World Intellectual Property Organization

Netherlands

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 juni 2007, nr. DJZ2007015959, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds

 

 


(Tekst geldend op: 12-04-2011)

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 juni 2007, nr. DJZ2007015959, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 9 van de Wet op het Waddenfonds;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b.
project: samenhangend geheel van activiteiten, waarvoor subsidie wordt
aangevraagd;
c.
subsidieplafond: bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens het Waddenfonds;
d.
uitvoeringsorganisatie: door de Minister aan te wijzen organisatie belast met de uitvoering van deze regeling;
e.
wet: Wet op het Waddenfonds;
f.
kleine en middelgrote ondernemingen: ondernemingen als bedoeld in bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening;
g.
grote ondernemingen: ondernemingen die geen kleine en middelgrote ondernemingen zijn;
h.
algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L 214).

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 1.2. Subsidie en subsidieplafond

  1. De subsidie bedraagt maximaal 90 procent van de subsidiabele kosten, indien het een project betreft dat valt onder een of meer van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, b, of d, van de wet. Voor projecten die vallen onder het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet, bedraagt de subsidie maximaal 40 procent van de subsidiabele kosten.
  2. Indien een project gedeeltelijk uit anderen hoofde wordt gesubsidieerd, wordt het subsidiebedrag op grond van deze regeling zodanig vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project niet hoger is dan het maximale subsidiebedrag dat op grond van de Europese regels voor staatssteun voor dat project kan worden verstrekt.
    1. Indien een project bijdraagt aan meer dan één doel, worden de subsidiabele kosten door
    2. de subsidieaanvrager toegerekend aan de doelen waaraan wordt bijgedragen.
  3. De Minister stelt jaarlijks voor 1 november het subsidieplafond vast voor het komende begrotingsjaar. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet. Een deel van het jaarlijks beschikbare budget wordt gereserveerd voor subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan het drempelbedrag, genoemd in artikel 1.6, eerste lid.

Artikel 1.3. Subsidiabele kosten

  1. Uitsluitend noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten, zijn subsidiabel, met dien verstande dat ook sprake kan zijn van afschrijvingskosten of kosten voor eigen arbeid.
    1. Ingeval in deze regeling is bepaald dat loonkosten in aanmerking komen voor een subsidie:
      1. worden de kosten bepaald aan de hand van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten; en
      2. vallen de kosten van de inzet van ambtenaren slechts onder de subsidiabele kosten voor zover er sprake is van detachering van de betrokken ambtenaren bij het project.
    1. Geen subsidie wordt verleend voor:
      1. kosten, gemaakt vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag;
      2. kosten, gemaakt na de datum van afloop van de subsidieperiode;
      3. verrekenbare kosten en belastingen, accijnzen en andere heffingen;
      4. boetes, financiële sancties en hiermee samenhangende proceskosten.
  2. Ontvangsten of inkomsten die betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht op de subsidiabele kosten van het project, behoudens het bepaalde ten aanzien van de subsidiabele kosten in de artikelen 3.4, 3.7, 3.12, 3.15 en 4.4.
Paragraaf 3. Subsidieverlening

Artikel 1.4. Aanvraag tot subsidieverlening

  1. De aanvraag tot subsidieverlening wordt gericht aan de Minister en binnen de aanvraagperiode ingediend bij de uitvoeringsorganisatie, met gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier.
    1. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan waarin onder andere zo nauwkeurig mogelijk is opgenomen:
      1. de titel en een beschrijving van het project en de verdiensten daarvan voor een of meer van de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de wet, een tijdsplanning en beschrijving van de activiteiten en de wijze van uitvoering;
      2. een gespecificeerde begroting van de totale kosten en een opgave van de financieringswijze van het project. Indien het een meerjarig project betreft dient de begroting een meerjarenbegroting te zijn met een liquiditeitsplanning per jaar;
      3. een omschrijving van projectrisico’s en beheersmaatregelen die de
        subsidieaanvrager hanteert ter bestrijding daarvan.
    1. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. De aanvraag gaat vergezeld van de aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende overeenkomst, met daarin in elk geval een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke en
    2. rechtspersonen alsmede van de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen de verschillende deelnemers.
  2. Indien de aanvraag ingevolge hoofdstuk 3 of 4 een project betreft ten behoeve waarvan een grote onderneming subsidie aanvraagt, verstrekt de subsidieaanvrager gegevens en bescheiden bij de aanvraag die het stimulerend effect van de subsidie aantonen.
  3. Indien de aanvraag een aanvraag ingevolge hoofdstuk 3 betreft, verstrekt de subsidieaanvrager gegevens en bescheiden bij de aanvraag waaruit blijkt dat de investeringen ten behoeve van het project verder gaan dan communautaire normen of die bij ontstentenis van communautaire normen het niveau van milieubescherming doen toenemen.
  4. De uitvoeringsorganisatie kan de aanvrager verzoeken nadere gegevens en bescheiden te verstrekken, indien zij deze voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk acht. De aanvrager dient de aanvullende informatie binnen twee weken nadat hierom is verzocht te verstrekken.

Artikel 1.5. Aanvraagperiode

  1. De Minister stelt per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vast.
  2. De Minister maakt hiervan melding in de Staatscourant.

Artikel 1.6. Drempelbedrag

  1. Een project komt in aanmerking voor subsidie indien de subsidiabele kosten op basis van de subsidieaanvraag ten minste € 200.000 bedragen.
    1. Projecten mogen gebundeld worden om aan het drempelbedrag, genoemd in het eerste lid, te voldoen, mits de gebundelde projectvoorstellen:
      1. bijdragen tot het realiseren van hetzelfde doel op meerdere locaties in het
        waddengebied; of
      2. betrekking hebben op een bepaalde gewenste gebiedsontwikkeling binnen het waddengebied en deel uitmaken van een integrale planning op gebiedsniveau met overheid en marktpartijen.
  2. In geval van bundeling van projecten als bedoeld in het tweede lid gaan de betrokkenen een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, aan. Er wordt slechts één subsidieaanvraag ingediend, waarop uiteindelijk één beschikking wordt afgegeven. Beoordeling van gebundelde projecten vindt per afzonderlijk deelproject plaats, waarbij rekening wordt gehouden met de bijdrage van het deelproject aan het totaal.
  3. Voor projecten die enkel vallen onder het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de wet, alsmede voor projecten met een experimenteel karakter, geldt het in het eerste lid gestelde drempelbedrag niet, indien door de subsidieaanvrager aannemelijk wordt gemaakt dat bundeling met andere projecten niet mogelijk is.
  4. Een project, waarvan de subsidiabele kosten, op basis van de subsidieaanvraag, minder dan € 200.000 bedragen waarop het vierde lid niet van toepassing is, komt slechts in aanmerking voor subsidie uit het gereserveerde deel van het budget, bedoeld in artikel 1.2, vierde lid, derde volzin.

