande de brevet.
2) S’il s’agit d’une demande divisionnaire déposée en vertu de l’article 28, la requête prévue à l’alinéa 1) peut être présentée dans un délai de 13 mois à compter de la date de dépôt de la demande initiale visée à l’article 29.1) ou dans un délai de deux mois à compter du dépôt de la demande divisionnaire, si ce dernier délai expire plus tard.
3) La requête doit être présentée par écrit à l’office, accompagnée d’un document attestant le versement à l’office d’une somme correspondant au barème fixé par décret. Si ce document n’est pas soumis dans le délai prévu à l’alinéa 1), la requête n’est pas instruite.
4) Dès que possible après l’inscription de la demande de brevet au registre des brevets, l’office mentionne la requête visée à l’alinéa 1) dans le registre des brevets.
Art. 33. – 1) Si le déposant n’a pas présenté ladite requête dans le délai fixé à l’article 32.1) ou s’il a informé
l’office par écrit qu’il n’entend pas présenter une telle requête, l’office délivre le brevet dès que la demande de brevet a été inscrite au registre et en fait mention dans le registre.
2) Le brevet ne concerne que l’invention ou le groupe d’inventions au sens de l’article 27 qui est mentionné en premier lieu dans les revendications.
3) Le brevet est délivré par l’apposition d’une signature et d’une date sur la demande dans la forme où elle a été déposée ou modifiée en application des articles 28 ou 30.2).
4) L’office publie la description et les dessins joints à la demande sous la forme d’un mémoire descriptif et en fournit une copie certifiée conforme au déposant.
5) Sauf déchéance ou annulation par les tribunaux, un brevet délivré en vertu du présent article est valable six ans à compter de la date de dépôt visée à l’article 29.1).
Art. 34. –
NL020FR page 8/28
1) La recherche sur l’état de la technique visée à l’article 32.1) est effectuée par l’office, au besoin avec l’assistance de l’Office européen des brevets visé dans la Convention sur le brevet européen.
2) Sur requête du déposant, l’office soumet la demande à la recherche de type international prévue à l’article 15.5)a) du traité de coopération. Cette recherche est réputée constituer une recherche sur l’état de la technique au sens de l’article 32.1).
3) S’il apparaît lors de la recherche que la demande déposée ne satisfait pas aux dispositions de l’article 27, cette recherche est effectuée sur les éléments de la demande relatifs à l’invention ou au groupe d’inventions au sens de l’article 27 qui est mentionné en premier lieu dans les revendications.
4) L’office notifie par écrit au déposant les résultats de la recherche sur l’état de la technique. 5) Si l’alinéa 3) s’applique, l’office le mentionne dans la notification prévue à l’alinéa 4), en en
indiquant les raisons, et il précise l’invention ou le groupe d’inventions sur lequel a porté la recherche.
Art. 35. – 1) Si l’office estime que la recherche sur l’état de la technique ne peut être effectuée en raison du
manque de clarté des revendications contenues dans la demande, il en informe dès que possible le déposant par un avis écrit et motivé.
2) Si, dans un délai de deux mois à compter de l’envoi de l’avis visé à l’alinéa 1), il n’est pas remédié au défaut signalé, ou si le déposant fait savoir avant l’expiration de ce délai qu’il n’entend pas y remédier, l’office décide de ne pas instruire la demande. L’office communique dès que possible au déposant, par voie postale ou par remise en mains propres, sa décision et les motifs qui la fondent.
Art. 36. – 1) Si le déposant a requis une recherche sur l’état de la technique conformément à l’article 32.1),
l’office délivre le brevet dès que la demande de brevet a été inscrite au registre, mais au plus tôt deux mois – ou, si la deuxième phrase de l’article 28.5) s’applique, quatre mois – après l’expédition de la notification visée à l’article 34.4). Il en fait mention dans le registre des brevets.
2) L’article 33.3) et 4) s’applique. 3) Si l’article 34.3) s’applique, le brevet ne concerne que l’invention ou le groupe d’inventions au
sens de l’article 27 qui est mentionné en premier lieu dans les revendications. 4) Le rapport de recherche sur l’état de la technique est joint au mémoire descriptif du brevet. 5) Sauf déchéance ou annulation par les tribunaux, un brevet délivré en vertu du présent article est
valable 20 ans à compter de la date de dépôt visée à l’article 29.1).
Art. 37. – 1) Toute personne peut à tout moment requérir par écrit que l’office effectue une recherche sur l’état
de la technique concernant l’objet d’un brevet qu’il a délivré. 2) Si l’auteur de la requête indique précisément à quelle partie du brevet s’applique spécialement la
demande de recherche, la recherche est conduite conformément à la requête. 3) La requête doit être accompagnée d’un document attestant le versement à l’office d’une somme
correspondant au barème fixé par décret. Si ce document n’est pas fourni, la requête n’est pas instruite. 4) L’office notifie immédiatement au déposant toute requête présentée en application des dispositions
de l’alinéa 1) et en fait dès que possible mention au registre. 5) L’article 34.1), 3), 4) et 5) et l’article 35.1) s’appliquent mutatis mutandis.
Art. 38. – 1) Toute personne peut fournir par écrit à l’office des renseignements sur une demande de brevet ou
sur le brevet délivré à la suite de la demande. L’office transmet ces renseignements au déposant ou au titulaire du brevet s’ils ne proviennent pas de lui.
2) Si les indications concernant l’identité de l’inventeur visés à l’article 24.1)b) sont inexactes, ou si une personne autre que l’inventeur déclare que celui-ci ne souhaite pas être mentionné en tant que tel dans le brevet, le déposant et l’inventeur peuvent, par requête écrite conjointe, demander à l’office d’apporter au
NL020FR page 9/28
brevet les corrections nécessaires contre versement d’une somme fixée par décret. La requête doit le cas échéant être accompagnée du consentement écrit de la personne mentionnée à tort comme l’inventeur.
Art. 39. – 1) Le retrait d’une demande de brevet inscrite au registre des brevets est sans effets à l’égard des tiers
tant qu’aucune action en justice concernant la demande et introduite sur la base des documents inscrits au registre des brevets n’a donné lieu à une décision définitive.
2) Lorsque, en vertu d’une décision définitive rendue dans une action en justice introduite comme prévu à l’alinéa 1), le droit au brevet ou un droit conjoint au brevet appartient à une personne autre que le déposant, la demande est réputée ne pas avoir été retirée.
3) L’office fait mention du retrait au registre des brevets.
Partie 3 Obligation de tenir secret le contenu de certaines demandes de brevet
Art. 40. – 1) Lorsque l’office estime qu’il peut être dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés que
le contenu d’une demande de brevet soit tenu secret, il le notifie au déposant aussitôt que possible, mais au plus tard trois mois après la date du dépôt de la demande. Le ministre de la défense peut donner des indications à l’office sur l’existence d’un tel intérêt.
2) En même temps que la notification, l’office envoie au ministre précité une copie de cette dernière, ainsi qu’une copie de la description et des dessins se rapportant à la demande.
3) Si l’alinéa 1) s’applique, l’inscription de la demande au registre des brevets est suspendue.
Art. 41. – 1) Dans un délai de huit mois à compter du dépôt de la demande de brevet visée à l’article 40, le
ministre de la défense fait savoir à l’office si le contenu de la demande doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés.
2) L’avis positif communiqué en vertu de l’alinéa 1) a pour effet de suspendre l’inscription de la demande au registre des brevets pour une période de trois ans à compter de sa date. L’avis négatif met fin à la suspension. Le défaut de réponse est réputé constituer un avis négatif.
3) Le ministre précité peut proroger plusieurs fois le délai de suspension, au cours des six mois précédant son expiration, à chaque fois pour une période de trois ans, en avisant l’office que le contenu de la demande doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés.
4) Le ministre précité peut à tout moment faire savoir à l’office que le secret du contenu de la demande n’est plus nécessaire. Cette communication met fin à la suspension.
5) L’office informe sans retard le déposant de toute communication faite en vertu des alinéas 1), 3) ou 4). Il informe également sans retard le déposant de l’absence d’avis en vertu des alinéas 1) ou 3).
6) Pendant toute la durée de la suspension, l’office envoie au ministre précité, à sa requête, copie de toutes les pièces pertinentes échangées entre l’office et le déposant.
7) Lorsque la période de suspension prend fin, la demande n’est toutefois inscrite au registre des brevets qu’après écoulement d’un délai de trois mois, sauf demande contraire du déposant.
Art. 42. – 1) L’Etat accorde à toute personne dont la demande de brevet a donné lieu à l’application des
articles 40, 41 ou 46, à sa requête, une indemnité pour tout dommage qu’elle a subi de ce fait. 2) Le montant de l’indemnité est fixé après que la période de suspension a pris fin. Toutefois, si la
durée de la suspension a été prorogée en vertu de l’article 41.3), le montant de l’indemnité est versé, à la requête du déposant, sous forme de versements partiels, le premier pour la période précédant le point de départ de la première prorogation, le suivant pour l’intervalle entre deux prorogations successives, et le dernier pour la période allant du point de départ de la dernière prorogation jusqu’à la fin de la suspension; le montant de chaque versement est calculé à l’expiration de chaque période.
NL020FR page 10/28
3) Le montant de l’indemnité est déterminé si possible d’un commun accord entre le ministre de la défense et le déposant. A défaut d’accord dans les six mois suivant l’expiration de la période à laquelle se rapporte l’indemnité, la première phrase de l’article 58.6) s’applique mutatis mutandis.
