Wet op de naburige rechten
Geldend van 01092017 t/m heden
Wet van 18 maart 1993, houdende regelen inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films en omroeporganisaties en wijziging van de Auteurswet 1912
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van OranjeNassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het voornemen toe te treden tot het
in 1961 te Rome gesloten Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (Trb. 1986, 182) en de in 1971 te Genève gesloten Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen (Trb. 1986, 183) wenselijk is regelen te treffen inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en
omroeporganisaties en dat het voorts in verband hiermee wenselijk is de Auteurswet 1912 te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der StatenGeneraal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. uitvoerende kunstenaar: de toneelspeler, zanger, musicus, danser en iedere andere persoon die een werk van letterkunde, wetenschap of kunst of een uiting van folklore opvoert, zingt, voordraagt of op enige andere wijze uitvoert, alsmede de artiest, die een variété of circusnummer of een poppenspel uitvoert;
b. opnemen: geluiden, beelden of een combinatie daarvan voor de eerste maal vastleggen op
enig voorwerp dat geschikt is om deze te reproduceren of openbaar te maken;
c. fonogram: iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden;
d. producent van fonogrammen: de natuurlijke of rechtspersoon die een fonogram voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen;
e. omroeporganisatie: een instelling, die in overeenstemming met de wetgeving van het land waar de uitzending plaatsvindt, programma’s verzorgt en onder haar verantwoordelijkheid uitzendt of doet uitzenden;
f. reproduceren: de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van een opname of een reproductie daarvan, met welke middelen en in welke vorm ook; onder reproduceren wordt niet verstaan de tijdelijke reproductie die van voorbijgaande of incidentele aard is, en die een integraal en essentieel onderdeel vormt van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of een rechtmatig gebruik mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezit;
g. uitzenden: het verspreiden van programma’s door middel van een omroepzender als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008 of een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;
h. heruitzenden: het door een instelling gelijktijdig uitzenden van een programma dat door een andere instelling of omroeporganisatie wordt uitgezonden;
i. programma: een uitgezonden radio of televisieprogramma, of programmaonderdeel;
j. verhuren: het voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of
commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen;
k. uitlenen: het voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen door voor het publiek toegankelijke instellingen;
l. uitvoering: de activiteit van de uitvoerend kunstenaar als zodanig;
m. beschikbaar stellen voor het publiek: op grond van deze wet beschermd materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar stellen op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben;
n. technische voorzieningen: technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun
normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van het op grond van deze wet beschermd materiaal, die door de uitvoerend kunstenaar, producent
van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van films of omroeporganisatie niet
zijn toegestaan; technische voorzieningen worden geacht «doeltreffend» te zijn indien het gebruik van op grond van deze wet beschermd materiaal door de uitvoerend kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van films of omroeporganisatie, of hun rechtverkrijgenden, wordt beheerst door middel van toegangscontrole of door toepassing van een beschermingsprocédé zoals encryptie, vervorming of andere transformatie van op grond van deze wet beschermd materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt;
o. informatie betreffende het beheer van rechten: alle door de uitvoerende kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van films, of omroeporganisaties, en hun rechtverkrijgenden verstrekte informatie, welke is verbonden met een reproductie van op grond van deze wet beschermd materiaal of bij de openbaarmaking dan wel het in het verkeer brengen daarvan is bekend gemaakt, die dient ter identificatie van dat materiaal, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het op grond van deze wet beschermd materiaal alsmede de cijfers of codes waarin die informatie is vervat.
Artikel 1a
Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor de houder van een naburig recht gehouden degene die op of in het op grond van deze wet beschermde materiaal als zodanig is aangeduid, of bij gebreke van een dergelijke aanduiding, degene die bij de openbaarmaking of het in het verkeer brengen van dit materiaal als uitvoerende kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van films, of omroeporganisatie, daarvan is bekend gemaakt door degene die het materiaal openbaar maakt of in het verkeer brengt.
Hoofdstuk 2. Inhoud van de naburige rechten
Artikel 2
1. De uitvoerende kunstenaar heeft het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor een of meer van de volgende handelingen:
a. het opnemen van een uitvoering;
b. het reproduceren van een opname van een uitvoering;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen van een opname van een uitvoering of van een reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
d. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar stellen voor het publiek of het op een andere
wijze openbaar maken van een uitvoering of een opname van een uitvoering of een reproductie daarvan.
2. Is een opname van een uitvoering of een reproduktie daarvan door de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger van die opname of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onderc, genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van de in dat lid bedoelde opname van een uitvoering of een reproduktie daarvan toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden
bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 10, onderdeel i, omgezette materialen aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde rechtspersonen.
7. Ten aanzien van het in het eerste lid, onderd, bepaalde wordt onder openbaar maken mede verstaan de uitvoering die plaatsvindt in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie, vrienden of daaraan gelijk te stellen kring en voor het bijwonen daarvan geen betaling, in welke vorm ook, geschiedt.
8. Onder het openbaar maken van een uitvoering wordt niet begrepen de uitvoering welke uitsluitend gebruikt wordt voor het onderwijs dat vanwege de overheid of vanwege een rechtspersoon zonder winstoogmerk wordt gegeven, voorzover deze uitvoering deel uitmaakt van het schoolwerkplan, leerplan of instellingswerkplan of dient tot een wetenschappelijk doel.
9. Als afzonderlijke openbaarmaking wordt niet beschouwd de heruitzending van een programma door hetzelfde organisme dat dat programma oorspronkelijk uitzendt.
Artikel 2a
1. Indien een uitvoerende kunstenaar het verhuurrecht, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderc, met betrekking tot een op een fonogram opgenomen uitvoering heeft overgedragen aan de producent daarvan, is de producent de uitvoerende kunstenaar een billijke vergoeding verschuldigd voor de verhuur.
2. Van het in het eerste lid bedoelde recht op een billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
Artikel 2b
Hoofdstuk 1a van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing op de uitvoerende kunstenaar.
Artikel 3
De werkgever is bevoegd de rechten van de uitvoerende kunstenaar, bedoeld in artikel 2, te exploiteren, voor zover dit tussen partijen is overeengekomen dan wel voortvloeit uit de aard van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tenzij anders is overeengekomen of uit de aard van de overeenkomst, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit, is de werkgever aan de uitvoerende kunstenaar of zijn rechtverkrijgende een billijke vergoeding verschuldigd voor iedere vorm van exploitatie van diens rechten. De werkgever eerbiedigt de in artikel 5 bedoelde rechten van de uitvoerende kunstenaar.
Artikel 4
1. Op de uitvoering van een uitvoerende kunstenaar, die bestemd is als bijdrage voor de totstandkoming van een filmwerk als bedoeld in artikel 45a van de Auteurswet, zijn de artikelen
45a tot en met 45g van voornoemde wet van overeenkomstige toepassing.
2. Op een uitvoerend kunstenaar als bedoeld in het eerste lid die in het filmwerk een hoofdrol vervult, is artikel 45d, tweede lid tot en met zesde lid, van de Auteurswet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1. De uitvoerende kunstenaar heeft, zelfs nadat hij zijn in artikel 2 bedoelde recht heeft overgedragen:
a. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de uitvoering zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als uitvoerende kunstenaar tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de uitvoering onder een andere
naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de wijze waarop hij is aangeduid, voorzover deze naam of aanduiding in verband met de uitvoering is vermeld of openbaar is gemaakt;
c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in de uitvoering, tenzij deze wijziging van zodanige aard is dat het verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid;
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van de uitvoering, die nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de uitvoerende kunstenaar of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.
2. De in het voorgaande lid genoemde rechten komen na het overlijden van de uitvoerende kunstenaar tot aan het vervallen van zijn in artikel 2 bedoelde recht toe aan de door hem bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.
3. Van de in het eerste lid onderac genoemde rechten kan schriftelijk afstand worden gedaan.
Artikel 6
1. De producent van fonogrammen heeft het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor a. het reproduceren van een door hem vervaardigd fonogram;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen van een door hem vervaardigd fonogram of van een reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
c. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar stellen voor het publiek of het op een andere
wijze openbaar maken van een door hem vervaardigd fonogram of een reproductie daarvan. Artikel 2, zevende tot en met het negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Is een fonogram of een reproduktie daarvan door de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van van 2 mei 1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger van dat fonogram of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onderb, genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van het in dat lid bedoelde fonogram of een reproduktie daarvan toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 10, onderdeel i, omgezette materialen aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een
billijke vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel 7
1. Een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram of een reproduktie daarvan kan zonder toestemming van de producent van het fonogram en de uitvoerende kunstenaar of hun rechtverkrijgenden worden uitgezonden, heruitgezonden of op een andere wijze openbaar gemaakt, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. Het in het eerste volzin bepaalde is niet van toepassing op het beschikbaar stellen voor het publiek van een dergelijk fonogram.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram mede begrepen een fonogram dat beschikbaar wordt gesteld voor het publiek.
3. Bij gebreke van overeenstemming over de hoogte van de billijke vergoeding is de rechtbank Den Haag in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd om op vordering van de meest gerede partij de hoogte van de vergoeding vast te stellen.
4. De vergoeding komt toe aan zowel de uitvoerende kunstenaar als de producent of hun rechtverkrijgenden en wordt tussen hen gelijkelijk verdeeld.
Artikel 7a
1. De producent van de eerste vastleggingen van films heeft het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor:
a. het reproduceren van een door hem vervaardigde eerste vastlegging van een film of van een reproduktie daarvan;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen van een door hem vervaardigde eerste vastlegging van een film of een reproduktie daarvan, dan wel het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
c. het beschikbaar stellen voor het publiek van een door hem vervaardigde eerste vastlegging van een film of een reproductie daarvan.