Artikel 1.7. Beschikking tot subsidieverlening

  1. De Minister geeft op de aanvraag een beschikking tot subsidieverlening binnen acht maanden na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend.
  2. Indien de beschikking niet binnen acht maanden kan worden gegeven, stelt de Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog tegemoet kan worden gezien.
  3. Indien de subsidiabele kosten voor een project meer dan € 25.000.000 bedragen en de te verlenen subsidie meer dan € 5.000.000 bedraagt, meldt de Minister de subsidieaanvraag overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag aan bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Subsidie kan slechts worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Commissie hieraan haar goedkeuring verleent.
    1. Een beschikking tot subsidieverlening vermeldt in ieder geval:
      1. het met het project beoogde doel of resultaat,
      2. de begrote subsidiabele kosten,
      3. de subsidiegrondslag,
      4. het subsidiepercentage,
      5. het maximale subsidiebedrag van de te subsidiëren activiteiten en
      6. de subsidieperiode.

Artikel 1.8. Toelatingscriteria

1. De Minister verklaart een subsidieaanvraag niet-ontvankelijk indien:

a.
de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6, van de wet;
b.
de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1.4;
c.
hij de subsidiabele kosten voor het project of voor de gebundelde projecten raamt op minder dan € 200.000, tenzij het om een subsidieaanvraag gaat waarop artikel 1.6, derde of vierde lid, van toepassing is;
d.
gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
e.
hij het onaannemelijk acht dat binnen één jaar een aanvang gemaakt kan worden met de uitvoering van het project;
f.
de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is, zoals bedoeld in de punten 9 tot en met 11 van de Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2004 C 244/02).

2. Onverminderd het eerste lid, verklaart de Minister een aanvraag ingevolge hoofdstuk 3 of 4 niet-ontvankelijk indien:

a.
de subsidieaanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;
b.
de subsidieaanvrager onderneming is die reeds met de werkzaamheden aan het project is begonnen voor het indienen van de aanvraag;
c.
de subsidieaanvrager een grote onderneming is die het stimulerend effect, bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, niet kan aantonen.
  1. Binnen 8 weken na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend toetst de uitvoeringsorganisatie de tijdig ingediende subsidieaanvragen op ontvankelijkheid en biedt zij de Adviescommissie Waddenfonds een overzicht van de ontvankelijke subsidieaanvragen aan.
  2. De uitvoeringsorganisatie stelt de indiener van een niet-ontvankelijk verklaarde subsidieaanvraag hiervan binnen 2 weken op de hoogte.

Artikel 1.9. Beoordeling

  1. De Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 1.8 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie Waddenfonds.
  2. De Adviescommissie toetst alle ontvankelijke subsidieaanvragen aan de criteria, genoemd in artikel 7, vierde lid, van de wet. Indien deze gezamenlijk het subsidieplafond, bedoeld in artikel 1.2, vierde lid, overtreffen, rangschikt de Adviescommissie de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer voldoet aan de criteria genoemd in artikel 7, vierde lid, van de wet.
  3. De adviezen van de Adviescommissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
  4. De Adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
  5. De Adviescommissie brengt binnen 8 weken na ontvangst van de ontvankelijke voorstellen haar advies aan de Minister uit.
  6. De Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de Adviescommissie bij te wonen.
  7. De Minister voorziet in het secretariaat van de Adviescommissie.
  8. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Adviescommissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de Adviescommissie bewaard in het archief van dat Ministerie.
  9. De Adviescommissie verstrekt desgevraagd aan de Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
  10. De voorzitter en de leden van de Adviescommissie hebben recht op een door de Minister vast te stellen vergoeding.
  11. Het advies van de Adviescommissie wordt door de Minister ter beoordeling voorgelegd aan een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van de bestuursorganen en organisaties, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet. Het oordeel van deze commissie dient binnen vier weken na het verzoek daartoe ter beschikking van de Minister te worden gesteld.
  12. De commissie, bedoeld in het elfde lid, wordt samengesteld door het Regionaal College Waddengebied (RCW).
  13. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking van de aanvragen door de Adviescommissie. Op basis van het oordeel van de commissie, bedoeld in het elfde lid, en eventueel na overleg met de Minister(s) wie het mede aangaat, kan de Minister afwijken van deze volgorde.
Paragraaf 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.10

  1. Op de subsidieontvanger rusten de in de artikelen 1.11 tot en met 1.13 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 1.13 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidieontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, is opgetreden.
  2. De in de artikelen 1.11 en 1.12 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 1.13 opgenomen verplichtingen gelden totdat 2 jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 1.11

  1. De subsidieontvanger maakt binnen één jaar na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening een aanvang met de uitvoering van het project.
  2. De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.
  3. Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.
  4. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de aanvrager hiervan onverwijld mededeling aan de Minister.

Artikel 1.12

  1. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd naar de op het project van toepassing zijnde subsidiabele kosten. Ingeval loonkosten tot de subsidiabele kosten behoren, dient daarvan een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig te zijn.
  2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan de Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

Artikel 1.13

  1. De subsidieontvanger brengt één of meerdere keren per jaar schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
  2. De subsidieontvanger maakt de kennis en informatie die met het project worden opgedaan, onmiddellijk na afloop van het project openbaar.
  3. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de Minister alle medewerking aan een door de Minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger bij het uitvoeren van het project een toegevoegde waarde heeft geleverd aan de doelstellingen van artikel 2, tweede lid, van de wet.
Paragraaf 5. Voorschotten en termijnbetalingen

Artikel 1.14. Aanvraag tot voorschotverlening

  1. Verlening van een voorschot, al dan niet in de vorm van een termijnbetaling, op een verleende subsidie geschiedt op verzoek van de subsidieaanvrager.
  2. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend met gebruikmaking van een bij de uitvoeringsorganisatie verkrijgbaar formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier met het verzoek moeten worden meegezonden.
  3. Een voorschot kan, in specifieke gevallen afhankelijk van de liquiditeitsbehoefte van de subsidieaanvrager, worden verleend.
  4. Een voorschot in de vorm van een termijnbetaling wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verlening van een voorschot in aanmerking zijn genomen.
  5. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

Artikel 1.15. Beschikking tot voorschotverlening

De Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag om een voorschot of een voorschot in de vorm van een termijnbetaling, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien hij failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Paragraaf 6. Subsidievaststelling

Artikel 1.16. Aanvraag tot subsidievaststelling

  1. De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend met gebruikmaking van een bij de uitvoeringsorganisatie verkrijgbaar formulier.
    1. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:
      1. een activiteitenverslag dat ten minste bestaat uit een beschrijving van de aard en omvang van de tot dan toe in het kader van het project verrichtte activiteiten en van de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen;
      2. een financiële verantwoording van het project en een verklaring van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en verplichtingen. De registeraccountant of accountant-administratieconsulent controleert met inachtneming van het controleprotocol, dat is opgenomen in een bijlage bij het aanvraagformulier tot subsidievaststelling. De goedkeurende accountantsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig de eveneens in een bijlage bij het aanvraagformulier tot subsidievaststelling opgenomen model-accountantsverklaring.