Art. 43. – 1) Si le déposant présente une requête tendant à ce que que le contenu d’une demande de brevet soit
tenu secret dans l’intérêt de la défense d’un autre Etat, ou si le gouvernement de cet autre Etat présente une telle requête, et à condition que le déposant déclare par écrit renoncer à toute indemnisation pour le préjudice qu’il pourrait subir en raison de l’application du présent article, l’office envoie sans retard au ministre de la défense copie de la requête et de la description et des dessins qui s’y rapportent ainsi que de la déclaration de renonciation du déposant. Dans ce cas, l’inscription de la demande au registre des brevets est suspendue. L’office notifie sans retard au ministre de la défense l’absence de déclaration de renonciation.
2) Dans les trois mois suivant la date de présentation de la requête, le ministre de la défense peut, s’il lui paraît que l’Etat en question a également imposé le secret au déposant et l’a autorisé à déposer une demande tenue secrète, faire savoir à l’office que le contenu de la demande doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense de cet Etat.
3) La notification visée à l’alinéa 2) a pour effet de suspendre l’inscription de la demande au registre des brevets jusqu’à ce que le ministre de la défense fasse savoir à l’office que le secret du contenu de la demande n’est plus nécessaire. Le défaut de notification met fin à la suspension.
4) L’article 41.6) et 7) s’applique mutatis mutandis aux demandes visées à l’alinéa 1).
Art. 44. – 1) Si le ministre de la défense estime qu’il est dans l’intérêt de la défense du Royaume que l’Etat
utilise, mette en œuvre ou fasse utiliser ou mettre en œuvre l’objet d’une demande de brevet à laquelle s’appliquent les articles 40, 41 ou 43, il peut prendre des mesures à cette fin après en avoir donné notification au déposant. Cette notification doit contenir l’énumération précise des actes que l’Etat doit être en mesure d’accomplir ou de faire accomplir.
2) L’Etat verse au déposant une somme d’argent à titre d’indemnité pour l’utilisation ou la mise en œuvre de l’objet de la demande en vertu de l’alinéa 1).
3) Le montant de l’indemnité est déterminé si possible d’un commun accord entre le ministre de la défense et le déposant. A défaut d’accord dans les six mois suivant la date de la notification prévue à l’alinéa 1), la première phrase de l’article 58.6) s’applique mutatis mutandis.
Art. 45. Lorsqu’une demande de brevet appartient à l’Etat lui-même et que le ministre de la défense notifie à l’office que le contenu de cette demande doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés, l’inscription de la demande au registre des brevets est suspendue jusqu’à ce que le ministre de la défense fasse savoir à l’office que le secret du contenu de la demande n’est plus nécessaire.
Art. 46. – 1) Toute demande de brevet européen dont le déposant sait ou devrait raisonnablement supposer que
le contenu doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés doit être déposée auprès de l’office.
2) L’office envoie sans retard au ministre de la défense copie de la description et des dessins se rapportant à la demande.
3) Au plus tard trois semaines avant l’expiration du délai prévu à l’article 77.3) de la Convention sur le brevet européen, le ministre précité fait savoir à l’office si le contenu de la demande doit être tenu secret dans l’intérêt de la défense du Royaume ou de ses alliés.
4) Si l’avis prévu à l’alinéa 3) est négatif ou s’il n’a pas été fait, l’office transmet la demande de brevet européen, en respectant le délai prévu à l’article 77.3) de la Convention sur le brevet européen, à l’Office européen des brevets visé dans ladite convention.
5) L’office informe sans retard le déposant de toute communication faite en vertu de l’alinéa 3) ou de l’absence d’une telle communication.
NL020FR page 11/28
Partie 4 Transformation des demandes de brevet européen
Art. 47. Une demande de brevet européen qui satisfait aux dispositions de l’article 80 de la Convention sur le brevet européen et qui est réputée retirée en vertu de l’article 77.5) de ladite convention et a été présentée à l’office en annexe à une requête régulière en transformation en demande de brevet pour le Royaume, ci-après dénommée demande transformée, est considérée comme une demande de brevet au sens de l’article 24, adressée à l’office et déposée auprès de lui. La requête en transformation est régulière lorsqu’elle est présentée et transmise à l’office en temps opportun conformément aux dispositions de la huitième partie, chapitre I, de la Convention sur le brevet européen.
Art. 48. – 1) La date d’arrivée à l’office et un numéro d’ordre sont apposés sur la demande transformée. L’office
en informe le déposant dès que possible. 2) La preuve du paiement prévue à l’article 24.5) doit être fournie pour la demande transformée dans
un délai de trois mois à compter de la date d’arrivée visée à l’alinéa 1). Si la demande de brevet européen n’a pas été déposée en néerlandais, une traduction des pièces originales de cette demande doit être remise dans cette langue dans le même délai. Cette traduction fait partie de la demande transformée; elle doit être certifiée conforme sur invitation de l’office dans le délai imparti par celui-ci. S’il n’est pas satisfait en temps opportun aux dispositions du présent alinéa, l’office donne au déposant la possibilité de se mettre en règle dans un délai qu’il fixe. Si le déposant ne s’exécute pas dans ce délai, l’office décide de ne pas instruire la demande. Il notifie au déposant dès que possible, par voie postale ou par remise en mains propres, sa décision et les motifs qui la fondent.
3) Les conditions de forme prévues aux articles 24 et 26 ne sont pas applicables à la demande transformée dans la mesure où elles diffèrent de ce qui est prévu par la Convention sur le brevet européen ou y ajoutent; dans ce cas, ce sont les conditions prévues par la convention qui s’appliquent à la demande transformée.
4) Dès que le déposant a satisfait aux dispositions de l’alinéa 2), l’office vérifie si la demande est conforme aux dispositions des articles 24 et 26 ou, le cas échéant, aux dispositions de la Convention sur le brevet européen visées à l’alinéa 3); si tel n’est pas le cas, ou si la publication de l’invention devait être contraire à l’ordre public ou aux bonnes mœurs, l’office en donne notification par écrit au déposant dès que possible en indiquant les conditions qui ne sont pas remplies. L’article 30.2) s’applique mutatis mutandis.
5) Aux fins de l’application des articles 31.1), 32.1), 33.5), 36.5) et 61.1) à la demande de brevet transformée, l’expression «date de dépôt visée à l’article 29.1)» s’entend de la date de dépôt de la demande en application des dispositions de l’article 80 de la Convention sur le brevet européen, compte tenu des articles 61 ou 76 de ladite convention.
6) Il n’est procédé à l’inscription au registre des brevets conformément à l’article 31 que lorsqu’il a été constaté que les conditions de l’alinéa 4) sont remplies ou que les irrégularités ont été couvertes.
Chapitre 3 Dispositions régissant les brevets européens et les brevets communautaires
Art. 49. – 1) Conformément aux dispositions de la présente loi, les brevets européens produisent aux Pays-Bas
les mêmes effets et y sont soumis au même régime légal que les brevets délivrés en vertu de l’article 36 de la présente loi, à compter de la date de publication de la mention de la délivrance, conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen. A compter de cette même date, les brevets communautaires sont soumis aux Pays-Bas au même régime légal que les brevets délivrés en vertu de l’article 36 de la présente loi dans la mesure seulement où cela découle de la Convention sur le brevet communautaire.
2) Sauf déchéance ou annulation par les tribunaux, le brevet européen est valable 20 ans à compter de la date de dépôt attribuée à la demande de brevet européen qui a abouti à la délivrance de ce brevet européen
NL020FR page 12/28
en application de l’article 80 de la Convention sur le brevet européen, compte tenu des articles 61 ou 76 de ladite convention.
3) Aux fins de l’application au brevet européen des dispositions des articles 55.1), 57.4) et 77.1), la date de dépôt est réputée être la date de dépôt attribuée à la demande de brevet européen qui a abouti à la délivrance du brevet européen en application de l’article 80 de la Convention sur le brevet européen, compte tenu des articles 61 ou 76 de ladite convention.
Art. 50. – 1) Un brevet européen est réputé ne pas avoir produit dès le départ, en totalité ou en partie, les effets
juridiques visés aux articles 53, 72 et 73 s’il est totalement ou partiellement révoqué dans le cadre d’une procédure d’opposition.
2) La révocation n’a pas d’effet rétroactif sur : a) une décision, autre qu’une ordonnance provisoire, relative à des actes contraires au droi t
exclusif du titulaire du brevet visé à l’article 53, ou aux actes visés aux articles 72 et 73 qui, avant la révocation, avait acquis force de chose jugée et avait été exécutée.
b) un contrat conclu avant la révocation, dans la mesure où il a été exécuté avant la révocation; pour des raisons d’équité, le remboursement des versements effectués sur la base dudit contrat peut cependant être demandé dans la mesure justifiée par les circonstances.
3) Aux fins de l’application de l’alinéa 2)b), la conclusion d’un contrat est réputée comprendre aussi les autres modalités de constitution d’une licence prévues aux articles 56.2), 59 ou 60.
Art. 51. – 1) L’office inscrit sans retard au registre des brevets, conformément à l’article 97.4) de la Convention
sur le brevet européen, la mention de la délivrance d’un brevet européen. 2) L’office inscrit sans retard au registre des brevets toute notification d’opposition formée contre un
brevet européen, en indiquant la date de l’opposition et celle des décisions de l’Office européen des brevets y relatives.
Art. 52. – 1) Dans un délai fixé par décret, toute personne à qui un brevet européen a été délivré doit fournir à
l’office une traduction en néerlandais du texte dans lequel l’Office européen des brevets propose de délivrer le brevet. Elle est en outre tenue de payer une taxe dont le montant et le délai de paiement seront fixés par décret. La traduction doit être certifiée conforme par un mandataire en brevets. La traduction et la certification de la traduction doivent remplir les conditions de forme fixées par décret.