2. Is een eerste vastlegging van een film of een reproduktie daarvan door de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger van die eerste vastlegging of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onderb, genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van de in dat lid bedoelde eerste vastlegging of een reproduktie daarvan toegestaan, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 10, onderdeel i, omgezette materialen aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel 8
1. Een omroeporganisatie heeft het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor een of meer van de volgende handelingen:
a. het heruitzenden van programma's;
b. het opnemen van programma’s en het reproduceren van een dergelijke opname;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen van een opname van een uitzending of van een reproduktie daarvan dan wel het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
d. het openbaarmaken van programma's, indien deze openbaarmaking geschiedt in voor het publiek toegankelijke plaatsen tegen betaling van entreegeld, ongeacht welke technische hulpmiddelen daarbij worden gebruikt;
e. het beschikbaar stellen voor het publiek of op andere wijze openbaar maken van opnamen van programma's of reproducties daarvan, ongeacht welke technische hulpmiddelen daarbij worden gebruikt. Artikel 2, zevende tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Is een opname van een uitzending of een reproduktie daarvan door de houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger van die opname of die reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onderc, genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het uitlenen van de in dat lid bedoelde opname van een uitzending of een reproduktie daarvan toegestaan mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt.
4. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het derde lid.
5. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 10, onderdeel i, omgezette materialen aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
6. De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De houder van het uitsluitend recht dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en 15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel 9
1. De rechten die deze wet verleent gaan over bij erfopvolging. Deze rechten zijn vatbaar voor
gehele of gedeeltelijke overdracht. Voor het verrichten van handelingen als bedoeld in de artikelen
2, 6, 7a en 8 kan voor het geheel of een gedeelte van het uitsluitend recht een licentie worden verleend.
2. De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, alsmede het verlenen van een exclusieve licentie, geschiedt door een daartoe bestemde akte.
3. De overdracht of het verlenen van een exclusieve licentie door de uitvoerende kunstenaar of de natuurlijke persoon die het uitsluitend recht als bedoeld in artikel 2 als erfgenaam of legataris
heeft verkregen omvat alleen die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of de strekking van de titel noodzakelijkerwijs voortvloeit.
Artikel 9a
De in artikel 25e, derde lid van de Auteurswet genoemde termijn bedraagt ten minste één jaar indien:
a. de in artikel 9, eerste lid bedoelde overdracht behelst een overdracht door een uitvoerende kunstenaar van zijn rechten op de uitvoering van een muziekwerk aan de producent van een fonogram, en
b. sinds het fonogram is openbaar gemaakt dan wel op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht ten minste 50 jaar zijn verstreken.
Artikel 9b
1. Indien de in artikel 9, eerste lid bedoelde overdracht behelst de overdracht van de rechten van zijn uitvoering aan de producent van een fonogram, en bij die overdracht een nietperiodieke vergoeding is overeengekomen, heeft de uitvoerende kunstenaar, of in het geval van meerdere uitvoerende kunstenaars, de uitvoerende kunstenaars gezamenlijk het recht om van die producent een jaarlijkse aanvullende vergoeding te ontvangen voor ieder volledig jaar volgend op het 50ste jaar nadat dat fonogram voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht, of indien
dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
2. De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt 20 procent van de inkomsten die de producent van het fonogram heeft verkregen met de reproductie, verspreiding en beschikbaarstelling van het fonogram in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergoeding wordt betaald.
3. Indien de in artikel 9, eerste lid bedoelde overdracht behelst de overdracht van de rechten op de vastlegging van zijn uitvoering aan de producent van een fonogram, en bij die overdracht een periodieke vergoeding is overeengekomen, wordt die vergoeding vanaf het jaar volgend op het
50ste jaar nadat dat fonogram voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht, of indien dit eerder valt, is openbaar gemaakt, uitgekeerd zonder dat daarop contractueel bedongen voorschotten of kortingen worden ingehouden.
4. Van de in de leden 1 tot en met 3 genoemde rechten kan de uitvoerende kunstenaar geen afstand doen.
Artikel 9c
De rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, zijn niet van toepassing op een door of vanwege de openbare macht in het verkeer gebrachte opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film, opnamen van een programma, en een reproductie daarvan en openbaar gemaakte uitvoering, opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film, programma, opname van een programma, en een reproductie daarvan, waarvan de openbare macht de rechthebbende is, tenzij de rechten hetzij in het algemeen bij de wet, besluit of verordening, hetzij in een bepaald geval blijkens mededeling op of in het op grond van deze wet beschermde materiaal zelf dan wel bij het in het verkeer brengen of openbaar maken daarvan uitdrukkelijk zijn voorbehouden.
Artikel 10
Als inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, wordt niet beschouwd:
a. het overnemen van op grond van deze wet beschermd materiaal over actuele economische, politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke onderwerpen, die in een radio of televisieprogramma of ander medium dat eenzelfde functie vervult, zijn openbaar gemaakt of in het verkeer gebracht, indien het overnemen geschiedt in een radio of televisieprogramma of ander medium dat eenzelfde functie vervult; artikel 15, eerste lid, onder 3° en 4°, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen;
b. het citeren in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of een uiting met een vergelijkbaar doel; artikel 15a, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen;
c. het door middel van een besloten netwerk beschikbaar stellen van een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of opname van een programma, of een reproductie daarvan, dat onderdeel uitmaakt van verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken en musea of archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, door middel van daarvoor bestemde terminals in de gebouwen van die instellingen aan individuele leden van het publiek voor onderzoek of privéstudie, tenzij anders is overeengekomen;
d. de verslaggeving in het openbaar in een film, radio of televisiereportage over actuele gebeurtenissen, voorzover zulks voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis die het onderwerp van de reportage uitmaakt gerechtvaardigd is en mits slechts gebruik wordt gemaakt van korte fragmenten; artikel 16a van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing;
e. het reproduceren van op grond van deze wet beschermd materiaal, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van een natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt; de artikelen 16c, tweede tot en met zevende lid, 16d tot en met 16ga, 17d en 35c van de Auteurswet zijn van overeenkomstige toepassing;
f. de reproductie van een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of opname van een programma, of een reproductie daarvan, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen of musea of door archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, indien het reproduceren geschiedt met als enig doel een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of opname van een programma, of een reproductie daarvan, voor de instelling te behouden bij aantoonbare dreiging van verval dan wel raadpleegbaar te houden als de technologie waarmee het toegankelijk kan worden gemaakt in onbruik raakt; artikel 16n, tweede lid, onder 1° en 2°, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten
aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen;
g. de tijdelijke vastlegging door een omroeporganisatie die bevoegd is tot de openbaarmaking door uitzending van een radio of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat eenzelfde functie vervult, met haar eigen middelen en uitsluitend voor uitzending van haar eigen programma’s; ten aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen; artikel 17b, eerste en derde lid, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing;
h. de incidentele verwerking van op grond van deze wet beschermd materiaal als onderdeel van ondergeschikte betekenis in ander materiaal;
i. de reproductie, het openbaar maken of het in het verkeer brengen van op grond van deze wet beschermd materiaal voor zover dat uitsluitend voor mensen met een handicap bestemd is, met de handicap direct verband houdt, van niet commerciële aard is en wegens die handicap noodzakelijk is; de artikelen 15i, tweede lid, en 16g van de Auteurswet zijn van overeenkomstige toepassing;
j. een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is;
k. het overnemen van op grond van deze wet beschermd materiaal ten behoeve van de
opsporing van strafbare feiten, de openbare veiligheid of om het goede verloop van een bestuurlijke, parlementaire of gerechtelijke procedure of de berichtgeving daarover te waarborgen; en
l. het reproduceren en het beschikbaar stellen voor het publiek van een voor het eerst in een
lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer gebracht of openbaar gemaakte opname van een uitvoering, fonogram of eerste vastlegging van een film, of een reproductie daarvan, deel uitmakende van de verzameling van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea, alsmede archieven en instellingen voor cinematografisch of audiovisueel erfgoed die niet het behalen van direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven en publieke mediainstellingen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008, indien de rechthebbende na een zorgvuldige zoektocht niet is geïdentificeerd en opgespoord. De artikelen 16o tot en met 16q en 17 van de Auteurswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Van inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, is geen sprake indien de handelingen, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, uitsluitend worden verricht ter toelichting bij het onderwijs, voor zover dit door het beoogde, niet commerciële doel wordt gerechtvaardigd; artikel 16, eerste lid, onder 1°, 2°, 4° en 5°, van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht genomen te worden.
Artikel 12
1. De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen door verloop van 50 jaren te rekenen van de
1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de uitvoering heeft plaatsgehad.
2. Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een opname van de uitvoering anders dan op een fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of openbaar gemaakt, vervallen de rechten door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de opname voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of, indien dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
3. Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een opname van de uitvoering op een fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of openbaar gemaakt, vervallen de rechten door verloop van 70 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin het fonogram voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of, indien dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
4. De rechten van producenten van fonogrammen vervallen door verloop van 70 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin het fonogram is vervaardigd. Indien binnen deze termijn het fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht, vervallen de rechten door verloop van 70 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op dat waarin het fonogram voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht. Indien het fonogram binnen de in de vorige zin bedoelde termijn niet op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht maar wel openbaar is gemaakt, vervallen de rechten 70 jaar na de datum waarop het fonogram voor het eerst is openbaar gemaakt.
5. De rechten van omroeporganisaties vervallen door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin een programma voor het eerst is uitgezonden, ongeacht welke technische hulpmiddelen daarbij worden gebruikt.
6. De rechten van producenten van de eerste vastlegging van een film vervallen door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de eerste vastlegging heeft plaatsgehad. Indien echter binnen deze termijn de eerste vastlegging op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht of is openbaar gemaakt, vervallen de rechten door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de eerste vastlegging voor het
eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht, of indien dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
Hoofdstuk 3. De uitoefening en de handhaving van de naburige rechten
Artikel 13
De in artikel 2 bedoelde rechten kunnen, ingeval het een gezamenlijke uitvoering door zes of meer personen betreft, uitsluitend worden uitgeoefend door een door de aan die uitvoering deelnemende uitvoerende kunstenaars bij meerderheid gekozen vertegenwoordiger. Het bepaalde in de eerste zin van dit artikel is niet van toepassing op de aan de gezamenlijke uitvoering meewerkende solist, regisseur en dirigent. De handhaving van de in artikel 2 bedoelde rechten kan, ingeval het een gezamenlijke uitvoering betreft, door een ieder van de aan die uitvoering deelnemende uitvoerende kunstenaars geschieden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel 14
Indien aan twee of meer producenten van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films of omroeporganisaties een gemeenschappelijk recht ten aanzien van eenzelfde fonogram, eerste
vastlegging van een film of programma toekomt, kan de handhaving van dit recht door ieder van hen geschieden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel 14a
1. Het recht van de uitvoerende kunstenaar en de producent van fonogrammen om toestemming te verlenen voor het ongewijzigd en onverkort heruitzenden van een uitvoering onderscheidenlijk een fonogram of een reproduktie daarvan door middel van een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008, kan uitsluitend worden uitgeoefend door rechtspersonen die
zich ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van rechthebbenden door de uitoefening
van het aan hen toekomende hiervoor bedoelde recht te behartigen.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen zijn ook bevoegd de belangen te behartigen van rechthebbenden die daartoe geen opdracht hebben gegeven, indien het betreft de uitoefening van dezelfde rechten als in de statuten vermeld. Indien meerdere rechtspersonen zich blijkens de statuten de behartiging van de belangen van dezelfde categorie rechthebbenden ten doel stellen, kan de rechthebbende, bedoeld in de eerste zin van dit lid, een van hen aanwijzen als bevoegd tot de behartiging van zijn belangen.