Artikel 1.17. Beschikking tot subsidievaststelling

  1. De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag daartoe, dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
  2. Indien de beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt de Minister de betrokkene daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de definitieve beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel 1.18. Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.

Paragraaf 7. Voorschotverlening bij schatkistbankieren

Artikel 1.19. Voorschotverlening lagere overheden en privaatrechtlijke rechtspersonen

Indien de subsidieaanvrager een lagere overheid of een privaatrechtelijk rechtspersoon is, waarbij gebruik gemaakt wordt van schatkistbankieren als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2007, geldt in afwijking van de artikelen 1.14 en 1.15 met betrekking tot voorschotverlening het volgende:

a.
in het geval van een lagere overheid kan de Minister een uit te keren jaartermijn tot maximaal 100% bevoorschotten zo spoedig mogelijk in aansluiting op de subsidieverlening en vervolgens aan het begin van een jaar;
b.
in het geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon kan de Minister een uit te keren jaartermijn tot maximaal 80% bevoorschotten zo spoedig mogelijk in aansluiting op de subsidieverlening en vervolgens aan het begin van een jaar;
c.
indien een bevoorschotting als bedoeld onder a en b wordt toegepast, wordt het voorschot in rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aangehouden.

Artikel 1.20. Subsidievaststelling lagere overheden

  1. De artikelen 1.16, tweede lid, en 1.17, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing indien de subsidieontvanger een provincie of gemeente is.
  2. Bij de beoordeling van de aanvraag tot subsidievaststelling, overeenkomstig artikel 1.16, eerste lid, maakt de Minister gebruik van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
  3. De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen acht weken na het beschikbaar komen van de verantwoordingsinformatie over het jaar waarin het project is afgerond.

Hoofdstuk 2. Steun aan bestuursorganen, niet-gouvernementele organisaties en particulieren

Artikel 2.1. Reikwijdte

Uitsluitend projecten die worden uitgevoerd door een bestuursorgaan, door een nietgouvernementele organisatie, of door een particulier, niet zijnde een onderneming, komen in aanmerking voor subsidie.

Artikel 2.2. Hoogte van de subsidie

1. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid bedraagt de subsidie voor een project dat valt onder:

a.
een of meer van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, b, of d, van de wet: 90 procent van de subsidiabele kosten;
b.
het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet: 40 procent van de subsidiabele kosten.

2. Bij de subsidieaanvraag toont de subsidieaanvrager aan dat is voldaan aan de volgende eisen:

a.
de subsidie wordt uitsluitend aangevraagd voor en heeft uitsluitend betrekking op nieteconomische activiteiten;
b.
de subsidieaanvrager ontplooit geen economische activiteiten op het terrein van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
c.
de subsidieaanvrager zal daadwerkelijk het project zelf uitvoeren en dit niet direct of indirect door een derde laten verrichten, tenzij het project aan een derde wordt gegund door middel van een openbare aanbestedingsprocedure; en
d.
de subsidieaanvrager houdt voor het project een gescheiden projectbegroting bij.

Artikel 2.3. Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a.
loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;
b.
kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen;
c.
kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;
d.
kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur;
e.
kosten van grond;
f.
kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen;
g.
een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20 procent van de onder a
bedoelde kosten.

Artikel 2.4. Samenloop

Indien een project gedeeltelijk uit anderen hoofde wordt gesubsidieerd, wordt in afwijking van artikel 1.2, tweede lid, het subsidiebedrag zodanig vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project ten hoogste 100 procent van de subsidiabele kosten op grond van dit hoofdstuk bedraagt.

Hoofdstuk 3. Milieubescherming

Paragraaf 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. Reikwijdte

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op subsidieaanvragen van kleine, middelgrote en grote ondernemingen ten behoeve van milieubescherming.
  2. Op dit hoofdstuk is de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing.

Artikel 3.2. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.
milieubescherming:elke maatregel die is gericht op de preventie of het herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van de subsidieaanvrager, op het beperken van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op de aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;
b.
energiebesparende maatregelen:alle maatregelen die ondernemingen in staat stellen het energieverbruik in met name hun productiecyclus te verminderen;
c.
communautaire norm: 1°. een verplichte communautaire norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

2°. de verplichting op grond van richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging de beste beschikbare technieken te gebruiken, zoals uiteengezet in de meest recente relevante informatie die de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van die richtlijn heeft bekendgemaakt;

d.
hernieuwbare energiebronnen:de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
e.
biobrandstof:vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die uit biomassa is gewonnen;
f.
duurzame biobrandstoffen:biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 15 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, welke criteria van toepassing zijn zodra de richtlijn door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen en

in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt;

g.
energie uit hernieuwbare energiebronnen:energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken, waaronder begrepen voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit en waaronder niet begrepen elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;
h.
warmtekrachtkoppeling:gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en mechanische energie;
i.
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling:warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de criteria van bijlage III bij de richtlijn inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling en aan de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zoals die in de beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zijn vastgesteld;
j.
materiële activa:investeringen in gronden, wanneer deze absoluut noodzakelijk zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen, gebouwen, installaties en uitrustingen, met als doel vervuiling en hinder te beperken of te beëindigen, en investeringen om de productiemethoden aan te passen met het oog op de bescherming van het milieu;
k.
richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling:richtlijn nr. 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG;
l.
beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden:beschikking nr. 2007/74/EG tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte in toepassing van richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Paragraaf 3.2. Subsidie voor ondernemingen die verder gaan dan communautaire normen of die, bij ontstentenis van communautaire normen, het niveau van milieubescherming doen toenemen

Artikel 3.3. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan ondernemingen die verder gaan dan communautaire normen of die, bij ontstentenis van communautaire normen, het niveau van milieubescherming doen toenemen.
  2. De subsidie bedraagt 35 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.4. Subsidiabele kosten

  1. De extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een niveau van milieubescherming te bereiken dat het door de communautaire normen vereiste niveau overtreft, zijn subsidiabel.
  2. De extra investeringskosten, bedoeld in het eerste lid, worden berekend overeenkomstig artikel 18, zesde tot en met achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen.

Artikel 3.5. Voorwaarden

1. Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie indien:

a.
dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen, door verder te gaan dan de geldende communautaire normen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de communautaire norm, of
b.
dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen bij ontstentenis van communautaire normen.
  1. Er wordt geen subsidie verleend, indien de verbeteringen de ondernemingen laten voldoen aan reeds vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde communautaire normen.
  2. Er wordt geen subsidie verleend voor het beheer van afval.