2) Si, à la réception dans le délai prévu à l’alinéa 1), les conditions de forme visées à la dernière phrase dudit alinéa ne sont pas remplies, l’office le notifie sans retard au titulaire du brevet en indiquant les conditions qui ne sont pas remplies et le délai qui lui est imparti pour se mettre en règle.
3) Dès réception de la traduction dans la forme requise, l’office en fait mention au registre des brevets.
4) Le brevet européen est réputé ne pas avoir produit dès le départ les effets juridiques visés à l’article 49 :
a) si, dans les délais visés à l’alinéa 1), l’office n’a pas reçu la traduction, ou si la taxe due en vertu de cet alinéa n’a pas été versée; ou
b) si, dans le délai visé à l’alinéa 2), les conditions indiquées ne sont toujours pas remplies. 5) Si l’une des circonstances prévues à l’alinéa 4) survient, l’office en fait mention sans retard au
registre des brevets. 6) Les alinéas 1) à 5) s’appliquent mutatis mutandis si le brevet européen a été modifié au cours de la
procédure d’opposition. 7) Le titulaire du brevet peut fournir à tout moment à l’office une traduction corrigée en versant une
taxe dont le montant sera fixé par décret. L’alinéa 1), troisième et quatrième phrases, et les alinéas 2) et 3) s’appliquent.
NL020FR page 13/28
8) Dès le moment où l’inscription visée à l’article 51.1) est faite au registre des brevets, toutes les pièces se rapportant au brevet européen reçues par l’office, envoyées par lui au titulaire du brevet européen ou communiquées à des tiers dans le cadre des dispositions de la présente loi, peuvent être consultées librement et gratuitement. L’office publie dès que possible, mais pas avant le moment visé dans la première phrase, la mention de toutes ces pièces dans le bulletin visé à l’article 20.
Chapitre 4 Effets juridiques du brevet
Partie 1 Droits et obligations du titulaire du brevet
Art. 53. – 1) Sous réserve des dispositions des articles 54 à 60, le brevet confère à son titulaire le droit exclusif : a) de fabriquer le produit breveté, de l’utiliser, de le mettre sur le marché ou de le revendre, de le
louer, de le livrer ou d’en faire le commerce d’une autre manière, dans ou pour son entreprise, ou de l’offrir, de l’importer ou de le détenir à l’une de ces fins;
b) d’appliquer le procédé breveté, dans ou pour son entreprise, ou, à moins qu’il ne s’agisse d’un produit qui ne peut pas faire l’objet d’un brevet en vertu de l’article 3, d’utiliser le produit obtenu directement par l’application du procédé breveté, de le mettre sur le marché ou de le revendre, de le louer, de le livrer ou d’en faire le commerce d’une autre manière, dans ou pour son entreprise, ou de l’offrir, de l’importer ou de le détenir à l’une de ces fins.
2) Le droit exclusif est déterminé par la teneur des revendications du brevet et la description et les dessins servant à les interpréter.
3) Le droit exclusif ne s’étend pas aux actes accomplis exclusivement à des fins expérimentales à l’égard de l’objet de l’invention brevetée, y compris du produit obtenu directement par l’application du procédé breveté. Le droit exclusif ne s’étend pas non plus à la préparation en pharmacie de médicaments destinés à un usage immédiat et délivrés individuellement sur ordonnance, ni aux actes liés aux médicaments ainsi préparés.
4) Si un produit visé à l’alinéa 1)a) ou b) a été licitement mis sur le marché sur le territoire des Pays- Bas ou des Antilles néerlandaises, ou sur le territoire des Pays-Bas s’il s’agit d’un brevet européen, ou s’il est licitement mis sur le marché sur le territoire de l’un des Etats membres de l’Union européenne ou d’un autre Etat partie à l’Accord sur l’Espace économique européen par le titulaire du brevet ou avec son consentement, l’acquéreur ou le détenteur ultérieur du produit ne viole pas le brevet en utilisant le produit, en le vendant, en le louant, en le livrant ou en en faisant le commerce d’une autre manière, dans ou pour son entreprise, ou en l’offrant, en l’important ou en le détenant à l’une de ces fins.
5) Le produit visé à l’alinéa 1)a) ou b), qui a été fabriqué par une entreprise avant la délivrance d’un brevet ou, s’il s’agit d’un brevet européen, avant la date de publication, conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen, de la mention de la délivrance du brevet européen, peut continuer à être utilisé au nom de cette entreprise nonobstant le brevet.
Art. 54. Le droit exclusif du titulaire du brevet ne s’étend pas a) à l’emploi, à bord de navires de pays étrangers, de l’objet de l’invention dans le corps du
navire, dans les machines, agrès, apparaux et autres accessoires, lorsque ces navires se trouvent temporairement ou accidentellement dans les eaux des Pays-Bas ou des Antilles néerlandaises, sous réserve que l’invention y soit employée exclusivement pour les besoins du navire;
b) à l’emploi de l’objet de l’invention dans la construction ou l’exploitation d’engins de locomotion aérienne ou terrestre de pays étrangers ou d’accessoires de ces engins, lorsque ceux-ci se trouvent temporairement ou accidentellement sur le territoire des Pays-Bas ou des Antilles néerlandaises;
NL020FR page 14/28
c) aux actes prévus à l’article 27 de la Convention de Chicago du 7 décembre 1944 relative à l’aviation civile internationale (Stb. 1947, H 165) lorsque ces actes concernent des aéronefs d’un Etat visé à la lettre c) dudit article autre que le Royaume ou Aruba.
Art. 55. – 1) Toute personne qui a déjà fabriqué ou appliqué ou commencé à exécuter son intention de fabriquer
ou d’appliquer, dans ou pour son entreprise, l’objet d’une demande de brevet déposée par autrui, sur le territoire des Pays-Bas ou des Antilles néerlandaises, ou sur le territoire des Pays-Bas s’il s’agit d’un brevet européen, à la date de dépôt de ladite demande ou, si le déposant a un droit de priorité en vertu de l’article 9.1) ou de l’article 87 de la Convention sur le brevet européen, à la date de dépôt de la demande conférant le droit de priorité, conserve nonobstant le brevet, en tant qu’utilisateur antérieur, le droit d’accomplir les actes visés à l’article 53.1), à moins qu’elle n’ait tiré ses connaissances de ce qu’avait déjà fabriqué ou appliqué le déposant ou des descriptions, dessins ou modèles du déposant.
2) L’alinéa 1) s’applique mutatis mutandis à la partie du plateau continental contiguë aux Pays-Bas ou aux Antilles néerlandaises – ou, s’il s’agit d’un brevet européen, contiguë aux Pays-Bas – sur laquelle le Royaume a des droits souverains, mais exclusivement dans la mesure où les actes en cause ont pour but la recherche ou l’exploitation de ressources naturelles et sont effectués dans le cadre de cette recherche ou de cette exploitation.
3) Le droit visé à l’alinéa 1) ne peut être transféré qu’avec l’entreprise. 4) Aux fins de l’application du présent article aux brevets communautaires conformément à
l’article 37 de la Convention sur le brevet communautaire, «brevet européen» s’entend d’un brevet communautaire.
Art. 56. – 1) Le droit d’accomplir des actes que l’article 53 interdit à toute personne autre que le titulaire du
brevet peut être transmis par le titulaire du brevet en vertu d’une licence. Ce droit s’étend à tous les actes visés à l’article précité et subsiste aussi longtemps que le brevet reste en vigueur, sauf si la licence accorde un droit plus limité.
2) Une licence est constituée par contrat, par disposition testamentaire acceptée ou, conformément aux articles 57 et 58, par décision du ministre ou par décision judiciaire ayant acquis force de chose jugée. La licence constituée par contrat ou disposition testamentaire acceptée est opposable aux tiers après l’inscription du titre au registre des brevets. Cette inscription est soumise au paiement d’une taxe fixée par décret.
3) Si le droit à rémunération pour une licence prévu par les articles 75.8) ou 78.4) est transmis, le nouvel ayant droit a droit à une partie du montant total de la rémunération payée ou devant être payée pour la licence, en proportion de la durée pendant laquelle la licence continuerait à produire ses effets dans des circonstances normales. Si le montant qui reste à payer par le preneur de licence n’est pas suffisant pour que le nouvel ayant droit obtienne ce qui lui revient, ce dernier peut réclamer ce qui manque à son prédécesseur en droit.
Art. 57. – 1) S’il estime que l’intérêt public l’exige, le ministre peut accorder sur un brevet, à une personne qu’il
désigne, une licence dont il définit exactement le contenu. Avant de prendre sa décision, le ministre s’assure, à moins que l’urgence ne s’y oppose, que le titulaire du brevet n’est pas disposé à accorder la licence volontairement et à des conditions raisonnables. A cette fin, il donne au titulaire du brevet l’occasion d’exprimer son point de vue à ce sujet par écrit et, si le titulaire du brevet le demande, également oralement. La décision est motivée et communiquée par voie postale ou remise en mains propres au titulaire du brevet et au preneur de licence. Dans sa décision, le ministre peut imposer au preneur de licence l’obligation de constituer une garantie dans un certain délai. La formation du recours visé à l’article 81 a un effet suspensif, à moins que la décision du ministre n’en dispose autrement en raison de l’urgence.