3. Voor rechthebbenden die geen opdracht hebben gegeven als bedoeld in het tweede lid, gelden de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst die een tot de uitoefening van dezelfde rechten bevoegde rechtspersoon heeft gesloten met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde uitzending, onverkort.
4. Vorderingen jegens de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon terzake van de door deze geïnde gelden vervallen door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de in het eerste lid bedoelde heruitzending heeft plaatsgevonden.
5. Dit artikel is niet van toepassing op rechten als bedoeld in het eerste lid die toekomen aan een omroeporganisatie met betrekking tot haar eigen uitzendingen.
Artikel 14b
Partijen zijn verplicht de onderhandelingen over de toestemming voor het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, te goeder trouw te voeren en niet zonder geldige reden te verhinderen of te belemmeren.
Artikel 14c
1. Indien over het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, geen overeenstemming kan
worden bereikt, kan iedere partij een beroep doen op een of meer bemiddelaars. De bemiddelaars worden zodanig geselecteerd dat over hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.
2. De bemiddelaars verlenen bijstand bij het voeren van de onderhandelingen en zijn bevoegd aan de partijen voorstellen te betekenen. Tot drie maanden na de dag van ontvangst van de voorstellen van de bemiddelaars kan een partij zijn bezwaren tegen deze voorstellen betekenen aan de andere partij. De voorstellen van de bemiddelaars binden de partijen, tenzij binnen de in de vorige zin bedoelde termijn door een van hen bezwaren zijn betekend. De voorstellen en de bezwaren worden aan de partijen betekend overeenkomstig het bepaalde in de zesde afdeling van de eerste titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 14d
De artikelen 14b en 14c zijn van overeenkomstige toepassing op het ongewijzigde en onverkorte heruitzenden van het programma van een omroeporganisatie door middel van een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008.
Artikel 15
1. De betaling van de in artikel 7 bedoelde billijke vergoeding dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen representatieve rechtspersoon die met uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast. Ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van de vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening van het uitsluitend recht vertegenwoordigt de in de vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in en buiten rechte.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs en naburige rechten.
3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt overeenkomstig een reglement dat is opgesteld door de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs en naburige rechten.
Artikel 15a
1. De betaling van de in de artikelen 2, 6, 7a en 8 bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen naar hun oordeel representatieve rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van deze vergoeding. In aangelegenheden betreffende de vaststelling van de hoogte van de vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening van het uitsluitende recht vertegenwoordigt de in de vorige zin bedoelde
rechtspersoon de rechthebbenden in en buiten rechte.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs en naburige rechten.
3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld door de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs en naburige rechten.
Artikel 15b
De hoogte van de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen stichting waarvan het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van rechthebbenden en de ingevolge voornoemde artikelen betalingsplichtigen op evenwichtige wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting wordt benoemd door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het aantal bestuursleden van deze stichting dient oneven te zijn.
Artikel 15c
Geschillen met betrekking tot de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding worden in eerste aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank Den Haag.
Artikel 15d
Degene die tot betaling van de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding verplicht is, is gehouden, voor zover geen ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1 april van ieder kalenderjaar aan de in artikel 15a, eerste lid, bedoelde rechtspersoon opgave te doen van het aantal rechtshandelingen, bedoeld in eerstgenoemde artikelen. Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze rechtspersoon onverwijld de bescheiden of andere informatiedragers ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
Artikel 15e
De rechter kan op vordering van de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op zijn naburig recht te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.
Artikel 15f
De voorzieningenrechter kan op vordering van de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en
8, tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door de rechthebbende geleden schade. Onder dezelfde
voorwaarden kan de rechter voortzetting van de dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in artikel 15e toestaan.
Artikel 15g
1. De betaling van de in artikel 9b, eerste lid bedoelde vergoeding geschiedt aan een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen rechtspersoon. Deze rechtspersoon is met uitsluiting van anderen belast met de inning en verdeling van de vergoeding.
2. Degene die is verplicht tot betaling van de in artikel 9b, eerste lid bedoelde vergoeding verschaft de gerechtigde tot die vergoeding op zijn verzoek alle informatie die noodzakelijk is ter verkrijging van de betaling.
3. Degene die is verplicht tot betaling van de in artikel 9b, eerste lid bedoelde vergoeding, doet, voor zover geen ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1 april van ieder kalenderjaar aan de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon opgave van de inkomsten die hij met het fonogram heeft verkregen. Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze rechtspersoon onverwijld de bescheiden of andere informatiedragers ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
4. Degene die de in het vorige lid bedoelde opgave opzettelijk nalaat dan wel in die opgave opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 16
1. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.
2. Naast schadevergoeding kan de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, vorderen dat degene die inbreuk op zijn recht heeft gemaakt wordt veroordeeld de door deze tengevolge van de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen.
3. De rechthebbende kan de in het tweede lid bedoelde vorderingen of een van deze ook namens of mede namens een licentienemer instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatste in een al of niet namens hem of mede namens hem door de rechthebbende ingesteld geding tussen te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade vergoed te krijgen of om zich een evenredig deel van de door de verweerder af te dragen winst te doen toewijzen. De in het tweede lid bedoelde vorderingen of een van deze kan een licentienemer slechts instellen als hij de bevoegdheid daartoe heeft bedongen.
Artikel 17
1. De rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, geven de bevoegdheid om opnamen of reproducties daarvan die in strijd met die rechten in het verkeer zijn gebracht alsmede niet geoorloofde opnamen of reproducties, als zijn eigendom op te eisen dan wel onttrekking aan het handelsverkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Gelijke bevoegdheid bestaat ten aanzien van roerende zaken die geen registergoederen zijn en die rechtstreeks hebben gediend tot de vervaardiging van de in de eerste zin bedoelde opnamen of reproducties.
Bevoegdheid tot opeising bestaat tevens ten aanzien van gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen door of als gevolg van inbreuk op een van de in de artikelen 2, 6, 7a en 8 bedoelde rechten. Teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan, kan de gerechtigde de afgifte van deze zaken vorderen.
2. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn, zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor.
3. Tenzij anders is overeengekomen, heeft de licentienemer het recht de uit het eerste lid voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten waarvan de uitoefening hem is toegestaan.
4. Gelijke bevoegdheid tot opeising, dan wel tot onttrekking aan het handelsverkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking alsmede tot afgifte teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan, bestaat ten aanzien van inrichtingen, producten en onderdelen als bedoeld in artikel 19 en reproducties als bedoeld in artikel 19a, die geen registergoederen zijn.
5. De maatregelen bedoeld in het eerste en vierde lid worden op kosten van de verweerder uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
6. De rechter kan op vordering van de rechthebbende bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken, aan de gerechtigde mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit bevel worden gegeven aan een derde die op commerciële schaal inbreukmakende goederen in zijn bezit heeft of gebruikt, die op commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden gebruikt, of die door een van deze derden is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, fabricage of distributie van deze goederen of bij het verlenen
van deze diensten. Deze derde kan zich verschonen van het verstrekken van informatie die bewijs zou vormen van deelname aan een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom door hem
zelf of door de andere in artikel 165, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde
personen.
7. Bij de beoordeling van de maatregelen die de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en
8, of diens licentienemer kan vorderen ingevolge de bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde lid, houdt de rechter rekening met de noodzakelijke evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen en met de belangen van derden.
Artikel 18
De in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevoegdheid kan niet worden uitgeoefend ten aanzien van opnamen of reprodukties daarvan, die onder personen berusten, die niet in soortgelijke zaken handel drijven en deze uitsluitend voor eigen gebruik hebben verkregen, tenzij zij zelf inbreuk op het desbetreffende recht hebben gemaakt.
Artikel 18a
De rechter kan op vordering van de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8, gelasten dat op kosten van degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.
Artikel 19
1. Degene, die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, handelt onrechtmatig.
2. Degene die diensten verricht of inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert, verkoopt, verhuurt, adverteert of voor commerciële doeleinden bezit die:
a) aangeboden, aangeprezen of in de handel gebracht worden met het doel om de beschermende werking van doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen, of
b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben anders dan het omzeilen van de
beschermende werking van doeltreffende technische voorzieningen, of
c) vooral ontworpen, vervaardigd of aangepast worden met het doel het omzeilen van de beschermende werking van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken,
handelt onrechtmatig.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden vastgesteld die de uitvoerende kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van films en omroeporganisatie, of hun rechtverkrijgenden, er toe verplichten aan de gebruiker van een uitvoering, opname van een uitvoering, fonogram, film of programma, of een reproductie daarvan voor doeleinden als omschreven in artikel 10, onderdelen e, f, g, i en k, en artikel 11 de nodige middelen te
verschaffen om van deze beperkingen te profiteren, mits de gebruiker rechtmatig toegang tot door
de technische voorziening beschermde uitvoering, opname van een uitvoering, fonogram, film of programma, of reproductie daarvan, heeft. Het bepaalde in de voorgaande zin geldt niet ten aanzien van uitvoeringen, opnamen van uitvoeringen, fonogrammen, films of programma's, of reproducties daarvan, die onder contractuele voorwaarden aan gebruikers beschikbaar worden gesteld op een door hen individueel gekozen plaats en tijd. Artikel 17d van de Auteurswet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19a
Degene die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn elektronische informatie betreffende het beheer van rechten verwijdert of wijzigt, of van opnamen van uitvoeringen, fonogrammen, films of programma's, of reproducties daarvan, op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd, verspreidt, ter verspreiding invoert, uitzendt of anderszins openbaar maakt, en weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot inbreuk op de rechten als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, handelt onrechtmatig.