Paragraaf 3.3. Subsidie voor de aanschaf van nieuwe schepen die verder gaan dan de communautaire normen of die bij ontstentenis van communautaire normen het niveau van milieubescherming doen toenemen

Artikel 3.6. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan ondernemingen voor de aanschaf van nieuwe schepen dan wel voor de vernieuwing van bestaande schepen die verder gaat dan de communautaire normen of die bij ontstentenis van communautaire normen het niveau van milieubescherming doen toenemen.
  2. De subsidie bedraagt 35 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.7. Subsidiabele kosten

  1. De extra investeringskosten, die noodzakelijk zijn om een hoger niveau van milieubescherming te bereiken dan door de communautaire normen wordt vereist, zijn subsidiabel.
  2. De extra investeringskosten, bedoeld in het eerste lid, worden berekend overeenkomstig artikel 18, zesde tot en met achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen.

Artikel 3.8. Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie indien:

a.
dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen, door verder te gaan dan de geldende communautaire normen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de communautaire norm;
b.
dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen bij ontstentenis van communautaire normen;
c.
de aanschaf van de nieuwe schepen geschiedt voor de inwerkingtreding van de nieuwe communautaire normen, tenzij deze nieuwe normen, zodra deze verplicht worden, met terugwerkende kracht op reeds aangeschafte schepen van toepassing zullen zijn, of
d.
bestaande schepen worden aangepast aan milieunormen die nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die bedrijfsmiddelen in bedrijf werden genomen of indien voor de schepen geen milieunormen van toepassing zijn.

Paragraaf 3.4. Subsidie voor milieustudies

Artikel 3.9. Hoogte van de subsidie

1. De Minister kan subsidie verlenen voor:

a.
studies die rechtstreeks verband houden met investeringen van ondernemingen die verder gaan dan communautaire normen of die bij ontstentenis van communautaire normen het niveau van milieubescherming doen toenemen;
b.
studies die rechtstreeks verband houden met investeringen van ondernemingen ter stimulering van energie uit hernieuwbare energiebronnen.

2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten. Artikel 3.10. Subsidiabele kosten

De kosten van de studie zijn subsidiabel.

Paragraaf 3.5. Subsidie voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen Artikel 3.11. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aanondernemingenvoor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten. Artikel 3.12. Subsidiabele kosten
  1. De extra investeringskosten die ten laste van de subsidieaanvrager komen ten opzichte van een traditionele energiecentrale of een traditioneel verwarmingssysteem met dezelfde capaciteit inzake daadwerkelijke energieopwekking zijn subsidiabel.
  2. De kosten worden berekend overeenkomstig artikel 18, zesde tot en met achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen.

Artikel 3.13. Voorwaarden

Ingeval van productie van biobrandstoffen wordt slechts subsidie verleend voor de productie van duurzame biobrandstoffen.

Paragraaf 3.6. Subsidie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling Artikel 3.14. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan ondernemingen voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten. Artikel 3.15. Subsidiabele kosten
  1. De extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een hoogrenderende warmtekrachtkoppelinginstallatie tot stand te brengen, in vergelijking met de referentieinvestering, zijn subsidiabel.
  2. De extra investeringskosten worden berekend overeenkomstig artikel 18, zesde tot en met achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen.

Artikel 3.16. Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt voor subsidie in aanmerking, indien:

a.
de nieuwe warmtekrachtkoppelingeenheid in totaal besparingen behaalt van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie als gedefinieerd in de richtlijn inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling en de beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden, of
b.
de verbetering van een bestaande warmtekrachtkoppelingeenheid of verbouwing van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachtkoppelingeenheid

resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke

situatie.

Hoofdstuk 4. Onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1. Reikwijdte

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op subsidieaanvragen van kleine, middelgrote en grote ondernemingen ten behoeve van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.
  2. Op dit hoofdstuk is de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing.

Artikel 4.2. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. onderzoeksorganisatie:een entiteit, zoals een universiteit, ongeacht haar rechtsvorm, publiek- of privaatrechtelijke organisatie, of financieringswijze die zich in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht, met dien verstande dat:

1°. alle winst opnieuw wordt geïnvesteerd in die activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, of in onderwijs, en

2°. de ondernemingen die invloed op een onderzoeksorganisatie kunnen uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden van de organisatie, geen preferente toegang genieten tot de onderzoekscapaciteit van een dergelijke organisatie of tot de resultaten van haar onderzoek;

b.
industrieel onderzoek:planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, productiemethoden of diensten, of om bestaande producten, productiemethoden of diensten aanmerkelijk te verbeteren, met dien verstande dat het onderzoek de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen omvat die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes;
c.
experimentele ontwikkeling:ontwikkeling van producten, productiemethoden of diensten, met dien verstande dat:

1°. daaronder kan worden verstaan het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, productiemethoden of diensten die de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, productiemethoden of diensten die het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie kunnen omvatten, voor zover zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd;

2°. daaronder kan worden verstaan de ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten, indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie en validatiedoeleinden te worden gebruikt;

3°. daaronder niet kan worden verstaan routinematige of periodieke wijziging van
bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere
courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen
inhouden;

d.
hooggekwalificeerd personeel:universitair geschoolde onderzoekers, ingenieurs, ontwerpers en marketingmanagers met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarbij doctoraatsopleidingen kunnen meetellen als relevante beroepservaring;
e.
detachering:de tijdelijke indienstneming van personeel door een subsidieaanvrager gedurende een bepaalde periode, waarna het personeel het recht heeft naar zijn vorige

werkgever terug te keren.

Paragraaf 4.2. Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

Artikel 4.3. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan ondernemingen voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling.
  2. De subsidie voor industrieel onderzoek bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.
  3. De subsidie voor experimentele ontwikkeling bedraagt 25 procent van de subsidiabele kosten.
  4. De subsidie voor experimentele ontwikkeling kan met 15 procent van de subsidiabele kosten worden verhoogd, indien:

a. het project daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen behelst en aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1°. geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 procent van de in

aanmerking komende kosten van het samenwerkingsproject voor haar rekening, 2°. het project behelst samenwerking met ten minste één kleine of middelgrote onderneming, of 3°. het project behelst grensoverschrijdende samenwerking in ten minste twee verschillende lidstaten,

b. het project daadwerkelijke samenwerking behelst tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie en aan de volgende voorwaarden voldoet: 1°. de onderzoeksorganisatie draagt ten minste 10 procent van de subsidiabele

projectkosten, en

2°. de onderzoeksorganisatie heeft het recht de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder daadwerkelijke samenwerking niet verstaan uitbesteding.