2) Si, après expiration d’un délai de trois ans à compter de la délivrance du brevet, ni le titulaire du brevet ni un preneur de licence n’exploite, sur le territoire du Royaume ou d’un autre Etat désigné par décret, un établissement industriel dans lequel le produit concerné est fabriqué ou le procédé en cause appliqué de bonne foi et sur une échelle suffisante, le titulaire du brevet est tenu d’accorder la licence
NL020FR page 15/28
nécessaire au fonctionnement d’un tel établissement, à moins qu’il n’existe des raisons valables à l’absence d’un tel établissement. Cette obligation existe à l’égard du titulaire d’un brevet européen si, à l’expiration d’un délai de trois ans à compter de la date de publication de la mention de la délivrance du brevet européen conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen, il n’exploite pas un établissement industriel comme il est dit ci-dessus aux Pays-Bas ou dans un autre Etat désigné par décret.
3) L’alinéa 2) ne s’applique pas si le titulaire du brevet ou un preneur de licence exploite, sur la partie du plateau continental contiguë aux Pays-Bas ou aux Antilles néerlandaises – ou, s’il s’agit d’un brevet européen, contiguë aux Pays-Bas – sur laquelle le Royaume a des droits souverains, un établissement industriel dans lequel sont accomplis de bonne foi et sur une échelle suffisante les actes visés audit alinéa, à condition que ces actes aient pour but la recherche ou l’exploitation de ressources naturelles et soient effectués au cours de cette recherche ou de cette exploitation.
4) Le titulaire du brevet a à tout moment l’obligation d’accorder la licence nécessaire à l’utilisation d’un brevet accordé à la suite d’une demande ayant la même date de dépôt ou une date de dépôt postérieure ou, s’il s’agit d’une demande bénéficiant d’un droit de priorité, ayant la même date de priorité ou une date de priorité postérieure, pour autant que le brevet pour lequel la licence est demandée représente un progrès considérable2; toutefois, le titulaire du brevet n’est tenu d’accorder une licence nécessaire à l’exploitation d’un brevet européen qu’après l’expiration du délai d’opposition à la délivrance du brevet européen ou après la clôture de la procédure d’opposition. Une telle licence ne doit pas s’étendre au-delà de ce qui est nécessaire à l’utilisation de l’invention brevetée du preneur de licence. Ce dernier doit accorder au titulaire de l’autre brevet une licence réciproque sur son brevet.
Art. 58. – 1) Si la licence visée à l’article 57.2) ou 4) est refusée sans juste motif, la licence est délivrée par le
tribunal sur demande de la partie intéressée. Sur requête du demandeur, l’office inscrit l’acte d’assignation au registre des brevets.
2) Si le brevet a été délivré sur le fondement de la présente loi, la demande est irrecevable si le demandeur ne joint pas à sa requête le rapport de l’office ou de l’Office européen des brevets visé dans la Convention sur le brevet européen relatif à l’état de la technique concernant l’objet du brevet pour lequel la licence a été demandée.
3) L’octroi d’une licence en vertu de l’article 57.4), première phrase, peut être suspendu pour une durée définie ou indéfinie si, dans les deux mois qui suivent la signification de l’acte d’assignation contenant la requête, est présentée une demande en annulation du brevet pour lequel la licence est demandée.
4) Dans les termes de la licence qu’il délivre, le tribunal peut écarter certaines demandes du preneur de licence et aussi demander à celui-ci de constituer une garantie dans un délai déterminé. La licence accordée en vertu de l’article 57.2) n’est pas exclusive et elle ne peut pas être transmise, même au moyen de sous-licences, autrement qu’avec la partie de l’entreprise dans laquelle elle est exploitée. La licence accordée en vertu de l’article 57.4), première ou troisième phrase, ne devient pas caduque du fait que le brevet sur lequel elle a été accordée a pris fin à l’expiration de la période prévue à l’article 33.5) ou à l’article 36.5) ou qu’il a été revendiqué avec succès, mais elle devient caduque si le brevet est annulé en tout ou en partie à la suite de la demande visée à l’alinéa 3).
5) La décision visée à l’article 57.1) ou la décision du tribunal ayant acquis force de chose jugée est inscrite par l’office au registre des brevets. Si une garantie doit être constituée, l’inscription n’est effectuée qu’après accomplissement de cette formalité. L’inscription est soumise au paiement d’une taxe dont le montant sera fixé par décret. La licence ne produit pas d’effet jusqu’à l’inscription, mais elle devient alors également opposable aux personnes qui ont obtenu un droit au brevet après l’inscription au registre de l’acte d’assignation visé à l’alinéa 1). Toute licence inscrite au registre et accordée en vertu des dispositions de l’article 57.4) rétroagit à la date d’inscription de l’exploit d’assignation.
6) A défaut d’accord entre les parties, le tribunal fixe, sur requête de la partie la plus diligente, le montant de la rémunération que le preneur de licence doit verser au titulaire du brevet. Le tribunal peut aussi
2 Aux termes de l’Accord sur les ADPIC, «un progrès technique important, d’un intérêt économique considérable».
NL020FR page 16/28
demander au preneur de licence de constituer une garantie dans un délai déterminé, ou confirmer ou modifier la garantie fixée en vertu de l’article 57.1) ou de l’alinéa 5) du présent article.
7) Aux fins de l’application de l’article 57 et du présent article aux brevets communautaires conformément aux articles 45 à 47 de la Convention sur le brevet communautaire, «brevet européen» s’entend d’un brevet communautaire; à l’alinéa 4) du présent article, «la période prévue à l’article 33.5) ou à l’article 36.5)» s’entend de la période visée à l’article 63 de la Convention sur le brevet européen.
Art. 59. – 1) Lorsque l’intérêt de la défense du Royaume l’exige, il peut être décidé par décret royal, sur
recommandation conjointe du ministre directement concerné et du ministre des affaires économiques, que l’Etat est habilité à accomplir ou faire accomplir certains actes, définis de manière précise dans le décret, que le titulaire du brevet désigné dans ledit décret a seul le droit d’accomplir ou de faire accomplir en vertu de l’article 53. Cette faculté reste ouverte pendant toute la durée de validité du brevet, à moins que le décret royal n’ait fixé une durée plus brève.
2) Après l’entrée en vigueur du décret royal, le ministre directement concerné s’entend avec le titulaire du brevet sur le montant de l’indemnité due à ce dernier par l’Etat. Si le ministre directement concerné ne parvient pas à un accord avec le titulaire du brevet dans un délai de six mois à compter de la date d’entrée en vigueur du décret, l’article 58.6) s’applique mutatis mutandis, à l’exception des dispositions concernant la constitution d’une garantie.
3) Aux fins de l’application du présent article aux brevets communautaires conformément à l’article 45 de la Convention sur le brevet communautaire, le membre de phrase «les actes... que le titulaire du brevet désigné dans ledit décret a seul le droit d’accomplir... en vertu de l’article 53» figurant à l’alinéa 1) doit s’entendre comme suit : «les actes que le titulaire du brevet désigné dans le décret royal a le droit d’interdire aux tiers conformément à l’article 25 de la Convention sur le brevet communautaire».
Art. 60. – 1) Sans préjudice de l’article 56.2), première phrase, une licence peut être accordée par a) décision du Comité d’arbitrage visé à l’article 20 du Traité instituant la Communauté
européenne de l’énergie atomique (EURATOM) (Trb. 1957, 92); b) décision du ministre prise en application de l’article 21 du traité précité. 2) L’article 56.2), deuxième et troisième phrases, s’applique mutatis mutandis à la licence accordée
par la décision définitive visée à l’alinéa 1)a). 3) L’article 58.1), 4) et 5), première, deuxième et troisième phrases, s’applique mutatis mutandis à la
décision visée à l’alinéa 1)b). L’article 58.5), quatrième phrase, et 6) s’applique mutatis mutandis à la licence accordée par une telle décision.
4) La licence visée à l’alinéa 1) est sans effet sur le territoire des Antilles néerlandaises.
Partie 2 Taxe annuelle et expiration du brevet
Art. 61. – 1) Le maintien en vigueur du brevet est subordonné au paiement d’une taxe annuelle, dont le montant
sera fixé par décret, et qui devra être payée à l’office à partir de la cinquième année suivant la date de dépôt visée à l’article 29.1), le dernier jour du mois au cours duquel la demande qui a abouti à la délivrance du brevet a été déposée ou est réputée avoir été déposée conformément aux dispositions de l’article 28.1).
2) Pour le maintien en vigueur d’un brevet européen, une taxe annuelle devra être payée à l’office comme prévu à l’alinéa 1), à partir de la fin de l’année visée à l’article 86.4) de la Convention sur le brevet européen, le dernier jour du mois où tombe la date de dépôt attribuée à la demande de brevet européen qui a abouti à la délivrance du brevet conformément à l’article 80 de la Convention sur le brevet européen, compte tenu des articles 61 et 76 de ladite convention. Si la taxe est due pour la première fois dans les deux mois qui suivent la date de publication de la mention de la délivrance du brevet européen conformément à
NL020FR page 17/28
l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen, elle peut être payée jusqu’au dernier jour du mois au cours duquel expire ce délai.
3) Le paiement après l’échéance est soumis au versement d’une surtaxe dont le montant est fixé par décret.
Art. 62. Le brevet expire automatiquement si les taxes visées à l’article 61 ne sont pas payées dans un délai de six mois à compter de la date d’échéance prévue audit article. L’expiration fait l’objet d’une inscription au registre des brevets de l’office.