Artikel 20
1. Op verzoek van een of meer naar het oordeel van de Minister van Justitie representatieve organisaties van bedrijfs of beroepsgenoten, die rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zijn en die ten doel hebben de behartiging van de belangen van personen die beroeps of bedrijfsmatig opnamen of reprodukties daarvan, verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen dan wel voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in voorraad hebben, kan voornoemde minister bepalen dat door hem aangewezen beroeps of bedrijfsgenoten verplicht zijn hun administratie te voeren op een nader door hem aan te geven wijze.
2. Hij die de in het vorige lid bedoelde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Het feit is een overtreding.
Hoofdstuk 4. Bepalingen van strafrecht
Artikel 21
Hij die opzettelijk inbreuk maakt op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 22
Hij, die opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op de rechten als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of een opname van een programma, of een reproductie daarvan, is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter reproductie of ter verspreiding voorhanden heeft, c. invoert, doorvoert of uitvoert, of
d. bewaart uit winstbejag,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 23
Hij, die van het plegen van de misdrijven als bedoeld in de artikelen 21 en 22, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 24
Hij, die een voorwerp waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarin met inbreuk op de rechten als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet een opname van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of een opname van een programma, of een reproductie daarvan, is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter reproductie of ter verspreiding voorhanden heeft, c. invoert, doorvoert of uitvoert of
d. bewaart uit winstbejag,
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 25
Hij die opzettelijk in een uitvoering, in de benaming daarvan of in de aanduiding van de uitvoerende kunstenaar wederrechtelijk enige wijziging aanbrengt, of wel een zodanige uitvoering op enige andere wijze, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de uitvoerende kunstenaar of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, aantast, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 26
De feiten strafbaar gesteld in de artikelen 21, 22, 23, 24 en 25 zijn misdrijven.
Artikel 27
Hij die in een schriftelijke aanvrage of opgave aan de in artikel 15, eerste lid, bedoelde rechtspersoon, dienende voor de vaststelling van het op grond van artikel 7 van deze wet verschuldigde, opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 27a
Degene die een opgave, bedoeld in artikel 15d, opzettelijk nalaat dan wel in een dergelijke opgave opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 28
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd, tot het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten en ter inbeslagneming van hetgeen daarvoor vatbaar is, elke plaats te betreden. Indien hun de toegang wordt geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere last van of in tegenwoordigheid van een officier van justitie of een hulpofficier van justitie. Van dit binnentreden wordt door hen binnen vierentwintig uren procesverbaal opgemaakt.
Artikel 29
De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde tot het opsporen van bij deze wet strafbaar gestelde feiten inzage vorderen van alle bescheiden of andere gegevensdragers, waarvan inzage voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig is, bij hen die in de uitoefening van hun beroep of bedrijf opnamen of reprodukties daarvan, waarop de in de artikelen 2, 6, 7a en 8 bedoelde rechten betrekking hebben, reproduceren, verkopen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen dan wel voor die doeleinden invoeren, doorvoeren, uitvoeren aanbieden of in voorraad hebben of openbaar maken.
Artikel 30
1. De door de strafrechter verbeurd verklaarde opnamen en reprodukties worden vernietigd; echter kan de rechter bij het vonnis bepalen, dat zij aan de rechthebbende zullen worden afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen een maand nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Door de afgifte gaat de eigendom van de opnamen en reprodukties op de rechthebbende over.
De rechter zal kunnen gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen een bepaalde door de rechthebbende te betalen vergoeding, welke ten bate komt van de Staat.
Artikel 31
[Vervallen per 26032008] Hoofdstuk 5. Toepassingscriteria Artikel 32
1. De voorgaande artikelen zijn op de uitvoerende kunstenaar van toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 of zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft dan wel onderdaan is van een Staat die partij is bij
het Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties; of
b. zijn uitvoering in Nederland plaats had dan wel in een Staat die partij is bij het Verdrag van
Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties; of
c. zijn uitvoering is opgenomen op een fonogram als bedoeld in het tweede lid van dit artikel; of d. zijn uitvoering, die niet is opgenomen op een fonogram, is openbaar gemaakt door middel van
een programma van een omroeporganisatie als bedoeld in het zesde lid van dit artikel.
2. De voorgaande artikelen zijn op de producenten van fonogrammen van toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het recht van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel of gewone verblijfplaats heeft of onderdaan is van dan wel rechtspersoon is opgericht naar het recht van een Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst
ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen; of
b. het opnemen in Nederland plaats had dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen; of
c. het fonogram voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na de eerste uitgave in een ander land, in het verkeer is gebracht in Nederland dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen.
3. Van het in het verkeer brengen als bedoeld in het tweede lid is sprake, wanneer van op rechtmatige wijze vervaardigde reprodukties van een fonogram een zodanig aanbod van exemplaren daarvan heeft plaatsgevonden dat daardoor wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek.
4. Met betrekking tot fonogrammen, waarvan de producent onderdaan is van dan wel rechtspersoon is opgericht naar het recht van een Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome is artikel 7 slechts van toepassing in de mate waarin en voor de duur waarvoor deze Staat bescherming verleent ten aanzien van fonogrammen waarvan de producent Nederlander is dan wel zijn zetel heeft in Nederland.
5. Het recht op een billijke vergoeding, als bedoeld in artikel 7, geldt niet voor fonogrammen waarvan de producent geen onderdaan is van noch rechtspersoon is opgericht naar het recht van een
Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome.
6. De voorgaande artikelen zijn op omroeporganisaties van toepassing ingeval:
a. het hoofdkantoor van de omroeporganisatie is gevestigd in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste lid, ondera, bedoelde Verdrag van Rome; of
b. de uitzending van het programma heeft plaatsgevonden in Nederland dan wel in een Staat die partij is bij het in het eerste lid ondera, bedoelde Verdrag van Rome; of
7. Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel is niet van toepassing op fonogrammen waarvan de producent onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het recht van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.
8. De voorgaande artikelen zijn op de producent van de eerste vastleggingen van films van toepassing ingeval:
a. hij onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het recht van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel of gewone verblijfplaats heeft; of
b. de vastlegging in Nederland plaats had; of
c. de vastlegging voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na de eerste uitgave in een ander land, in het verkeer is gebracht in Nederland.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32a
1. De voorgaande artikelen zijn van toepassing op het uitzenden van een uitvoering, fonogram, of programma of een reproduktie daarvan door middel van een satelliet, indien in Nederland onder controle en verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek zijn ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van een uitzending, bedoeld in de eerste zin, indien de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.
2. De voorgaande artikelen zijn voorts van toepassing op het uitzenden, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de handeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in een land dat niet tot de Europese Unie behoort of dat niet partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992;
b. het land waar de handeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt niet het niveau van
bescherming biedt, voorzien in hoofdstuk II van richtlijn nr. 93/83/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PbEG L 248); en
c. hetzij de programmadragende signalen naar de satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation in Nederland, hetzij een omroeporganisatie die in Nederland haar hoofdvestiging heeft, opdracht heeft gegeven tot de uitzending en geen gebruik wordt gemaakt van een grondstation in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.
Artikel 33
Ten aanzien van uitvoeringen, fonogrammen of programma's, die voor het tijdstip van in werking treden van deze wet hebben plaatsgevonden, zijn vervaardigd onderscheidenlijk zijn uitgezonden, zijn de door deze wet verleende rechten van toepassing voor zover het gedragingen betreft die plaatsvinden na het tijdstip van in werking treden van deze wet.
Artikel 33a
1. Uitvoerende kunstenaars die onderdaan zijn van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die geen partij is bij het Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, en omroeporganisaties, waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in een staat als hiervoor bedoeld, kunnen geen beroep doen op de door deze wet verleende rechten, indien de duur daarvan ingevolge de nationale wetgeving reeds is verstreken.
2. Het in het eerste lid bepaalde is eveneens van toepassing op
a. producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van een staat, niet zijnde ene lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die geen partij is bij het in het eerste lid bedoelde Verdrag of bij de Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen;
b. producenten van eerste vastlegging van films die onderdaan zijn van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, waarvan de nationale wetgeving in een kortere beschermingstermijn voorziet dan die bedoeld in artikel 12, vierde lid.
Artikel 34
De voorgaande artikelen van deze wet laten een beroep op artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek onverlet.
Hoofdstuk 6. Overgangsbepaling
Artikel 35
1. De in deze wet voorziene beschermingstermijnen zijn met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing op uitvoeringen, fonogrammen, eerste vastleggingen van films of programma's, die op 1 juli 1995 in ten minste één lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 beschermd worden door de nationale wetgeving op het gebied van de naburige rechten of die op die datum voldoen aan de beschermingscriteria van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1992,PbEG 1992, L
346/61, betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom.
2. Artikel 12, derde en vierde lid, is niet van toepassing op opnames van uitvoeringen dan wel fonogrammen die op 1 november 2013 niet meer beschermd waren op grond van artikel 12,
eerste lid, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 9 oktober 2013 tot wijziging van de Wet op de naburige rechten in verband met de omzetting van Richtlijn
2011/77/EU van het Europees Parlement en de Europese Raad van 27 september 2011 tot
wijziging van de Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten (Stb. 2013, 383).
3. Deze wet laat vóór inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig verrichte exploitatiehandelingen alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet.
4. Hij die met betrekking tot een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van een film of een programma, waarvan de beschermingstermijn vóór inwerkingtreding van dit artikel was verstreken en waarop met ingang van inwerkingtreding van dit artikel deze wet weer van toepassing is, vóór
24 november 1993 rechtmatig exploitatiehandelingen heeft verricht, is bevoegd deze exploitatiehandelingen met ingang van inwerkingtreding van dit artikel voort te zetten.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 36
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 37
Deze wet kan worden aangehaald als de Wet op de naburige rechten.