Artikel 4.4. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten zijn subsidiabel:

a. personeelskosten:
1°. van onderzoekers;
2°. van technici, en
3°. van ander ondersteunend personeel, voor zover zij zich met het

onderzoeksproject bezighouden;

b.
kosten van apparatuur en uitrusting, voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het onderzoeksproject. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd;
c.
kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking;
d.
kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij, of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie overeenkomstig het arm’s length-beginsel heeft plaatsgevonden en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden

gebruikt;

e.
extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;
f.
andere kosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien.
  1. De subsidiabele kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld.
  2. De kosten van de experimentele ontwikkeling en het testen van producten, productieprocessen en diensten zijn subsidiabel, voor zover deze niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt.
  3. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten bij experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.2, sub c, onder 2°, worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht.

Artikel 4.5. Voorwaarden

Bij het verlenen van subsidie voor een onderzoeks- en ontwikkelingsproject waarbij onderzoeksorganisaties en ondernemingen samenwerken, overschrijdt het gecumuleerde subsidiebedrag van rechtstreekse overheidssubsidie ten behoeve van een specifiek project en van bijdragen van onderzoeksorganisaties voor dat project, voor zover deze subsidie inhouden, niet de voor elke begunstigde onderneming van toepassing zijnde subsidiedrempels als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 4.3. Subsidie voor technische haalbaarheidsstudies

Artikel 4.6. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aanondernemingen voor technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkelingsactiviteiten.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.7. Subsidiabele kosten

De kosten van de studie zijn subsidiabel.

Paragraaf 4.4. Subsidie voor kleine en middelgrote ondernemingen ten behoeve van de kosten voor industriële eigendomsrechten

Artikel 4.8. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan kleine en middelgrote ondernemingen ten behoeve van de kosten verbonden aan de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële eigendomsrechten.
  2. De subsidie voor de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële eigendomsrechten voor industrieel onderzoek bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.
  3. De subsidie voor de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële eigendomsrechten voor experimentele ontwikkeling bedraagt 25 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.9. Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

a.
alle kosten die worden gemaakt voor de verlening van het recht in het eerste rechtsgebied, daaronder begrepen de kosten met betrekking tot de voorbereiding, indiening en verdere afhandeling van de aanvraag, alsmede de kosten van een hernieuwde aanvraag voordat het recht is verleend;
b.
vertaalkosten en andere kosten die worden gemaakt met het oog op de verkrijging of validering van het recht in andere rechtsgebieden;
c.
kosten ter verzekering van de geldigheid van het recht tijdens de officiële afhandeling van de aanvraag en mogelijke oppositieprocedures, zelfs indien dergelijke kosten worden gemaakt na verlening van het recht.

Paragraaf 4.5. Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in de landbouwen visserijsector

Artikel 4.10. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan ondernemingen voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met betrekking tot in bijlage I bij het EG-Verdrag opgenomen producten.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.11. Subsidiabele kosten

Ten aanzien van de subsidiabele kosten is artikel 4.4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.12. Voorwaarden

  1. De subsidie van het project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector.
    1. Voordat met het onderzoek wordt aangevangen, wordt op het internet bekendgemaakt:
      1. dat onderzoek zal worden uitgevoerd;
      2. het doel van het onderzoek;
      3. wanneer de resultaten ongeveer worden verwacht;
      4. waar de resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;
      5. dat de resultaten kosteloos beschikbaar zullen zijn.
  2. De onderzoeksresultaten zijn gedurende een periode van ten minste vijf jaar op internet beschikbaar met dien verstande dat deze resultaten niet later op het internet worden bekendgemaakt dan het tijdstip waarop de gegevens aan de leden van een specifieke organisatie worden verstrekt.
  3. De subsidie wordt rechtstreeks aan de onderzoeksorganisatie verleend.
    1. De subsidie wordt niet verleend indien deze:
      1. verband houdt met subsidie voor onderzoek die rechtstreeks wordt verleend aan een onderneming die landbouwproducten produceert, verwerkt of afzet, of
      2. verband houdt met prijsondersteuning voor producenten van landbouwproducten.
  4. Indien de subsidie niet aan de voorwaarden uit het eerste tot en met vijfde lid voldoet, kan de subsidie alsnog worden verleend, voor zover aan de voorwaarden voor het verlenen van subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en voor technische haalbaarheidsstudies overeenkomstig de paragrafen 4.3 en 4.4 is voldaan.

Paragraaf 4.6. Subsidie voor jonge innoverende ondernemingen Artikel 4.13. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan jonge innoverende ondernemingen.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en niet meer dan €

1.000.000.

Artikel 4.14. Subsidiabele kosten

De kosten van de onderneming zijn subsidiabel.

Artikel 4.15. Voorwaarden

  1. De subsidieaanvrager is een kleine onderneming die minder dan zes jaar bestaat op het tijdstip van de subsidieverlening.
    1. De kosten voor onderzoek en ontwikkeling van de subsidieaanvrager bedragen ten minste 15 procent van de totale exploitatiekosten:
      1. in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de subsidieverlening, of
      2. in geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant.
  2. De subsidieaanvrager kan de subsidie slechts eenmaal ontvangen in de periode dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Paragraaf 4.7. Subsidie voor innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning

Artikel 4.16. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan kleine en middelgrote ondernemingen voor innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 200.000 per subsidieaanvrager over een periode van drie jaar.

Artikel 4.17. Subsidiabele kosten

1. Voor innovatieadviesdiensten zijn de volgende kosten subsidiabel:

a.
managementadvies;
b.
technologische bijstand;
c.
diensten inzake technologieoverdracht;
d.
opleiding;
e.
advisering inzake de verwerving;
f.
bescherming en het verhandelen van intellectuele eigendomsrechten en inzake
licentieringsovereenkomsten;
g.
advisering betreffende het gebruik van normen.

2. Voor diensten inzake innovatieondersteuning zijn de volgende kosten subsidiabel:

a.
kantoorruimte;
b.
databanken;
c.
technische bibliotheken;
d.
marktonderzoek;
e.
laboratoriumgebruik;
f.
diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificeren.

Artikel 4.18. Voorwaarden

De diensten worden tegen de marktprijs ingekocht, of indien de subsidieaanvrager een entiteit zonder winstoogmerk is, tegen een prijs die de volledige kosten plus een redelijke marge weergeeft.

Paragraaf 4.8. Subsidie voor het uitlenen van hooggekwalificeerd personeel

Artikel 4.19. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor het uitlenen van hooggekwalificeerd personeel dat vanuit een onderzoeksorganisatie of een grote onderneming bij een kleine of middelgrote onderneming wordt gedetacheerd.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten per onderneming en per uitgeleende werknemer gedurende ten hoogste drie jaar.

Artikel 4.20. Subsidiabele kosten

De personeelskosten voor het uitlenen en in dienst hebben van hooggekwalificeerd personeel, met inbegrip van de kosten voor het inzetten van een wervings- en selectiebureau, alsmede een mobiliteitspremie voor de gedetacheerde werknemers, zijn subsidiabel.