Art. 63. – 1) Le brevet expire, en totalité ou en partie, si son titulaire y renonce en totalité ou en partie. 2) La renonciation est faite par l’enregistrement d’un acte à cet effet au registre des brevets. L’office
n’effectue pas l’enregistrement tant que les personnes qui, conformément aux pièces inscrites au registre des brevets, ont obtenu des droits sur le brevet ou des licences ou intenté des actions relatives au brevet, n’ont pas consenti à la renonciation.
Partie 3 Le brevet comme objet de propriété
Art. 64. – 1) Le brevet et le droit au brevet peuvent être cédés ou transmis de toute autre manière en pleine
propriété ou en copropriété. 2) La transmission du brevet ou du droit découlant de la demande de brevet, par cession ou autrement,
peut faire l’objet d’une inscription au registre des brevets. Cette inscription est soumise au paiement d’une taxe fixée par décret.
Art. 65. – 1) En cas de cession du brevet ou du droit découlant de la demande de brevet, la remise est opérée par
un instrument contenant une déclaration par laquelle le titulaire cède au cessionnaire le brevet ou le droit découlant de la demande de brevet, et une déclaration par laquelle le cessionnaire accepte la cession.
2) Toute réserve relative à la cession doit être indiquée dans l’instrument, faute de quoi la cession est réputée sans réserve.
3) La cession n’est opposable aux tiers qu’après l’inscription de l’instrument au registre des brevets. Les deux parties ont également le droit de faire procéder à cette inscription.
4) L’article 88 du livre 3 du Code civil des Pays-Bas s’applique.
Art. 66. – 1) Lorsque le brevet appartient conjointement à plusieurs personnes, leurs rapports réciproques sont
régis par convention entre elles. 2) A défaut de convention ou en l’absence de stipulation contraire, tout ayant droit peut effectuer les
actes prévus à l’article 53, et exercer les actions prévues aux articles 70 et 73 lorsque ces actes ainsi que les actes visés à l’article 73.1) et 2) sont effectués par une personne qui n’en a pas le droit; toutefois, la concession d’une licence ou le consentement visé à l’article 73.2) supposent le commun accord de tous les ayants droit au brevet.
3) Les ayants droit sont tenus solidairement au paiement des taxes prévues à l’article 61.
Art. 67. – 1) Le droit de gage sur un brevet (voir article 3:227 du Code civil des Pays-Bas) est constitué par un
écrit et il n’est opposable aux tiers qu’après son inscription au registre des brevets. 2) Le créancier gagiste est tenu d’élire domicile à La Haye par une déclaration signée et adressée à
l’office pour enregistrement. A défaut d’élection de domicile, l’office est réputé domicile élu.
NL020FR page 18/28
3) Les clauses du contrat de gage concernant la concession de licences après l’enregistrement sont également opposables aux tiers à compter de la date de leur inscription au registre des brevets. Les clauses relatives aux redevances à payer pour des licences accordées avant l’enregistrement sont opposables au preneur de licence après qu’elles lui ont été signifiées par exploit d’huissier.
4) Les écrits dont il ressort que le gage a cessé d’exister ou de produire ses effets font l’objet d’une inscription au registre des brevets.
Art. 68. – 1) En cas de saisie du brevet, le procès-verbal de saisie est inscrit au registre des brevets et les
dispositions du Code de procédure civile des Pays-Bas applicables aux saisies exécutoires et conservatoires de biens immobiliers s’appliquent mutatis mutandis, à condition que, dans le procès-verbal, les mentions relatives à la nature et à l’emplacement du bien immobilier soient remplacées par la désignation du brevet.
2) L’aliénation, la constitution de droits réels, la mise sous administration ou l’octroi d’une licence, prenant effet après l’inscription du procès-verbal de saisie, ne peut être opposé au créancier saisissant.
3) Les redevances de licence non payées avant l’inscription du procès-verbal de saisie sont comprises de plein droit dans les biens saisis, après notification de la saisie au preneur de licence. Ces redevances doivent être payées au notaire devant qui doit avoir lieu l’exécution, à condition qu’il en soit fait mention expressément dans la notification faite au preneur de licence et sous réserve des droits des tiers que le notaire est tenu d’honorer. Toute somme versée au notaire est comprise dans le produit au sens de l’article 69.2). Les articles 475.i), 476 et 478 du Code de procédure civile des Pays-Bas s’appliquent mutatis mutandis.
4) La mention du procès-verbal de saisie peut être radiée : a) en vertu d’une déclaration écrite de l’huissier, soumise à l’enregistrement, selon laquelle il
procède à la mainlevée de la saisie sur instruction du saisissant ou selon laquelle la validité de la saisie a expiré;
b) en vertu d’une décision des tribunaux soumise à l’enregistrement opérant mainlevée de la saisie, ou constatant ou entraînant l’expiration de la validité de la saisie.
5) Les articles 504a, 507a, 538 à 540, 726.2) et 727 du Code de procédure civile des Pays-Bas s’appliquent mutatis mutandis à la saisie d’un brevet.
Art. 69. – 1) La vente d’un brevet par le créancier gagiste ou le créancier saisissant en vue du recouvrement
d’une créance a lieu publiquement devant notaire. Les articles 508, 509, 513.1), 514.2) et 3), 515 à 519 et 521 à 529 du Code de procédure civile des Pays-Bas s’appliquent mutatis mutandis, étant entendu que leurs dispositions relatives aux hypothèques et aux créanciers hypothécaires s’appliquent aux gages grevant le brevet et aux créanciers gagistes.
2) Les articles 551 à 552 du Code de procédure civile des Pays-Bas s’appliquent mutatis mutandis à la répartition du produit de la vente.
Partie 4 Défense du brevet
Art. 70. – 1) Le titulaire du brevet peut défendre son droit contre toute personne qui effectue l’un quelconque
des actes visés à l’article 53.1) sans y être autorisé. 2) Le titulaire d’un brevet délivré en vertu de la présente loi n’est recevable en son action que s’il
joint à ses conclusions et présente à l’audience de référé le rapport de recherche sur l’état de la technique relatif à l’objet du brevet établi par l’office ou par l’Office européen des brevets mentionné dans la Convention sur le brevet européen.
3) Des dommages-intérêts ne peuvent être réclamés qu’à une personne qui effectue ces actes sciemment. Est toujours réputée avoir agi sciemment la personne qui commet la violation plus de 30 jours après avoir été avertie par exploit d’huissier que les actes constituent une violation du brevet.
NL020FR page 19/28
4) Outre des dommages-intérêts, le titulaire peut demander la restitution des bénéfices que le défendeur a retirés de la violation et la reddition des comptes; le tribunal peut néanmoins n’ordonner que le paiement de dommages-intérêts s’il estime que les circonstances de l’espèce ne justifient pas les sanctions demandées.
5) Le titulaire du brevet peut aussi agir en dommages-intérêts ou en restitution des bénéfices à la fois en son nom et au nom des preneurs de licences ou des créanciers gagistes, ou exclusivement au nom des preneurs de licences ou des créanciers gagistes, sans préjudice du droit de ceux-ci d’intervenir dans l’action intentée par le titulaire du brevet, qu’elle l’ait été exclusivement en leur nom ou partiellement en leur nom, en vue d’obtenir directement réparation de leur préjudice ou une part des bénéfices restitués par le défendeur. Les preneurs de licences et créanciers gagistes ne peuvent intenter une action indépendante et faire signifier les exploits visés à l’alinéa 3) en vue d’une telle action qu’avec l’autorisation du titulaire du brevet.
6) Lorsque l’action concerne un brevet de procédé pour la fabrication d’un nouveau produit, le produit litigieux est réputé avoir été fabriqué par application du procédé breveté, à moins que le défendeur n’apporte un commencement de preuve contraire. Dans l’appréciation de la nouveauté du produit, il n’est pas tenu compte du contenu des demandes de brevet mentionnées à l’article 4.3) et 4).
Art. 71. – 1) Sous réserve des dispositions de l’alinéa 4), le titulaire d’un brevet peut réclamer une indemnité
raisonnable à toute personne qui, au cours de la période comprise entre l’inscription au registre des brevets de la demande qui a abouti à la délivrance du brevet et la délivrance du brevet objet de cette demande ou d’une demande divisionnaire présentée en application de l’article 28, a effectué l’un des actes visés à l’article 53.1), pour autant qu’il ait obtenu le droit exclusif d’effectuer ces actes.
2) Sous réserve des dispositions de l’alinéa 4), le titulaire d’un brevet peut aussi réclamer une indemnité raisonnable à toute personne qui, après la délivrance du brevet visée à l’alinéa 1), a effectué l’un des actes visés audit alinéa à l’égard de produits mis sur le marché au cours de la période mentionnée dans cet alinéa. Le titulaire peut aussi réclamer une telle indemnité à toute personne qui, après la délivrance du brevet, a utilisé pour son entreprise des produits fabriqués dans son entreprise de la manière visée à l’article 53.1)a) ou b) au cours de la période mentionnée à l’alinéa 1).
3) L’indemnité visée aux alinéas 1) et 2) n’est due que pour les actes effectués après l’expiration d’un délai de 30 jours à compter de la date à laquelle la personne concernée a été avisée, par exploit d’huissier indiquant de manière précise la partie de la demande de brevet qui se rapporte à ces actes, du droit qui appartient au titulaire du brevet en vertu du présent article.
4) Le droit du titulaire du brevet découlant du présent article ne s’étend pas aux actes effectués par une personne habilitée en vertu de l’article 55 ou par convention, ni aux actes effectués à l’égard de produits mis sur le marché avant l’enregistrement de la demande de brevet en cause ou, ultérieurement, par le déposant ou une personne habilitée ainsi qu’il est dit plus haut.