Lasten en bevelen dat deze wet in hetStaatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 'sGravenhage, 18 maart 1993
Beatrix
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. d’Ancona
Uitgegeven de eerste april 1993
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin
- Chapter 1 Definitions
- Chapter 2 Content of Neighboring Rights
- Chapter 3 The Exercise and Enforcement of Neighboring Rights
- Chapter 4 Criminal Provisions
- Chapter 5 Criteria of Application
- Chapter 6 Amendment of the Copyright Law 1912
- Chapter 7 Final Provisions
Law of March 18, 1993, Containing Rules on the Protection of Performers, Phonogram Producers and Broadcasting Organizations and Amending the Copyright Law 1912*
(Law on Neighboring Rights)
TABLE OF CONTENTS**
Articles
Chapter 1: Definitions ................................................................................................... 1
Chapter 2: Content of Neighboring Rights .................................................................... 2 – 12
Chapter 3: The Exercise and Enforcement of Neighboring Rights................................ 13 – 20
Chapter 4: Criminal Provisions ..................................................................................... 21 – 31
Chapter 5: Criteria of Application ................................................................................. 32 – 34
Chapter 6: Amendment of the Copyright Law 1912 (Staatsblad 308) .......................... 35
Chapter 7: Final Provisions ........................................................................................... 36 – 37
Chapter 1
Definitions
Art. 1. For the implementation of the provisions of this Law or of provisions pursuant to this Law:
- (a)
- “performers” shall mean actors, singers, musicians, dancers and any other person who acts, sings, delivers or otherwise performs a literary or artistic work, as also an artist who performs a variety or circus act or a puppet show;
- (b)
- “recording” shall mean the fixing of sounds, images or a combination thereof, for the first time on any medium suitable to reproduce or communicate to the public such fixation; (c) “phonogram” shall mean any recording of the sounds only of a performance or of other sounds;
- (d)
- “phonogram producer” shall mean the natural or legal person who first manufactures a phonogram or first has a phonogram manufactured;
- (e)
- “broadcasting organization” shall mean an establishment that produces programs and broadcasts them or has them broadcast under its responsibility, in compliance with the legislation of the country in which the broadcasting takes place;
- (f)
- “reproduction” shall mean the manufacture of one or more copies of a recording or of part of a recording;
- (g)
- “broadcasting” shall mean the dissemination of programs by means of a transmitter within the meaning of Article 1, first paragraph, item (cc), of the Media Law (Staatsblad 1987, 249) or of a cable broadcasting installation within the meaning of Article 1, first paragraph, item (g), of the Law on Telecommunication Services (Staatsblad 1988, 520);
- (h)
- “rebroadcasting” shall mean the simultaneous broadcasting by one establishment of a program that has been broadcast by another establishment or broadcasting organization;
(i) “program” shall mean a broadcast radio or television program or a part of a program.
* Entry into force: July 1, 1993.
Source: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden , 1993, 178.
Note: Translation by the International Bureau of WIPO.
** Added by WIPO.
Chapter 2
Content of Neighboring Rights
Art. 2.–
- (1)
- Performers shall have the exclusive right to give their consent to one or more of the following acts:
- (a)
- the recording of a performance;
- (b)
- the reproduction of a recording of a performance;
- (c)
- the sale, supply or other putting into circulation, as also importing, offering or storing for such purposes, a recording of a performance or a reproduction thereof;
- (d)
- the broadcasting, rebroadcasting or any other form of communication to the public of a performance or a recording of a performance or a reproduction thereof.
- (2)
- Where a reproduction of a recording of a performance has been put into circulation by the holder of the exclusive right, referred to in the first paragraph, or with his explicit consent, the acquirer of the reproduction shall not infringe that exclusive right, with respect to such reproduction, by performing the acts referred to in item (c) of the first paragraph.
- (3)
- With regard to the provision of item (d) in the first paragraph, communication to the public shall also mean a performance that takes place in a closed circle, except if restricted to the family circle, a circle of friends or a circle that may be assimilated thereto if participation therein involves payment in any form whatsoever.
- (4)
- Communication to the public of a performance shall not include a performance that is exclusively used for teaching given by the authorities or by a legal person that is non-profit making, where such performance constitutes a part of the school curriculum, syllabus or the curriculum of the establishment or serves a scientific purpose.
- (5)
- The rebroadcasting of a program by the same organization that originally broadcast the program shall not be considered a separate communication to the public.
Art. 3. An employer shall be entitled to exploit the rights of a performer, referred to in Article 2, where such has been agreed between the parties or derives from the nature of the employment agreement concluded between them, from usual practice or the demands of fairness and equity. However, where otherwise agreed or where it otherwise results from the nature of the agreement, from usual practice or from the demands of fairness and equity, the employer shall owe to the performer or his successor in title equitable remuneration for each form of exploitation of his rights. The employer shall respect the rights of the performer referred to in Article 5.
Art. 4. Articles 45a to 45g of the Copyright Law 1912 shall apply mutatis mutandis to the performance of a performer that is intended as a contribution to the making of a cinematographic work as laid down in Article 45a of the aforementioned Law.
Art. 5.–
- (1)
- A performer shall have the right, even if he has transferred his right in accordance with Article 2:
- (a)
- to oppose communication to the public of a performance without acknowledgment of his name or other designation as performer, unless such opposition would be unreasonable;
- (b)
- to oppose communication to the public of a performance under a name other than his own as also to oppose the making of any alteration in the way in which he is designated, insofar as such name or designation is given or communicated to the public in connection with the performance;
- (c)
- to oppose any other alteration to the performance, unless such alteration is of such nature that opposition would be unreasonable;
- (d)
- to oppose any distortion, mutilation or other impairment of the performance that may prejudice the reputation or the name of the performer or his value in that capacity.
- (2)
- The rights referred to in the preceding paragraph shall be transferred on the death of the performer and until expiry of the right referred to in Article 2 to the person designated by him in his last will or codicil thereto.
(3) The rights referred to in items (a) to (c) in the first paragraph may be waived in writing.
Art. 6.–
- (1)
- A phonogram producer shall have the exclusive right to give his consent to: (a) the reproduction of a phonogram manufactured by him;
- (b)
- the sale, supply or other putting into circulation, as also the importing, offering or storing for such purposes, of a phonogram manufactured by him or a reproduction thereof;
- (c)
- the broadcasting, rebroadcasting or any other form of communication to the public of a phonogram manufactured by him or a reproduction thereof. Article 2(3) to (5) shall apply mutatis mutandis.
(2) If a reproduction of a phonogram has been put into circulation by the holder of the exclusive right referred to in the first paragraph, or with his explicit consent, the acquirer of the copy shall not be deemed to infringe the exclusive right by performing the acts, with respect to that copy, referred to in the first paragraph under item (b).
Art. 7.–
- (1)
- A phonogram or reproduction thereof published for commercial purposes may be broadcast or communicated to the public in some other way without the consent of the phonogram producer or the performer or their successors in title on condition that equitable remuneration be paid therefor.
- (2)
- In the event of disagreement as to the amount of the equitable remuneration, the District Court of The Hague, acting in first instance, shall have exclusive competence to determine, at the request of the most diligent party, the amount of the remuneration.
- (3)
- The remuneration shall be due to both the performer and the producer, or their successors in title, and shall be divided between them in equal parts.
Art. 8.–
- (1)
- A broadcasting organization shall have the exclusive right to give its consent to one or more of the following acts:
- (a)
- the rebroadcasting of programs;
- (b)
- the recording of programs and the reproduction of such recordings;
- (c)
- the sale, supply or other putting into circulation, as also the importing, offering or storing for such purposes, of a recording of a program or of a reproduction thereof;
- (d)
- the communication to the public of programs, whatever the technical facilities used for that purpose;
- (e)
- the communication to the public of recordings of programs or reproductions thereof, whatever the technical facilities used for that purpose.
- (2)
- If a reproduction of a recording of a program is put into circulation by the holder of the exclusive right referred to in the first paragraph, or with his explicit consent, the acquirer of the copy shall not be deemed to infringe the exclusive right, with respect to the reproduction, by performing the acts referred to in the first paragraph under item (c).
Art. 9. The rights afforded by this Law shall be inheritable. These rights shall be transferable in whole or in part, with the exception of those referred to in the first paragraph of Article 5. Delivery required by whole or partial transfer shall be effected by means of a corresponding instrument. Transfer shall comprise only those authorizations that are recorded in the instrument or which necessarily derive from the nature or purpose of the title. The provisions of the third and fourth sentences of this Article shall apply mutatis mutandis with respect to the giving of consent referred to in Articles 2, 6 and 8.
Art. 10. The rights referred to in Articles 2, 6 and 8 shall not be infringed where the acts referred to in those Articles are carried out for the purposes of:
- (a)
- personal exercise, study or use by the person who records or reproduces in single copies; the fifth paragraph of Article 16b of the Copyright Law 1912 shall apply mutatis mutandis as shall Articles 16c to 16g of the Copyright Law 1912;
- (b)
- reporting in public in a photographic, cinematographic, radio or television report on current affairs, provided that it is necessary in order to give a proper account of the current affairs that are the subject of the report and provided that short fragments only are used;
- (c)
- a recording made by or on behalf of a broadcasting organization that is authorized to broadcast or to have broadcasts made, for the purposes of its own programs, provided that the recording is destroyed within 28 days after the first broadcast of the program for which the recording has been made, but in any event within half a year of its manufacture; the third paragraph of Article 17b of the Copyright Law 1912 shall apply mutatis mutandis; Article 5 shall be complied with in respect of the performance of a performer;
- (d)
- quotation in an announcement, criticism, polemical or scientific discussion; items 1, 2 and 4 in the first paragraph and the fifth paragraph of Article 15a of the Copyright Law 1912 shall apply mutatis mutandis; Article 5 shall be complied with in respect of the performance of a performer. Art. 11. The rights referred to in Articles 2, 6 and 8 shall not be infringed where the acts referred to in those Articles are carried out for the purposes of:
- (a)
- the inclusion of parts of performances, phonograms or programs or reproductions thereof in publications or audio or video recordings made for the purposes of illustration in teaching; Article 16, first paragraph, item (a), sub-items 1, 2, 4 and 5, and the fifth paragraph of the Copyright Law 1912, where the last-mentioned paragraph concerns the reasonable compensation to be paid, shall apply mutatis mutandis; Article 5 shall be complied with in respect of the performance of a performer;
- (b)
- communication to the public of parts of performances, phonograms or programs or reproductions thereof by means of the broadcast of a program intended to serve as illustration in teaching; Article 16, first paragraph, item (b), sub-items 1, 2, 4 and 5, and the fifth paragraph of the Copyright Law 1912, where the last-mentioned paragraph concerns the reasonable compensation to be paid, shall apply mutatis mutandis; Article 5 shall be complied with in respect of the performance of a performer.