Artikel 4.21. Voorwaarden

  1. De gedetacheerde werknemers vervangen geen andere werknemers, maar werken in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming en zijn ten minste twee jaar in dienst bij de onderzoeksorganisatie of de grote onderneming die de werknemers detacheert.
  2. De gedetacheerde werknemers zijn binnen de begunstigde kleine of middelgrote onderneming werkzaam op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en innovatie.

Hoofdstuk 5. Landbouw

Paragraaf 5.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1. Reikwijdte

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op subsidieaanvragen van kleine en middelgrote ondernemingen die activiteiten verrichten op het gebied van de primaire productie van landbouwproducten.
  2. Op dit hoofdstuk is Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEU L 358), van toepassing.

Artikel 5.2. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.
landbouwproducten: de producten, opgenomen in bijlage 1 bij het EG-Verdrag, de producten van GN-codes 4502, 4503 en 4504 (kurkproducten) en producten die bedoeld zijn om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, met uitzondering van de producten die vallen onder Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur;
b.
kwaliteitsproduct: een product dat voldoet aan de op grond van artikel 32 van
verordening (EG) nr. 1698 /2005 vast te stellen criteria;
c.
verwerking van een landbouwproduct: elke bewerking van een landbouwproduct die

een product oplevert dat ook een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op het landbouwbedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product gereed te maken voor de eerste verkoop;

d. afzet van een landbouwproduct: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkers en welke activiteit ook waarbij een product wordt gereedgemaakt voor een dergelijke eerste verkoop.

Paragraaf 5.2. Investeringen in landbouwbedrijven

Artikel 5.3. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten die inhouden investeringen in landbouwbedrijven met betrekking tot de primaire productie van landbouwproducten, met uitzondering van de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen.
    1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend, indien:
      1. de investeringen gericht zijn op een verlaging van de productiekosten, een verbetering en omschakeling van de productie of op een verhoging van de kwaliteit, of
      2. de investeringen gericht zijn op de bescherming en verbetering van het milieu, op de verbetering van de hygiëne op veehouderijbedrijven of de verbetering van het welzijn van landbouwhuisdieren.
  2. Projecten komen in aanmerking voor subsidie indien het toe te kennen subsidiebedrag niet hoger is dan € 400.000 per onderneming tijdens een periode van drie fiscale jaren.

Artikel 5.4. Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

a.
de bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken;
b.
de koop of huurkoop van machines en materieel, met inbegrip van
computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa;
c.
algemene kosten in verband met de in onderdeel a en b genoemde kosten, met inbegrip van kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties.

Artikel 5.5. Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie, indien:

a.
de landbouwonderneming economisch levensvatbaar is;
b.
de investering verder gaat dan de bestaande communautaire of nationale normen.

Paragraaf 5.3. Instandhouding traditionele landschappen en gebouwen

Artikel 5.6. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten die de instandhouding van traditionele landschappen en gebouwen tot doel hebben.
    1. De subsidie bedraagt:
      1. voor investeringen of kapitaaluitgaven voor de instandhouding van niet-productieve erfgoedelementen op het landbouwbedrijf: 90 procent van de subsidiabele kosten;
      2. voor investeringen of kapitaaluitgaven voor de instandhouding van erfgoedelementen

die tevens deel uitmaken van de productieve activa van het landbouwbedrijf: 40

procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 5.7. Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

a.
de werkelijk gemaakte kosten van de investeringen of kapitaaluitgaven;
b.
bij investeringen of kapitaaluitgaven voor de instandhouding van niet-productieve erfgoedelementen op landbouwbedrijven, een redelijke vergoeding voor de door de landbouwer zelf of door diens werknemers ten behoeve van het project verrichte werkzaamheden, tot een maximumbedrag van € 10 000 per jaar.

Paragraaf 5.4. Verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang Artikel 5.8. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten inhoudende de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang.
  2. De subsidie bedraagt 90 procent van de subsidiabele kosten indien de verplaatsing in het algemeen belang bestaat uit het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande installaties.
  3. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten indien de verplaatsing in het algemeen belang de landbouwer modernere installaties oplevert of indien de verplaatsing in het algemeen belang leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit.

Artikel 5.9. Subsidiabele kosten

De werkelijk gemaakte kosten van de verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw in het algemeen belang zijn subsidiabel.

Paragraaf 5.5. Bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten Artikel 5.10. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor de bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend voorzover deze verband houden met de ontwikkeling van kwaliteitslandbouwproducten.

Artikel 5.11. Subsidiabele kosten

  1. De kosten van marktonderzoek en van het bedenken en vormgeven van producten, met inbegrip van de voorbereiding van aanvragen om erkenning van geografische oorsprongsaanduidingen en -benamingen of om een specificiteitscertificering overeenkomstig de desbetreffende communautaire verordeningen zijn subsidiabel.
  2. De subsidie wordt verleend aan ondernemingen die diensten voor de primaire producent uitvoeren ter bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten.

Paragraaf 5.6. Technische ondersteuning Artikel 5.12. Hoogte van de subsidie

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor technische ondersteuning in de landbouwsector.
  2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.

Artikel 5.13. Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

a.
onderwijs- en opleidingskosten voor landbouwers en bedrijfsmedewerkers met inbegrip van kosten die met het organiseren van het opleidingsprogramma zijn gemoeid, reis- en verblijfkosten van de deelnemers, kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker;
b.
bij bedrijfsvervangingsdiensten, de werkelijke kosten van de vervanging van de landbouwer, de partner van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker, tijdens ziekte of vakantie;
c.
bij door derden geleverde adviesdiensten, de kosten van diensten die niet van permanente of periodieke aard zijn en niet tot de gewone bedrijfsuitgaven van de landbouwonderneming behoren zoals routinematig belastingadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied of reclame;
d.
bij de organisatie van en de deelname aan fora voor de uitwisseling van kennis tussen bedrijven, wedstrijden, tentoonstellingen en beurzen: de deelnamekosten, de reiskosten, de kosten van publicaties, de huur van de expositieruimte en de symbolische prijzen die in het kader van wedstrijden worden uitgereikt met een maximumwaarde van € 250,00 per prijs per winnaar;
e.
de kosten van publicaties met inbegrip van catalogi of websites met feitelijke informatie over producenten uit een bepaald gebied of producenten van een bepaald product, mits de informatie en de presentatie neutraal zijn en alle producenten dezelfde kans hebben om in de publicatie aan bod te komen.

Hoofdstuk 6. Visserij

Paragraaf 6.1. Algemene bepalingen

Artikel 6.1. Reikwijdte

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op subsidieaanvragen van ondernemers in de visserijsector.
  2. Op dit hoofdstuk zijn de Richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2008, C 84) en Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU L 223), van toepassing.