Art. 72. – 1) Sous réserve des dispositions de l’alinéa 4), le titulaire d’un brevet européen peut réclamer une
indemnité raisonnable à toute personne qui, au cours de la période comprise entre la publication, conformément à l’article 93 de la Convention sur le brevet européen, de la demande qui a abouti à la délivrance du brevet, et la publication, prévue à l’article 97.4) de ladite convention, de la mention de la délivrance du brevet européen à la suite de cette demande ou d’une demande divisionnaire issue de cette demande en vertu de l’article 76 de ladite convention, a effectué l’un des actes visés à l’article 53.1), pour autant que le titulaire ait obtenu le droit exclusif d’effectuer ces actes et que ceux-ci entrent dans le champ des revendications publiées qui ont été déposées en dernier.
2) Sous réserve des dispositions de l’alinéa 4), le titulaire d’un brevet européen peut aussi réclamer une indemnité raisonnable à toute personne qui, après la publication de la mention de la délivrance du brevet européen visée à l’alinéa 1), a effectué l’un des actes visés audit alinéa à l’égard de produits mis sur le marché au cours de la période mentionnée dans cet alinéa. Le titulaire peut aussi réclamer une telle indemnité à toute personne qui, après la publication visée à l’alinéa 1), a utilisé pour son entreprise des produits fabriqués dans son entreprise de la manière visée à l’article 53.1)a) ou b) au cours de la période mentionnée à l’alinéa 1).
NL020FR page 20/28
3) L’indemnité visée aux alinéas 1) et 2) n’est due que pour les actes effectués après l’expiration d’un délai de 30 jours à compter de la date à laquelle la personne concernée a été avisée, par exploit d’huissier, du droit qui appartient au titulaire du brevet en vertu du présent article. L’exploit, qui doit indiquer de manière précise la partie de la demande de brevet qui se rapporte à ces actes, doit être accompagné de la notification d’une traduction en néerlandais des revendications qui figurent dans la publication de la demande de brevet européen conformément à l’article 93 de la Convention sur le brevet européen. Si cette traduction a été envoyée à l’office avant la signification de l’exploit et si elle a fait l’objet d’une mention au registre des brevets, la notification de la traduction peut être omise, à condition que l’inscription au registre soit signalée dans la signification.
4) Le droit du titulaire du brevet découlant du présent article ne s’étend pas aux actes effectués par une personne habilitée en vertu de l’article 55 ou par convention, ni aux actes effectués à l’égard de produits mis sur le marché avant la publication de la demande visée à l’alinéa 1) conformément à l’article 93 de la Convention sur le brevet européen, ou, ultérieurement, par le déposant ou une personne habilitée ainsi qu’il est dit plus haut.
5) L’office procède dès que possible à l’inscription au registre des brevets de la mention prévue à l’alinéa 3).
6) Les alinéas 3) et 5) s’appliquent mutatis mutandis aux demandes de paiement de l’indemnité raisonnable prévue à l’article 32.1) de la Convention sur le brevet communautaire.
Art. 73. – 1) Le titulaire du brevet peut intenter les actions qui lui sont ouvertes pour défendre son brevet contre
tout tiers qui, sur le territoire des Pays-Bas ou des Antilles néerlandaises ou, s’il s’agit d’un brevet européen, sur le territoire des Pays-Bas, offre ou livre, à son entreprise ou pour son entreprise, à une personne autre que celles habilitées en vertu des articles 55 à 60 à utiliser l’invention brevetée, des moyens se rapportant à un élément essentiel de l’invention, pour l’utilisation de celle-ci sur le territoire des Pays-Bas ou des Antilles néerlandaises ou, s’il s’agit d’un brevet européen, sur le territoire des Pays-Bas, dès lors que ce tiers sait ou qu’il est évident compte tenu des circonstances que ces moyens sont adaptés et destinés à cette utilisation.
2) L’alinéa 1) ne s’applique pas si l’offre ou la livraison est faite avec le consentement du titulaire du brevet. Cet alinéa ne s’applique pas non plus lorsque les moyens livrés ou offerts sont des produits qui se trouvent couramment dans le commerce, sauf si la personne intéressée incite le tiers à qui elle livre à effectuer les actes visés à l’article 53.1).
3) L’article 70.5) s’applique mutatis mutandis.
Art. 74. – 1) Les droits et obligations découlant des articles 53 à 60 et 64 à 73 s’appliquent également dans le
sous-sol, à la surface et au-dessus de la partie du plateau continental contiguë aux Pays-Bas ou aux Antilles néerlandaises – ou, s’il s’agit d’un brevet européen, contiguë aux Pays-Bas – sur laquelle le Royaume a des droits souverains, mais exclusivement dans la mesure où les actes en cause ont pour but la recherche ou l’exploitation de ressources naturelles et sont effectués dans le cadre de cette recherche ou de cette exploitation.
Chapitre 5 Annulation et revendication du brevet
Art. 75. – 1) Le brevet est annulé par le tribunal si a) l’objet pour lequel il a été délivré n’était pas brevetable en vertu des articles 2 à 7 ou, s’il s’agit
d’un brevet européen, en vertu des articles 52 à 57 de la Convention sur le brevet européen; b) le mémoire descriptif du brevet ne contient pas une description de l’invention qui, le cas
échéant avec application de l’article 25.2), soit suffisamment claire et complète pour permettre à un homme du métier d’exécuter l’invention;
NL020FR page 21/28
c) l’objet du brevet s’étend au-delà du contenu de la demande telle que déposée, ou de la demande initiale si le brevet a été délivré sur la base d’une demande divisionnaire ou modifiée ou d’une nouvelle demande de brevet européen déposée conformément à l’article 61 de la Convention sur le brevet européen;
d) la portée de la protection a été étendue après la délivrance du brevet; ou e) le titulaire du brevet n’avait pas le droit de l’obtenir soit en vertu du chapitre premier de la
présente loi, soit, s’il s’agit d’un brevet européen, en vertu de l’article 60.1) de la Convention sur le brevet européen.
2) Aux fins de l’application de l’alinéa 1)a), l’état de la technique mentionné à l’article 54.3) de la Convention sur le brevet européen comprend également le contenu des demandes de brevet déposées en vertu de la présente loi, dont la date de dépôt est antérieure à la date de dépôt de la demande de brevet européen en cause aux fins de l’application dudit alinéa, et qui n’ont été inscrites au registre des brevets qu’à cette date ou à une date postérieure conformément à l’article 31.
3) L’action en nullité peut être intentée, dans les cas prévus aux sous-alinéas a) à d) de l’alinéa 1), par toute personne et, dans le cas prévu au sous-alinéa e), seulement par la personne qui a droit au brevet en vertu des dispositions mentionnées à ce sous-alinéa. Si cette dernière personne a elle-même obtenu un brevet pour l’invention en cause, l’action en nullité peut aussi être intentée par les preneurs de licence ou créanciers gagistes.
4) L’exploit d’assignation est inscrit au registre des brevets dans les huit jours qui suivent sa date d’expédition, faute de quoi le demandeur devra indemniser le préjudice subi par toute personne qui aurait acquis de bonne foi, après l’expiration de ce délai et avant l’inscription, des droits affectés par l’annulation.
5) Un brevet est réputé avoir été dépourvu, dès l’origine, de tout ou partie des effets prévus aux articles 53, 71, 72 et 73 selon qu’il est annulé totalement ou en partie.
6) L’annulation n’a pas d’effets rétroactifs sur a) une décision, autre qu’une mesure provisoire, relative à des actes effectués en violation du droit
exclusif du titulaire du brevet prévu à l’article 53 ou à des actes visés aux articles 71, 72 et 73, qui a acquis force de chose jugée et a été exécutée avant l’annulation;
b) un contrat conclu avant l’annulation, dans la mesure où il a été exécuté avant celle-ci; pour des raisons d’équité, le remboursement des sommes versées en exécution du contrat peut être demandé dans la mesure où les circonstances le justifient.
7) Aux fins de l’alinéa 6)b), est également considérée comme conclusion d’un contrat la constitution d’une licence selon l’une des autres manières prévues aux articles 56.2), 59 ou 60.
8) Si un brevet est annulé en vertu de l’alinéa 1)e) et si la personne qui a droit au brevet en vertu des dispositions prévues audit alinéa a elle-même obtenu un brevet pour l’invention en cause, les licences portant sur le brevet annulé qui ont été obtenues de bonne foi avant la date de l’enregistrement de l’acte d’assignation sont considérées comme des licences sur le brevet existant et le titulaire dudit brevet a droit, conformément à l’article 56.3), aux redevances pour ces licences. Le titulaire du brevet annulé qui a, de bonne foi, déposé sa demande ou obtenu le brevet d’un titulaire antérieur avant la date d’enregistrement de l’acte d’assignation conserve le droit, à l’égard du brevet existant, d’utiliser l’invention de la manière prévue à l’article 55.
9) Dès qu’une décision relative à l’action en nullité a acquis force de chose jugée ou que l’instance est éteinte, mention en est faite au registre des brevets sur requête de la partie la plus diligente.
Art. 76. – 1) La personne qui, sur le fondement de l’article 75, demande l’annulation d’un brevet délivré en
vertu de la présente loi, n’est recevable en sa demande que si elle joint à ses conclusions un rapport consultatif de l’office sur l’applicabilité des motifs d’annulation visés à l’article 75.1).
2) Le président du tribunal d’arrondissement visé à l’article 80.2) peut ordonner en référé que toute personne demandant l’annulation d’un brevet délivré en vertu de la présente loi soumette un rapport consultatif de l’office sur l’applicabilité des motifs d’annulation visés à l’article 75.1).