Art. 12. The rights afforded by this Law shall expire on completion of 50 years counted from the end of the year in which
- (a)
- the performance took place, in the case of performances;
- (b)
- the phonogram was manufactured, in the case of phonograms and the performances recorded thereon;
- (c)
- the program was broadcast, in the case of broadcasting organizations.
Chapter 3
The Exercise and Enforcement of Neighboring Rights
Art. 13. The rights referred to in Article 2 may be exercised exclusively, in the case of a joint performance by six or more persons, by a representative chosen by a majority of the performers participating in the performance. The provision in the first sentence of this Article shall not apply to a soloist, director or conductor participating in the joint performance. The rights referred to in Article 2 may be enforced, in those cases where they concern a joint performance, by any of the performers participating in the performance separately, unless otherwise agreed.
Art. 14. Where a joint right with regard to one and the same phonogram or program is held by two or more producers of phonograms or broadcasting organizations, that right may be enforced by any one of them separately, unless otherwise agreed.
Art. 15.–
- (1)
- Payment of the equitable remuneration referred Article 7 shall be made to a representative legal person designated by our Minister for Justice who shall be responsible for the collection and distribution of such remuneration, to the exclusion of other persons. With regard to determining the amount of remuneration and the collection thereof as also the exercise of the exclusive right, the legal person referred to in the preceding sentence shall represent the right holders both in and out of court.
- (2)
- The legal person referred to in the first paragraph shall be subject to supervision by a Supervisory Board of which the members shall be appointed by our Minister for Justice. Detailed rules concerning the supervision shall be issued in the form of general administrative regulations.
- (3)
- The distribution of the remuneration collected shall be made on the basis of regulations established by the legal person referred to in the first paragraph and approved by our Minister for Justice. Our Minister for Justice shall seek the opinion of the Supervisory Board referred to in the second paragraph of those regulations.
Art. 16.–
(1) In addition to compensation for damages, the right holder referred to in Articles 2, 6 and 8 may require that the person who has infringed his right be ordered to surrender the profits made as a result of the infringement and to produce the relevant accounts of receipts and expenditure.
(2) The right holder may assert the claims referred to in the first paragraph also in the name or on behalf of a licensee, irrespective of the latter’s right to join in proceedings instituted by the right holder whether or not in his name or on his behalf in order to obtain direct compensation for the damages he has suffered or to obtain the award of a corresponding share of the profits to be surrendered by the defendant. The claims referred to in the first paragraph or one of such claims can only be filed by a licensee if he has obtained the authority to do so.
Art. 17.–
- (1)
- The rights referred to in Articles 2, 5, 6 and 8 shall entitle the right holder to claim as his property any recordings or reproductions thereof communicated to the public in infringement of his rights as also any unauthorized reproductions or to require them to be destroyed or rendered unusable. The same entitlement shall apply with respect to movable goods that are not register goods, and which have directly served to manufacture the recordings or reproductions referred to in the first sentence, as also with regard to the amount of entrance money paid to be present at a performance and other monies that may be assumed to have been obtained as a result of infringement of one of the rights referred to in Articles 2, 5, 6 and 8.
- (2)
- The provisions of the Code of Civil Procedure concerning seizure and execution shall apply to the surrender of movable goods that do not constitute register goods. In the event of more than one seizure, the person who has obtained a seizure under this Article shall have precedence.
- (3)
- The court may order that surrender shall take place only against payment by the plaintiff of remuneration to be determined by the court.
Art. 18. The entitlement referred to in Article 17, first paragraph, may not be exercised with respect to recordings or reproductions thereof that are in the possession of persons who do not trade in such articles and who have obtained them exclusively for their own use, unless they themselves have committed the infringement of the corresponding right.
Art. 19. Actions to prohibit an act by which an infringement has been committed or is to be committed against one of the rights referred to in Articles 2, 6 and 8 may also be asserted by the legal persons appointed by our Minister for Justice with full legal competence for the purpose of pursuing the interests of performers, phonogram producers and broadcasting organizations.
Art. 20.–
- (1)
- At the request of one or more trade or professional organizations considered by the Minister for Justice to be representative and that are legal persons with full legal competence for the purpose of asserting the interests of persons who professionally or by way of business sell, supply or put into circulation in some other way or import, offer or store for such purposes recordings or reproductions thereof, the aforementioned Minister may order that the trade or professional organizations designated by him shall be required to conduct their administration in a manner to be detailed by him.
- (2)
- Any person who does not satisfy the obligations set out in the preceding paragraph shall be liable to a second category fine. Such act shall constitute an offense.
Chapter 4
Criminal Provisions
Art. 21. Any person who intentionally infringes the rights referred to in Articles 2, 6 and 8 of this Law shall be liable to imprisonment of up to a maximum of six months or a fourth category fine.
Art. 22. Any person who intentionally
- (a)
- broadcasts, rebroadcasts or communicates to the public in some other manner,
- (b)
- publicly offers for dissemination,
- (c)
- holds for the purposes of reproduction or dissemination,
- (d)
- holds for the purpose of importing into the Netherlands or
(e) stores for gainful purpose a recording or a reproduction thereof where he knows that they have been made in infringement of the rights
referred to in Articles 2, 6 and 8 of this Law, shall be liable to imprisonment of up to six months or a fourth category fine.
Art. 23. Any person who commits the criminal offenses referred to in Articles 21 and 22 by way of habitual trade or by way of business shall be liable to imprisonment of up to four years or a fifth category fine.
Art. 24. Any person who
- (a)
- broadcasts, rebroadcasts or communicates to the public in some other manner,
- (b)
- publicly offers for dissemination,
- (c)
- holds for the purposes of reproduction or dissemination,
- (d)
- holds with a view to importing into the Netherlands or
- (e)
- stores for gainful purpose
a recording or a reproduction thereof, if he may reasonably be expected to assume that the rights referred to in Articles 2, 6 and 8 of this Law have been thereby infringed, shall be liable to a third category fine.
Art. 25. Any person who unlawfully makes with intent any changes in a performance, in the title of such performance or in the acknowledgment of the performer or who commits any other act with relation to such performance that may prejudice the reputation or the name of the performer or prejudice his value in that capacity, shall be liable to imprisonment of up to six months or a fourth category fine.
Art 26. The acts that are punishable under Articles 21, 22, 23, 24 and 25 shall constitute criminal offenses.
Art. 27. Any person who intentionally furnishes false or incomplete information in a written request or submission to the legal person referred to in Article 15, first paragraph, for the purposes of determining sums due on the basis of Article 7 of this Law shall be liable to detention of up to three months or a third category fine. This act shall be considered an offense.
Art. 28. The investigating officials shall be entitled, for the purposes of investigating circumstances that are punishable under this Law and in order to seize articles that may be associated therewith, to enter any place. If access is refused to them, they may obtain entry if necessary by the use of force. They may not enter a dwelling against the will of the occupier except on presentation of a special warrant or in the presence of a public prosecutor or an assistant public prosecutor. A report shall be established by them on such entry within 24 hours.
Art. 29. The investigating officials may at any time require for the purposes of investigating the facts punishable under this Law, any accounts or other documentary information that may reasonably be required to fulfill their tasks from persons who in the exercise of their profession or trade reproduce, sell, supply or otherwise put into circulation recordings or reproductions thereof, to which the rights referred to in Articles 2, 6 and 8 refer, or who import, offer or store such articles for those purposes or who communicate them to the public.
Art. 30.–
- (1)
- The reproductions declared confiscated by the court shall be destroyed; however, the court may provide in its decision that they should be surrendered to the right holder if the latter applies to the registry of the court within one month of the decision becoming final.
- (2)
- Property in the reproductions shall be transferred to the right holder by surrender. The court may order that the surrender shall be conditional on payment by the right holder of a given compensation that shall accrue to the State.
Art. 31. Any person who is concerned by the implementation of this Law and who thereby obtains knowledge of facts whose confidential nature he knows or must reasonably assume, and who is not subject to an obligation of secrecy with respect to such facts by reason of his office, profession or statutory provision, shall be obliged to secrecy with respect thereto, except where a statutory provision requires him to make them known or the need to make them known derives from his task in the implementation of this Law.
Chapter 5
Criteria of Application
Art. 32.–
- (1)
- The preceding Articles shall apply to a performer if:
- (a)
- he is Dutch or has his usual place of residence in the Netherlands or is a national of a State party to the Rome Convention for the Protection of Performers, Producers of Phonograms and Broadcasting Organisations; or
- (b)
- his performance took place in the Netherlands or in a State party to the Rome Convention for the Protection of Performers, Producers of Phonograms and Broadcasting Organisations; or
- (c)
- his performance, has been recorded on a phonogram as defined in the second paragraph of this Article; or
- (d)
- his performance, that has not been recorded on a phonogram, has been communicated to the public by means of the program of a broadcasting organization as defined in the sixth paragraph of this Article.
- (2)
- The foregoing Articles shall apply to a producer of phonograms if:
- (a)
- he is Dutch or has his place of business or usual place of residence in the Netherlands or is a national of or a legal person constituted under the laws of a State party to the Convention referred to in item (a) of the first paragraph or to the Convention for the Protection of Producers of Phonograms Against Unauthorized Duplication of Their Phonograms; or
- (b)
- the recording took place in the Netherlands or in a State party to the Convention referred to in item (a) of the first paragraph or to the Convention for the Protection of Producers of Phonograms Against Unauthorized Duplication of Their Phonograms; or
- (c)
- the phonogram was first, or within 30 days of the first issue in another country, put into circulation in the Netherlands or in a State party to the Convention referred to in item (a) of the first paragraph or to the Convention for the Protection of Producers of Phonograms Against Unauthorized Duplication of Their Phonograms.
- (3)
- The putting into circulation referred to in the second paragraph shall be deemed to exist whenever an offer of copies of lawfully made reproductions of a phonogram has been made such that the reasonable needs of the public are catered for.
- (4)
- With respect to phonograms of which the producer is a national of or a legal person established in accordance with the law of a State party to the Convention referred to in item (a) of the first paragraph, Article 7 shall always apply to the extent that and for the term that such State affords protection with regard to phonograms of which the producer is a Dutch national or has his place of business in the Netherlands.