Artikel 6.2. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.
visserijsector: de economische sector bestaande in al hetgeen productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten inhoudt;
b.
vissersvaartuig: vaartuig in de zin van artikel 3, onderdeel c van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358);
c.
visserijproducten: alle producten van de visvangst op zee en in de binnenwateren en van de aquacultuur, als genoemd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur;
d.
aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen, die tijdens de gehele fase van de kweek of de teelt tot en met de oogst eigendom blijven van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu;
e.
verwerking en afzet: alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct;
f.
kleinschalige kustvisserij: visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig als genoemd in tabel 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de visserijvloot (PbEU L 5);
g.
kleine, middelgrote en micro-ondernemingen: kleine, middelgrote
h.
en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en microondernemingen (PbEU L 124).

Artikel 6.3. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten zijn subsidiabel:

a.
loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;
b.
kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen;
c.
kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;
d.
kosten van machines en apparatuur;
e.
kosten van grond, tot ten hoogste 10 procent van de totale subsidiabele kosten van het project;
f.
kosten van aan derden uitbestede activiteiten, mits sprake is van marktconforme prijzen.

2. Kosten van gebouwen en overige kosten in verband met huisvesting zijn niet subsidiabel.

Paragraaf 6.2. Investeringen in de visserijsector

Artikel 6.4

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten inhoudende investeringen met betrekking tot de modernisering en uitrusting van bestaande vissersvaartuigen, met uitzondering van de bouw van vissersvaartuigen en de vergroting van visruimen.
    1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend, indien de investeringen gericht zijn op verbetering van de veiligheid aan boord, de arbeidsomstandigheden, de hygiëne, de productkwaliteit, energie-effiëntie of selectiviteit en
      1. het mogelijk maken vangsten die niet meer mogen worden teruggegooid aan boord te houden;
      2. die het effect van de visserij op niet-commerciële soorten beperken;
      3. die het effect van de visserij op ecosystemen en de zeebodem beperken, of
      4. die, in het geval van nieuw selectiever vistuig, beantwoorden aan de erkende milieucriteria en -praktijken en die verder reiken dan de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen.

Artikel 6.5. Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie, indien:

a.
het vissersvaartuig vijf jaar of ouder is;
b.
de vangstcapaciteit van het vissersvaartuig niet toeneemt, en
c.
het vistuig niet meer dan tweemaal vervangen wordt per periode van 5 jaar.

Paragraaf 6.3. Kleinschalige kustvisserij

Artikel 6.6

  1. De Minister kan subsidie verlenen aan vissers en eigenaren van vissersvaartuigen voor projecten inhoudende investeringen in de kleinschalige kustvisserij.
    1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend, indien het project gericht is op:
      1. de verbetering van het beheer van en de controle op de toegangsvoorwaarden voor bepaalde visserijzones;
      2. de bevordering van de organisatie van de productie-, verwerkings- en afzetketen voor visserijproducten;
      3. het vrijwillig verminderen van de visserij-inspanning met het oog op de instandhouding van visbestanden;
      4. het gebruik van technologische vernieuwingen zonder de visserij-inspanning te
        vergroten, of
      5. de verbetering van de beroepsvaardigheden en de veiligheidsopleiding.

Paragraaf 6.4. Sociaal-economische maatregelen

Artikel 6.7

1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten inhoudende een of meer van de volgende sociaal-economische maatregelen ten behoeve van door ontwikkelingen in de visserij getroffen vissers:

a.
de diversificatie van activiteiten om te bevorderen dat vissers verschillende
beroepsactiviteiten combineren;
b.
de verbetering van beroepsvaardigheden;
c.
de omscholing naar beroepen buiten de zeevisserij;
d.
vervroegde uittreding uit de visserijsector, met inbegrip van vervroegde pensionering.

2. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten.

Paragraaf 6.5. Investeringen in verwerking en afzet

Artikel 6.8

  1. De Minister kan aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen en ondernemingen die niet onder de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen vallen en die minder dan 750 werknemers of een jaaromzet van minder dan € 200 miljoen hebben, subsidie verlenen voor projecten inhoudende investeringen ten behoeve van de verwerking en afzet van visserijproducten, met uitzondering van investeringen die betrekking hebben op visserijproducten die bestemd zijn om te worden gebruikt en te worden verwerkt voor andere doeleinden dan menselijke consumptie.
    1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend, indien de investeringen gericht zijn op:
      1. de verbetering van de arbeidsomstandigheden;
      2. de verbetering en controle van de omstandigheden betreffende hygiëne,
        volksgezondheid en productkwaliteit;
      3. de productie van kwalitatief hoogwaardige producten voor nichemarkten;
      4. de beperking van de negatieve gevolgen voor het milieu;
      5. een beter gebruik van weinig benutte soorten, bijproducten en afval;
      6. de productie of afzet van nieuwe producten, toepassing van nieuwe technologieën of ontwikkeling van innovatieve productiemethoden, of
      7. de afzet van producten die voornamelijk afkomstig zijn van lokale aanvoer en
        aquacultuur.

Paragraaf 6.6. Nieuwe markten en promotiecampagnes

Artikel 6.9

  1. De Minister kan subsidie verlenen voor projecten ter bevordering van de kwaliteit en het rendement van de visserij, de ontwikkeling van nieuwe markten en promotiecampagnes voor visserijproducten.
    1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten en wordt uitsluitend verleend, indien de projecten betrekking hebben op:
      1. nationale, regionale of transnationale afzetbevorderingscampagnes voor
        visserijproducten;
      2. de marktvoorziening met soorten waarvan er een overschot is of die onderbevist zijn, die normaliter worden teruggegooid of die geen handelswaarde hebben;
      3. de uitvoering van een kwaliteitsbeleid voor visserijproducten;
      4. de bevordering van de afzet van producten die zijn verkregen met methoden met een gering milieueffect;
      5. de bevordering van de afzet van producten die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93);
      6. kwaliteitscertificering, met inbegrip van het creëren van etiketten en de certificering van producten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden;
      7. campagnes ter verbetering van het imago van visserijproducten en van de
        visserijsector, of
      8. de uitvoering van marktonderzoeken.

Artikel 6.10. Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie indien:

a.
het project is gericht op handelsmerken, of
b.
er wordt verwezen naar specifieke landen of geografische gebieden, tenzij het producten betreft die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93).

Hoofdstuk 7. De-minimissteun

Paragraaf 7.1. Algemeen

Artikel 7.1. Reikwijdte

1. Deze paragraaf is van toepassing op subsidies die worden aangevraagd door en verleend aan ondernemingen in alle sectoren, met uitzondering van:

a.
ondernemingen in de sectoren visserij en aquacultuur;
b.
ondernemingen die werkzaam zijn in de primaire productie van landbouwproducten;
c.
ondernemingen die werkzaam zijn in de verwerking of afzet van landbouwproducten, indien de hoogte van de subsidiabele kosten van het project afhankelijk is van de hoeveelheid of de prijs van de afgenomen primaire producten.
  1. Geen subsidie wordt verleend voor projecten met betrekking tot de uitvoer van producten naar het buitenland.
  2. Op subsidies verleend op grond van deze paragraaf is verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 379) van toepassing.