Art. 77. –
NL020FR page 22/28
1) Lorsqu’un brevet délivré en vertu de la présente loi porte sur une invention pour laquelle un brevet européen ou un brevet communautaire a été délivré au même inventeur ou à son ayant cause et que les demandes de brevet correspondants ont la même date de dépôt ou, le cas échéant, la même date de priorité, le brevet délivré en vertu de la présente loi, dans la mesure où il protège la même invention que le brevet européen ou le brevet communautaire, cesse de produire aux Pays-Bas les effets mentionnés aux articles 53, 71 et 73, à compter de la date de
a) l’expiration du délai prévu pour former opposition à la délivrance du brevet européen sans qu’opposition ait été formée;
b) la clôture de la procédure d’opposition dont résulte le maintien en vigueur du brevet européen; ou
c) la délivrance du brevet en vertu de la présente loi, si cette date est postérieure à la date visée sous a) ou b), selon le cas.
2) L’extinction du brevet européen ou du brevet communautaire à une date ultérieure, quelle que soit la manière dont elle survient, est sans préjudice des dispositions de l’alinéa précédent.
3) L’action en constatation de la cessation des effets juridiques pour l’une des raisons visée à l’alinéa 1) peut être intentée par toute personne.
4) L’article 75.4), 8), première phrase, et 9) s’applique mutatis mutandis.
Art. 78. – 1) Le droit au brevet peut être revendiqué en totalité, en partie ou en copropriété par toute personne
qui a droit au brevet en totalité ou en partie en vertu des articles 11, 12 ou 13, ou, s’il s’agit d’un brevet européen, en vertu de l’article 60.1) de la Convention sur le brevet européen.
2) L’exploit d’assignation est inscrit au registre des brevets. 3) Le titulaire du brevet qui a, de bonne foi, déposé sa demande ou obtenu le brevet d’un titulaire
antérieur avant la date d’enregistrement de l’exploit d’assignation conserve, à l’égard du nouveau titulaire, le droit d’utiliser l’invention de la manière prévue à l’article 55.
4) Les licences obtenues de bonne foi avant la date de l’enregistrement restent opposables au nouveau titulaire du brevet; celui-ci a droit aux redevances pour ces licences en vertu des dispositions de l’article 56.3).
5) Les alinéas 3) et 4) ne s’appliquent pas si celui qui a revendiqué avec succès des droits au brevet avait préalablement fait valoir ses droits en déposant lui-même une demande de brevet et si l’acte d’assignation notifiant la revendication de ces droits avait fait l’objet d’une inscription au registre des brevets dans les trois mois suivant la délivrance du brevet ou, s’il s’agit d’un brevet européen, suivant la publication de la mention de la délivrance du brevet européen conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen.
6) Les droits de gage constitués par un titulaire antérieur du brevet ne sont opposables au nouveau titulaire que s’ils ont été obtenus de bonne foi et constitués avant la date d’inscription de l’exploit d’assignation. Ils ne sont pas opposables au nouveau titulaire dans le cas prévu à l’alinéa précédent.
7) L’action prévue à l’alinéa 1) se prescrit par deux ans à compter de la date de la délivrance du brevet ou, s’il s’agit d’un brevet européen, de la date de publication de la mention de la délivrance du brevet européen conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen; toutefois, celui qui savait ou qui aurait dû savoir, au moment où il a acquis le brevet, que lui-même ou la personne qui le lui a cédé n’y avait pas droit, ne peut pas invoquer cette prescription. L’article 2006 du Code civil des Antilles néerlandaises ne s’applique pas à cette prescription.
8) Dès qu’une décision relative à l’action en revendication d’un droit a acquis force de chose jugée ou que l’instance est éteinte, mention en est faite au registre des brevets sur requête de la partie la plus diligente.
Art. 79. – 1) Toute personne qui viole intentionnellement les droits du titulaire du brevet en effectuant l’un des
actes visés à l’article 53.1) est punie d’un emprisonnement n’excédant pas six mois ou d’une amende de quatrième catégorie.
NL020FR page 23/28
2) Toute personne qui commet les infractions susvisées à titre professionnel ou dans le cadre d’une activité commerciale est punie d’un emprisonnement n’excédant pas quatre ans ou d’une amende de cinquième catégorie.
3) Lorsqu’il prononce la condamnation, le tribunal peut ordonner la publication du jugement. 4) Si des objets ont été confisqués, le titulaire du brevet peut demander qu’ils lui soient remis, à
condition qu’il en informe le greffier dans un délai d’un mois à compter du jugement ayant acquis force de chose jugée. La remise emporte transfert de la propriété des objets au titulaire du brevet. Le tribunal peut décider que cette remise n’aura pas lieu ou n’aura lieu qu’après paiement d’une indemnité qu’il fixe et que le titulaire du brevet doit verser à l’Etat.
5) Les infractions visées au présent article sont des délits. Le Tribunal d’arrondissement de La Haye est seul compétent en première instance pour connaître de ces délits aux Pays-Bas.
Chapitre 6 Contentieux des brevets
Art. 80. – 1) Le Tribunal d’arrondissement de La Haye est seul compétent en première instance pour connaître : a) des actions en constatation de l’absence d’effets juridiques, en nullité, en constatation de la
cessation d’effets juridiques ou en revendication d’un brevet visées aux articles 10, 75, 77 et 78;
b) des actions en revendication de demandes de brevets européens; c) des actions aux fins d’obtenir une licence visées à l’alinéa 1) de l’article 58; d) des actions en indemnisation prévues aux articles 58, 59 et 60. 2) Le Tribunal d’arrondissement de La Haye et, en référé, le président de ce tribunal, sont seuls
compétents en première instance aux Pays-Bas pour connaître : a) des actions visées aux articles 70, 71, 72 et 73; b) des actions engagées par une personne autre que le titulaire du brevet aux fins de faire constater
que certains actes effectués par elle ne violent pas un brevet.
Art. 81. – 1) Toute personne dont les intérêts sont directement affectés par une décision rendue en vertu de la
présente loi peut, dans le mois qui suit l’expédition de la décision en cause, former un recours devant le tribunal visé à l’article 80. L’article 4.4), deuxième et troisième phrases de la loi concernant la justice administrative (Stb. 1954, 416) s’applique.
2) Le tribunal peut annuler la décision visée à l’alinéa 1) et préciser dans son jugement les effets qu’emporte l’annulation. Il peut décider que l’office ou le ministre devra rendre, abroger ou modifier une décision conformément au jugement, ou prendre ou s’abstenir de prendre certaines mesures.
Art. 82. Les mandataires agréés peuvent plaider au nom des parties aux instances concernant les litiges visés aux articles 80 et 81, sans préjudice de la responsabilité de l’avocat.
Art. 83. – 1) Tous les litiges autres que ceux mentionnés aux articles 80 et 81 sont du ressort du tribunal
compétent en vertu des dispositions générales sur l’administration de la justice. 2) Les actions fondées sur les dispositions de l’article 12.6) sont réputées être des actions relatives à
un contrat de travail, sauf si les rapports juridiques existant entre les parties ne sont pas régis par un tel contrat.
3) Lorsqu’il constate que la solution du litige risque d’être influencée par une action qui a été ou pourra être intentée en vertu des articles 10, 75, 77 ou 78, le tribunal peut suspendre la procédure, en fixant ou non un délai. Il peut aussi le faire lorsque la décision relative à une telle action risque d’être influencée par une action reposant sur des motifs différents.
NL020FR page 24/28
4) Le tribunal peut suspendre la procédure relative à un litige concernant un brevet européen, en fixant ou non un délai, lorsqu’opposition a été formée à la délivrance de ce brevet auprès de l’Office européen des brevets en vertu de l’article 99 de la Convention sur le brevet européen.
Art. 84. – 1) Toute personne peut demander à l’office, par requête écrite, de fournir un avis sur l’applicabilité
des motifs d’annulation visés à l’article 75.1) à un brevet délivré sur le fondement de la présente loi. 2) La requête doit contenir l’indication motivée des objections tirées de l’article 75.1) qui sont élevées
contre le brevet pour lequel un avis est demandé. 3) Les règles concernant la taxe à verser pour un avis sont fixées par décret.
Art. 85. – 1) L’office donne au requérant visé à l’article 84 la possibilité d’expliquer ses objections. Le titulaire
du brevet doit pouvoir répondre aux objections au moins une fois. 2) L’office peut impartir au requérant et au titulaire du brevet un délai pour présenter leurs arguments. 3) L’avis visé à l’article 84 doit être soumis dès que possible, mais au plus tard deux mois après que
l’office a pris connaissance de la position du requérant et de celle du titulaire du brevet ou, si l’alinéa précédent s’applique, dans les deux mois qui suivent l’expiration du délai imparti.
Art. 86. L’avis visé à l’article 84 consiste en une évaluation motivée des objections énoncées dans la requête.
Art. 87. – 1) L’office est tenu de fournir au tribunal tous renseignements et avis techniques que celui-ci peut
requérir pour statuer sur une demande dont il est saisi en matière de brevets. 2) Les avis mentionnés à l’alinéa 1) ont la même valeur que ceux des experts visés à l’article 221 du
Code de procédure civile.
Art. 88. Le tribunal visé à l’article 80 est l’autorité centrale chargée de recevoir des commissions rogatoires émanant de l’Office européen des brevets, qui sont visées à l’article 99 du Règlement d’exécution de la Convention sur le brevet européen, et ayant compétence pour exécuter lesdites commissions rogatoires.