- (5)
- The right to equitable remuneration referred to in Article 7 shall not apply to phonograms of which the producer is not a subject of or is not a legal person established in accordance with the law of a State party to the Convention referred to in item (a) of the first paragraph.
- (6)
- The foregoing Articles shall apply to broadcasting organizations if:
- (a)
- the head offices of the broadcasting organization are established in the Netherlands or in a State referred to in item (a) of the first paragraph;
- (b)
- the broadcast has taken place in the Netherlands or in a State referred to in item (a) of the first paragraph.
Art. 33. The rights afforded by this Law shall apply with respect to performances, phonograms or programs that have taken place, been manufactured or broadcast, respectively, prior to the entry into force of this Law, to acts that have taken place after the entry into force of this Law.
Art. 34. Reliance on Article 162 of Book 6 of the Civil Code shall not be affected by the foregoing Articles of this Law.
Chapter 6
Amendment of the Copyright Law 1912
(Staatsblad 308)
Art. 35. The Copyright Law 1912 is amended as follows:
A.
The fourth paragraph of Article 12 is replaced as follows:
“(4) The simultaneous broadcasting of a work contained in a radio or television program by the same organization that originally broadcast the program shall not be considered a separate communication to the public.”
B.
The following amendments are made to Article 15:
- (1)
- In the opening part, the words “that have been broadcast by radio or television or have been transmitted by cable by a cable broadcasting organization within the meaning of the Law on Telecommunication Services (Staatsblad 1988, 520)” is replaced by: “that have been included in a broadcast radio or television program.”
- (2)
- In the first paragraph, under item I, the words “in a radio or television broadcast, or by means of transmission by cable to the public by a cable broadcasting organization within the meaning of the Law on Telecommunication Services (Staatsblad 1988, 520)” is replaced by: “in a broadcast of a radio or television program.”
C. In Article 16, first paragraph, item (b), the words “a radio or television broadcast or by communication by means of cable by a cable broadcasting organization within the meaning of the Law on
Telecommunication Services (Staatsblad 1988, 520)” is replaced by: “the broadcasting of a radio or television program.”
D.
In Article 17a, first paragraph, the following amendments are made:
- (1)
- The words “by means of the radio or television broadcasting of signs, sounds or images, or the distribution on a broader scale, by wire or otherwise, of a work made public in such a manner” are replaced by: “by the broadcasting of a radio or television program.” In Article 17b, the following amendments are made:
- (1)
- In the first paragraph, the words “by broadcasting on radio or television” are replaced by: “by the broadcasting of a radio or television program.”
- (2)
- In the second paragraph, the words “its own radio and television broadcasts” are replaced by: “the broadcasting of its own radio or television programs.”
| (2) | The words “or be distributed on a broader scale” are deleted. | |
| (3) | The words “or to distribute it on a broader scale” are deleted. | |
| E. |
In the second paragraph, the words “radio or television broadcasting of the work that took place, and in any event within six months following the date of the recording” are replaced by: “broadcasting of a radio or television program, and in any event within six months following the date of the recording.”
F.
In Article 30a, second and third paragraphs, the words “radio or television broadcasting” are replaced in each case by: “broadcasting in a radio or television program.”
G.
In Article 45a, first paragraph, the word “moving” is deleted.
H.
A new second sentence is added to Article 45d, as follows:
“The producer shall be required to pay equitable remuneration to the authors or their successors in title for each form of exploitation of the cinematographic work.” The present third sentence of Article 45d is to read as follows:
“the producer shall also be required to pay equitable remuneration to the authors or their successors in title if he exploits the work in a form that did not exist or was not reasonably foreseeable at the time referred to in Article 45c or if he assigns the right to a third party to effect such exploitation.”
I.
A new fifth sentence is added to Article 45d, to read as follows:
“The remuneration referred to in this Article shall be agreed in writing.”
J.
In Article 47, fourth paragraph, the words “radio or television broadcasting” are replaced by: “the broadcasting of a radio or television program.”
Chapter 7
Final Provisions
Art. 36. This Law shall enter into force at a time to be determined by Royal Decree.
Art. 37. This Law may be cited as the Law on Neighboring Rights.
Loi du 18 mars 1993 contenant des dispositions relatives à la protection des artistes interprètes ou exécutants, des producteurs de phonogrammes et des organismes
de radiodiffusion, et portant modification de la loi de 1912 sur le droit d’auteur*
(loi sur les droits voisins)
TABLE DES MATIÈRES**
Articles
1erChapitre Ier : Définitions ...................................................................................................
Chapitre II : Contenu des droits voisins ........................................................................... 2 – 12
Chapitre III : Exercice et protection des droits voisins ...................................................... 13 – 20
Chapitre IV : Dispositions pénales..................................................................................... 21 – 31
Chapitre V : Critères d’application................................................................................... 32 – 34
Chapitre VI : Modifications de la loi de 1912 sur le droit d’auteur (Staatsblad 308)........ 35
Chapitre VII : Dispositions finales ...................................................................................... 36 – 37
Chapitre premier Définitions
Art. premier. Aux fins de l’application des dispositions contenues dans la présente loi ou prises en vertu de la présente loi, on entend par :
a) «artistes interprètes ou exécutants» les acteurs, chanteurs, musiciens, danseurs et autres personnes qui représentent, chantent, jouent ou exécutent de toute autre manière une œuvre littéraire ou artistique, ainsi que les artistes qui exécutent un numéro de variétés ou de cirque ou présentent un spectacle de marionnettes;
b) «enregistrement» la première fixation de sons, d’images, ou de combinaisons de sons ou d’images, sur tout support permettant de les reproduire ou de les communiquer au public;
c) «phonogramme» tout enregistrement exclusivement sonore des sons provenant d’une exécution ou d’autres sons;
d) «producteur de phonogrammes» la personne physique ou morale qui fabrique ou fait fabriquer pour la première fois un phonogramme;
e) «organisme de radiodiffusion» un établissement qui, conformément à la législation du pays où a lieu l’émission, produit les programmes ou les émet ou les fait émettre sous sa responsabilité;
f) «reproduction» la fabrication d’un ou de plusieurs exemplaires d’un enregistrement ou d’une partie d’un enregistrement;
g) «émission» la diffusion de programmes au moyen d’un émetteur au sens de l’article premier, premier alinéa, point cc) de la loi sur les médias (Staatsblad 1987, 249) ou d’une installation de radiodiffusion par fil au sens de l’article premier, premier alinéa, point g) de la loi sur les services de télécommunication (Staatsblad 1988, 520);
* Entrée en vigueur : 1er juillet 1993. Source : Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1993. Note : traduction du Bureau international de l’OMPI. ** Ajoutée par l’OMPI.
NL005FR page 1/10
h) «réémission» l’émission simultanée par un établissement d’un programme émis par un autre établissement ou un autre organisme de radiodiffusion;
i) «programme» un programme, ou une partie de programme, radiodiffusé ou télévisé.
Chapitre II Contenu des droits voisins
Art. 2. – 1) L’artiste interprète ou exécutant a le droit exclusif d’autoriser un ou plusieurs des actes
suivants : a) l’enregistrement d’une interprétation ou exécution; b) la reproduction de l’enregistrement d’une interprétation ou exécution; c) la vente, la fourniture ou une autre forme de mise en circulation, ainsi que l’importation,
l’offre ou le stockage aux fins précitées, de l’enregistrement d’une interprétation ou exécution ou d’une reproduction de cet enregistrement;
d) l’émission, la réémission, ou toute autre forme de communication au public d’une interprétation ou exécution ou de l’enregistrement d’une interprétation ou exécution ou d’une reproduction de cet enregistrement. 2) Si une reproduction de l’enregistrement d’une interprétation ou exécution a été mise en
circulation par le titulaire du droit exclusif visé à l’alinéa 1), ou avec son autorisation expresse, l’acquéreur de la reproduction peut, sans porter atteinte à ce droit exclusif, effectuer à l’égard de cette reproduction les actes visés à l’alinéa 1)c).
3) Aux fins de l’alinéa 1)d), est aussi considérée comme «communication au public» l’interprétation ou l’exécution qui a lieu en cercle fermé, sauf si ce cercle se limite aux membres de la famille, amis ou personnes assimilées, et si aucune forme de paiement n’est requise pour assister à l’interprétation ou à l’exécution.
4) N’est pas considérée comme communication au public d’une interprétation ou exécution celle qui sert exclusivement à l’enseignement dispensé par les pouvoirs publics ou par une personne morale sans but lucratif, dans la mesure où cette interprétation ou exécution fait partie du programme scolaire, du plan d’études ou du plan de travail de l’établissement concerné ou qu’elle sert à un but scientifique.
5) N’est pas considérée comme une communication distincte au public la réémission d’un programme par l’organisme qui l’émet à l’origine.
Art. 3. L’employeur est habilité à exploiter les droits de l’artiste interprète ou exécutant visés à l’article 2, pour autant que les parties en soient convenues ou que cela découle du type de contrat de travail qu’elles ont conclu, des usages, ou des impératifs de la justice et de l’équité. Sauf stipulation contraire, ou à moins que le contraire ne découle du type de contrat de travail conclu entre les parties, l’employeur est tenu de verser à l’artiste interprète ou exécutant ou à ses ayants droit une rémunération équitable pour chaque forme d’exploitation de ses droits. L’employeur respecte les droits de l’artiste interprète ou exécutant visés à l’article 5.
Art. 4. Les articles 45a à 45g de la loi sur le droit d’auteur de 1912 s’appliquent mutatis mutandis aux interprétations ou exécutions qui sont destinées à contribuer à la réalisation d’une œuvre cinématographique au sens de l’article 45a de cette loi.