Artikel 7.2. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a.
loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;
b.
kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen;
c.
kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;
d.
kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur;
e.
kosten van grond;
f.
kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen;
g.
een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20 procent van de onder a
bedoelde kosten.

2. De kosten voor de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren zijn niet subsidiabel.

Artikel 7.3. Hoogte van de subsidie

1. De subsidie bedraagt:

a.
90 procent van de subsidiabele kosten, indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder een of meer van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, b of d, van de wet;
b.
40 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet.

2. Projecten komen in aanmerking voor subsidie indien het toe te kennen subsidiebedrag niet hoger is dan:

a.
€ 200 000 per zelfstandige onderneming;
b.
€ 100 000 per zelfstandige ondernemer, indien de subsidieaanvrager deel uitmaakt van de sector wegvervoer.
  1. De subsidieaanvrager legt bij de subsidieaanvraag een de-minimisverklaring overeenkomstig het model in de bijlage bij deze regeling over. Ingeval van een subsidieaanvraag namens een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, legt elke aan het samenwerkingsverband deelnemende onderneming een dergelijke verklaring over.
  2. Indien een onderneming in het lopende belastingjaar of in de twee voorgaande belastingjaren enige andere vorm van de-minimissteun heeft ontvangen, dan wordt de subsidie zodanig lager vastgesteld dat de subsidie opgeteld bij deze eerdere steun het bedrag genoemd in het tweede lid niet overschrijdt.
  3. Subsidie op grond van dit hoofdstuk mag niet worden gecumuleerd met subsidie op grond van andere onderdelen van het Waddenfonds voor hetzelfde project.

Paragraaf 7.2. Visserij en aquacultuur

Artikel 7.4. Reikwijdte

1. Deze paragraaf is van toepassing op subsidies die worden aangevraagd door en verleend aan ondernemingen in de sectoren visserij en aquacultuur met uitzondering van:

a.
steun waarvan het bedrag is of wordt vastgesteld op basis van de prijs of de
hoeveelheid van de op de markt gebrachte producten;
b.
steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer, met name steun die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of voor andere lopende uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten;
c.
steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde
goederen;
d.
steun voor de vergroting van de vangstcapaciteit, uitgedrukt als tonnage of vermogen, als omschreven in artikel 3, onder n), van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, tenzij het in artikel 11, vijfde lid, van die verordening bedoelde steun voor de modernisering van het hoofddek bereft;
e.
steun voor de aankoop of bouw van vissersvaartuigen;
f.
steun verleend aan ondernemingen in moeilijkheden.

2. Op subsidies verleend op grond van deze paragraaf is verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PbEU L 193) van toepassing.

Artikel 7.5. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a.
loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;
b.
kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen;
c.
kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;
d.
kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur;
e.
kosten van grond;
f.
kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen;
g.
een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20 procent van de onder a
bedoelde kosten.

2. De kosten voor de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren zijn niet subsidiabel.

Artikel 7.6. Hoogte van de subsidie

1. De subsidie bedraagt:

a.
90 procent van de subsidiabele kosten, indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder een of meer van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, b of d, van de wet;
b.
40 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet.
  1. Projecten komen in aanmerking voor subsidie indien het toe te kennen subsidiebedrag niet hoger is dan € 30.000 per zelfstandige onderneming.
    1. De subsidieaanvrager legt bij de subsidieaanvraag een de-minimisverklaring overeenkomstig het model in de bijlage bij deze regeling over. Ingeval van een
    2. subsidieaanvraag namens een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, legt elke aan het samenwerkingsverband deelnemende onderneming een dergelijke verklaring over.
  2. Indien een onderneming in het lopende belastingjaar of in de twee voorgaande belastingjaren enige andere vorm van de-minimissteun heeft ontvangen, dan wordt de subsidie zodanig lager vastgesteld dat de subsidie opgeteld bij deze eerdere steun het bedrag genoemd in het tweede lid niet overschrijdt.
  3. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt niet gecumuleerd met subsidie op grond van andere onderdelen van het Waddenfonds voor hetzelfde project.

Paragraaf 7.3. Landbouw

Artikel 7.7. Reikwijdte

1. Deze paragraaf is van toepassing op subsidies die worden aangevraagd door en verleend aan ondernemingen van de landbouwproductiesector, met uitzondering van:

a.
steun waarvan het bedrag is of wordt vastgesteld op basis van de prijs of de
hoeveelheid van de op de markt gebrachte producten;
b.
steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer, met name steun die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten;
c.
steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde
producten;
d.
steun verleend aan ondernemingen in moeilijkheden.

2. Op subsidies verleend op grond van deze paragraaf is verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op deminimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) van toepassing.

Artikel 7.8. Subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

a.
loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;
b.
kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op
historische aanschafprijzen;
c.
kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;
d.
kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur;
e.
kosten van grond;
f.
kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen;
g.
een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20 procent van de onder a
bedoelde kosten.

2. De kosten voor de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren zijn niet subsidiabel.

Artikel 7.9. Hoogte van de subsidie

1. De subsidie bedraagt:

a. 90 procent van de subsidiabele kosten, indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder een of meer van de doelen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, b of d, van de wet;

b. 40 procent van de subsidiabele kosten indien de subsidieaanvraag een project betreft dat valt onder het doel, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet.

  1. Projecten komen in aanmerking voor subsidie indien het toe te kennen subsidiebedrag niet hoger is dan: € 7500 per zelfstandige onderneming.
  2. De subsidieaanvrager legt bij de subsidieaanvraag een de-minimisverklaring overeenkomstig het model in de bijlage bij deze regeling over. Ingeval van een subsidieaanvraag namens een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, derde lid, legt elke aan het samenwerkingsverband deelnemende onderneming een dergelijke verklaring over.
  3. Indien een onderneming in het lopende belastingjaar of in de twee voorgaande belastingjaren enige andere vorm van de-minimissteun heeft ontvangen, dan wordt de subsidie zodanig lager vastgesteld dat de subsidie opgeteld bij deze eerdere steun het bedrag genoemd in het tweede lid niet overschrijdt.
  4. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt niet gecumuleerd met subsidie op grond van andere onderdelen van het Waddenfonds voor hetzelfde project.

Artikel 7.10. Voorwaarden

In aanvulling op artikel 1.7, vierde lid, wordt in de beschikking tot subsidieverlening uitdrukkelijk vermeld dat sprake is van de-minimissteun.

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 8.1. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het Waddenfonds in werking treedt.

Artikel 8.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 18 juni 2007

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage behorend bij de artikelen 7.3, derde lid, 7.6, derde lid, en 7.9, derde lid

Modelverklaring de-minimissteun:

[Illustratie Verwijderd]

 

Explore WIPO