Art. 89. Copie de tous les jugements prononcés par un tribunal en matière de droit des brevets est envoyée gratuitement dans un délai d’un mois par le greffier du tribunal qui a rendu le jugement, à l’office et, s’il s’agit d’un brevet européen, à l’Office européen des brevets visé dans la Convention sur le brevet européen.
Chapitre 7 Certificats complémentaires de protection
Art. 90. Aux fins du présent chapitre, à l’exception de son article 98 et des dispositions fondées sur ce dernier, on entend par :
– «règlement» le Règlement (CEE) no 1768/92 du Conseil des Communautés européennes du 18 juin 1992 concernant la création d’un certificat complémentaire de protection pour les médicaments (PbEGL 182);
– «brevet de base» le brevet visé à l’article premier, alinéa c), du règlement; – «certificat» le certificat complémentaire de protection visé à l’article premier, alinéa d), du
règlement.
Art. 91. La demande de certificat est déposée auprès de l’office.
Art. 92. Au moment de la demande de certificat, il convient de fournir la preuve qu’une somme correspondant à un barème fixé par décret a été versée à l’office.
NL020FR page 25/28
Art. 93. Les articles 24.3), 26 et 38.1) de la présente loi s’appliquent mutatis mutandis aux demandes de certificat.
Art. 94. S’il n’est pas satisfait aux dispositions de l’article 8 du règlement ou des articles 92 et 93 de la présente loi, l’office en informe le déposant par écrit dans un délai d’un mois à compter de la date de dépôt de la demande de certificat, en lui signalant les conditions qui ne sont pas remplies. L’article 30.2) s’applique mutatis mutandis.
Art. 95. Le maintien en vigueur du certificat complémentaire de protection est subordonné, à partir de l’année au cours de laquelle la durée légale du brevet de base a pris fin, au versement à l’office d’une taxe annuelle dont le montant sera fixé par décret. Cette taxe est due au plus tard le dernier jour du mois au cours duquel la durée légale du brevet de base a pris fin. Les articles 61.3) et 62 de la présente loi s’appliquent mutatis mutandis.
Art. 96. – 1) Les notifications requises aux articles 9.2), 11 et 16 du règlement sont faites dans le bulletin visé à
l’article 20 de la présente loi. 2) L’office inscrit au registre des brevets les renseignements visés aux articles 9.2), 11 et 16 du
règlement.
Art. 97. Les articles 64 à 69 s’appliquent mutatis mutandis aux certificats.
Art. 98. Si des règles plus détaillées que celles du règlement du Conseil des Communautés européennes concernant les certificats complémentaires de protection visé à l’article 90 sont nécessaires dans l’intérêt d’une bonne exécution, elles sont édictées par décret. Ce décret peut contenir des dispositions relatives aux taxes dans la mesure autorisée par le règlement.
Chapitre 8 Dispositions spéciales pour les Antilles néerlandaises
Art. 99. Un office de la propriété industrielle peut être établi aux Antilles néerlandaises. Cet office est une institution de ce pays.
Art. 100. – 1) Les personnes résidant aux Antilles néerlandaises peuvent déposer leurs demandes de brevet auprès
de l’office de la propriété industrielle qui y est établi. 2) La date de dépôt de la demande est réputée être la date à laquelle les documents indiqués à
l’article 29.1)a), b) et c) sont déposés à l’office concerné. L’article 29.2) et 3) s’applique mutatis mutandis. 3) Après que l’office concerné a apposé sur la demande la date visée à l’alinéa 2), il envoie dès que
possible, à l’office visé à l’article premier, la demande accompagnée de tous les documents déposés, sauf s’il estime que ceux-ci ne remplissent pas les conditions prévues aux articles 24 et 26 ou qui en découlent.
4) Dans le cas prévu à l’alinéa 3), l’office concerné informe le déposant par écrit des irrégularités constatées, en le priant de se mettre en règle dans le délai qu’il fixe. Après expiration de ce délai, que le déposant se soit exécuté ou non, l’office concerné envoie dès que possible, à l’office visé à l’article premier, les documents remis par le déposant, accompagnés d’une copie de l’accusé de réception qui a été délivré à celui-ci.
NL020FR page 26/28
Chapitre 9 Dispositions transitoires et finales
Art. 101. La loi du Royaume sur les brevets d’invention (modifiée en dernier lieu en 19873) est abrogée avec effet à la date fixée par décret royal.
Art. 102. – 1) a) Les demandes de brevet déposées avant l’entrée en vigueur de la présente loi et les demandes
de brevet divisionnaires issues de ces demandes, b) les brevets délivrés à la suite de demandes visées au sous-alinéa a) et c) les licences délivrées sur les brevets visés au sous-alinéa b)
sont régis exclusivement par les dispositions de la loi de 1987. 2) a) Les demandes de brevet déposées après l’entrée en vigueur de la présente loi, à l’exception des
demandes de brevet divisionnaires visées à l’alinéa 1)a), b) les brevets délivrés à la suite de demandes visées au sous-alinéa a) et c) les licences délivrées sur les brevets visés au sous-alinéa b)
sont régis exclusivement par les dispositions de la présente loi. 3) La présente loi ne s’applique pas aux demandes de certificat visés à l’article 90 qui ont été
déposées auprès de l’office des brevets avant la date de son entrée en vigueur. 4) Les articles 95 et 97 s’appliquent également aux certificats délivrés à la suite de demandes
déposées avant la date d’entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 103. – 1) Les brevets européens dont la mention de délivrance a été publiée conformément à l’article 97.4)
de la Convention sur le brevet européen avant l’entrée en vigueur de la présente loi et les licences délivrées sur ces brevets sont régis exclusivement par les dispositions de la loi de 1987.
2) Les brevets européens dont la mention de délivrance a été publiée conformément à l’article 97.4) de la Convention sur le brevet européen après l’entrée en vigueur de la présente loi et les licences délivrées sur ces brevets sont régis exclusivement par les dispositions de celle-ci.
Art. 104. L’article 17A de la loi de 1987 est modifié comme suit : 1) A l’alinéa 1), remplacer «Le déposant qui» par : «Le déposant, le titulaire du brevet ou le titulaire
d’un brevet européen qui». 2) A l’alinéa 2), supprimer «un paiement, recevable après l’échéance, qui n’a pas été effectué en
temps opportun». 3) A l’alinéa 3), ajouter «ou, s’il s’agit d’un brevet européen, sur le territoire des Pays-Bas» après
«territoire du Royaume» et à l’alinéa 6), ajouter «ou maintenu» après «brevet délivré».
Art. 105. L’article 22K.1) de la loi de 1987 est libellé comme suit : «1) La demande est caduque si la requête visée à l’article 22J n’est pas présentée dans un délai d’un
an à compter de l’entrée en vigueur de la loi sur les brevets de 1995.».
Art. 106. L’article 29Q de la loi de 1987 est abrogé.
Art. 107. Un nouvel alinéa 3), libellé comme suit, est inséré après l’article 54.2) de la loi de 1987, l’ancien alinéa 3) devenant l’alinéa 4) :
3 Dénommée «loi de 1987».
NL020FR page 27/28
«3) Les mandataires agréés peuvent plaider au nom des parties aux instances concernant les litiges visés aux alinéas 1) et 2), sans préjudice de la responsabilité de l’avocat.».
Art. 108. – 1) Par dérogation à l’article 102.1)c), en ce qui concerne les licences, les articles 57.2) à 4) et 58 de la
présente loi remplacent l’article 34.2) à 9) de la loi de 1987. 2) Si, avant l’entrée en vigueur de la présente loi, une requête est formée aux fins de la délivrance
d’une licence conformément à l’article 34.5) de la loi de 1987, l’alinéa 1) ne s’applique pas.
Art. 109. L’état de la technique visé à l’article 4 comprend également le contenu des demandes de brevet déposées avant l’entrée en vigueur de la présente loi qui ont été soumises à l’inspection publique, conformément à l’article 22C de la loi de 1987 ou qui, si elles n’ont pas été soumises à l’inspection publique, sont publiées conformément à l’article 25 de la loi de 1987, à la date visée à l’article 4.2) ou à une date postérieure.
Art. 110. Si les questions régies par la présente loi nécessitent des règles plus détaillées dans l’intérêt d’une bonne exécution, ces règles peuvent être édictées par décret.
Art. 111. La présente loi entrera en vigueur à une date fixée par décret royal, qui pourra varier selon les articles ou les parties de la loi.
Art. 112. La présente loi est citée sous le titre de «Loi du Royaume sur les brevets», avec la mention de l’année de sa publication au Journal officiel.
Art. 113. – 1) La présente loi s’applique aux Pays-Bas et, à l’exception de son chapitre 7, aux
Antilles néerlandaises. 2) Seuls les articles 40 à 45, 59, 101, 102.1), 105, 108, 111 et 114 s’appliquent à Aruba. Aux fins de
l’application des articles 40 à 45 à Aruba, «office» s’entend de l’office de la propriété intellectuelle d’Aruba.
Art. 114. La décision de mettre fin à la réglementation commune prévue par les dispositions de la présente loi peut être prise aux Pays-Bas par une loi et aux Antilles néerlandaises et à Aruba par un règlement national. A compter du début de la troisième année civile suivant la promulgation d’une telle loi ou d’un tel règlement national, la présente loi du Royaume aura, aux Pays-Bas, le statut d’une loi et, aux Antilles néerlandaises et à Aruba, le statut d’un décret national. Les dispositions des phrases précédentes ne s’appliquent pas aux articles 40 à 45 ni à l’article 59.
NL020FR page 28/28