Art. 5. – 1) L’artiste interprète ou exécutant, même après cession du droit visé à l’article 2, a le droit :
a) de s’opposer à ce que son interprétation ou exécution soit communiquée au public sans mention de son nom ou autre désignation l’indiquant comme artiste interprète ou exécutant, à moins qu’il ne soit pas raisonnable de s’y opposer;
NL005FR page 2/10
b) de s’opposer à ce que son interprétation ou exécution soit communiquée au public sous un nom autre que le sien et à ce qu’il soit apporté des modifications à la manière dont il est désigné, dans la mesure où ce nom ou cette désignation est en relation avec l’interprétation ou l’exécution;
c) de s’opposer à toute autre modification de l’interprétation ou exécution, à moins que la nature de cette modification soit telle qu’il ne soit pas raisonnable de s’y opposer;
d) de s’opposer à toute déformation, mutilation ou autre altération de l’interprétation ou exécution, susceptible de porter atteinte à l’honneur ou à la réputation de l’artiste interprète ou exécutant ou à sa valeur en tant que tel. 2) Les droits visés à l’alinéa précédent reviennent, après le décès de l’artiste i nterprète ou
exécutant et jusqu’à l’expiration du droit visé à l’article 2, à la personne désignée par testament ou par codicille.
3) Il peut être renoncé par écrit aux droits visés à l’alinéa 1)a) à c).
Art. 6. – 1) Le producteur de phonogrammes a le droit exclusif d’autoriser
a) la reproduction d’un phonogramme fabriqué par lui; b) la vente, la fourniture ou une autre forme de mise en circulation, ainsi que l’importation,
l’offre ou le stockage aux fins précitées, d’un phonogramme fabriqué par lui ou d’une reproduction de ce phonogramme;
c) l’émission, la réémission ou toute autre forme de communication au public d’un phonogramme fabriqué par lui ou d’une reproduction de ce phonogramme. Les alinéas 3) à 5) de l’article 2 s’appliquent mutatis mutandis. 2) Si une reproduction du phonogramme a été mise en circulation par le titulaire du droit exclusif
visé à l’alinéa 1), ou avec son autorisation expresse, l’acquéreur de la reproduction peut, sans porter atteinte à ce droit exclusif, effectuer à l’égard de cette reproduction les actes visés à l’alinéa 1)b).
Art. 7. – 1) Un phonogramme ou la reproduction d’un phonogramme publié à des fins commerciales peut,
sans l’autorisation du producteur de phonogrammes et de l’artiste interprète ou exécutant ou de leurs ayants droit, être radiodiffusé ou communiqué au public d’une autre manière, sous réserve du paiement d’une rémunération équitable.
2) A défaut d’accord sur le montant de la rémunération équitable, le tribunal (arrondissementsrechtbank) de La Haye a compétence exclusive en première instance pour fixer ce montant, sur la demande de la partie la plus diligente.
3) Cette rémunération est due à l’artiste interprète ou exécutant et au producteur ou à leurs ayants cause, et elle est partagée également entre eux.
Art. 8. – 1) L’organisme de radiodiffusion a le droit exclusif d’autoriser un ou plusieurs des actes suivants :
a) la radiodiffusion de programmes; b) l’enregistrement de programmes et la reproduction des enregistrements ainsi réalisés; c) la vente, la fourniture ou une autre forme de mise en circulation, ainsi que l’importation,
l’offre ou le stockage aux fins précitées, de l’enregistrement d’un programme ou de la reproduction de l’enregistrement d’un programme;
d) la communication de programmes au public, quel que soit le moyen technique utilisé à cette fin;
e) la communication au public d’enregistrements de programmes ou de reproductions d’enregistrements de programmes, quel que soit le moyen technique utilisé à cette fin; 2) Si une reproduction de l’enregistrement d’un programme a été mise en circulation par le
titulaire du droit exclusif visé à l’alinéa 1), ou avec son autorisation expresse, l’acquéreur de la reproduction peut, sans porter atteinte à ce droit exclusif, effectuer à l’égard de cette reproduction les actes visés à l’alinéa 1)c).
NL005FR page 3/10
Art. 9. Les droits prévus par la présente loi se transmettent par voie successorale. Ces droits, à l’exception de ceux qui sont visés à l’article 5.1), peuvent être cédés totalement ou en partie. Le transfert requis par la cession totale ou partielle est opéré par un acte établi spécialement. La cession ne porte que sur les droits qui sont énumérés dans cet acte ou qui résultent nécessairement de la nature ou de l’objet du titre. Les dispositions des troisième et quatrième phrases du présent article s’appliquent mutatis mutandis à l’autorisation visée aux articles 2, 6 et 8.
Art. 10. Il n’est pas porté atteinte aux droits visés aux articles 2, 6 et 8 lorsque les actes visés dans ces articles sont faits aux fins
a) de l’exercice, l’étude ou l’usage personnels de celui qui procède à l’enregistrement ou effectue la reproduction en quelques exemplaires. L’article 16b, cinquième alinéa, de la loi de 1912 sur le droit d’auteur s’applique mutatis mutandis, de même que les articles 16c à 16g de cette loi;
b) du compte rendu public, dans le cadre d’un reportage photographique, cinématographique, radiodiffusé ou télévisé, d’événements d’actualité, dans la mesure nécessaire pour rendre compte de façon appropriée des événements d’actualité faisant l’objet du reportage et sous réserve qu’il ne soit fait usage que de courts fragments;
c) de l’enregistrement fait par un organisme de radiodiffusion autorisé à émettre ou à faire émettre, ou fait pour le compte de cet organisme, aux fins de ses propres programmes, à condition que l’enregistrement soit détruit dans les 28 jours suivant la première émission du programme pour lequel l’enregistrement a été fait, et au plus tard dans les six mois suivant l’enregistrement; le troisième alinéa de l’article 17b de la loi de 1912 sur le droit d’auteur s’applique mutatis mutandis. En ce qui concerne la prestation d’un artiste interprète ou exécutant, l’article 5 doit être respecté;
d) de la citation dans des annonces, critiques, débats polémiques ou scientifiques; le premier alinéa de l’article 15a, points 1, 2 et 4, et le cinquième alinéa de l’article 15a de la loi de 1912 sur le droit d’auteur s’appliquent mutatis mutandis; en ce qui concerne la prestation d’un artiste interprète ou exécutant, l’article 5 doit être respecté.
Art. 11. Il n’est pas porté atteinte aux droits visés aux articles 2, 6 et 8 lorsque les actes visés dans ces articles sont faits aux fins de
a) l’insertion de parties d’interprétations ou d’exécutions, de phonogrammes ou de programmes, ou de leurs reproductions, dans des publications ou des enregistrements sonores ou visuels destinés à être utilisés comme illustrations dans l’enseignement; le premier alinéa, sous-alinéa a), points 1, 2, 4 et 5 et, dans la mesure où il se rapporte à la rémunération équitable à verser, le cinquième alinéa de l’article 16 de la loi de 1912 sur le droit d’auteur s’appliquent mutatis mutandis, en ce qui concerne la prestation d’un artiste interprète ou exécutant, l’article 5 doit être respecté;
b) la communication au public de parties d’interprétations ou d’exécutions, de phonogrammes ou de programmes, ou de leurs reproductions, au moyen de la radiodiffusion d’un programme destiné à être utilisé comme illustration dans l’enseignement; le premier alinéa, sous-alinéa b), points 1, 2, 4 et 5 et, dans la mesure où il se rapporte à la rémunération équitable à verser, le cinquième alinéa de l’article 16 de la loi de 1912 sur le droit d’auteur s’appliquent mutatis mutandis; en ce qui concerne la prestation d’un artiste interprète ou exécutant, l’article 5 doit être respecté.
Art. 12. Les droits prévus par la présente loi s’éteignent à l’expiration d’un délai de 50 ans à compter de la fin de l’année au cours de laquelle
a) l’interprétation ou l’exécution a eu lieu, en ce qui concerne les interprétations ou exécutions; b) le phonogramme a été produit, en ce qui concerne les phonogrammes et les interprétations ou
exécutions qui y sont fixées; c) le programme a été radiodiffusé, en ce qui concerne les organismes de radiodiffusion.
NL005FR page 4/10
Chapitre III Exercice et protection des droits voisins
Art. 13. Dans le cas d’une interprétation ou exécution effectuée en commun par six personnes ou plus, les droits prévus à l’article 2 peuvent être exercés exclusivement par un représentant choisi par la majorité des artistes interprètes ou exécutants ayant participé à l’interprétation ou à l’exécution. La disposition de la première phrase du présent article ne s’applique pas au soliste, au metteur en scène ou au chef d’orchestre ayant participé à l’interprétation ou exécution collective. L’action visant à faire valoir les droits prévus à l’article 2, s’agissant d’une interprétation ou exécution collective, peut être exercée par n’importe lequel des artistes interprètes ou exécutants qui ont pris part à l’exécution, sauf stipulation contraire.
Art. 14. Lorsque plusieurs producteurs de phonogrammes ou organismes de radiodiffusion ont ensemble un droit sur un phonogramme ou sur un programme, l’action visant à faire respecter ce droit peut être exercée par n’importe lequel d’entre eux, sauf stipulation contraire.
Art. 15. – 1) La rémunération équitable visée à l’article 7 doit être versée à une personne morale
représentative qui sera désignée par le ministre de la justice et qui, à l’exclusion de toute autre, sera chargée de percevoir la rémunération et d’en répartir le produit. Pour ce qui concerne la fixation du montant de la rémunération et la perception de celle-ci, de même que pour l’exercice du droit exclusif, la personne morale visée dans la phrase précédente représente les titulaires devant les tribunaux ou ailleurs.
2) La personne morale visée à l’alinéa 1) est placée sous la supervision d’un conseil de supervision dont les membres sont nommés par le ministre de la justice. Des dispositions détaillées régissant les modalités de supervision seront prises par voie de règlement.
3) La répartition du produit de la rémunération est effectuée selon un règlement établi par la personne morale visée à l’alinéa 1) et approuvé par le ministre de la justice. Le ministre de la justice prend l’avis du conseil de supervision visé à l’alinéa 2).
Art. 16. – 1) Outre la réparation de son préjudice, le titulaire d’un droit visé aux articles 2, 6 et 8 peut
demander que l’auteur d’une atteinte à son droit soit condamné à restituer les bénéfices qu’il a réalisés en conséquence de cette atteinte et à rendre des comptes à cet effet.
2) Le titulaire du droit peut aussi exercer les actions visées à l’alinéa 1) exclusivement ou partiellement au nom d’un preneur de licence, sans préjudice du droit de ce dernier d’intervenir dans un procès engagé par le titulaire indépendamment, ou exclusivement ou partiellement au nom du preneur de licence, pour obtenir directement réparation du préjudice subi par lui ou pour se faire attribuer une part proportionnelle des bénéfices restitués par le défendeur. Un preneur de licence ne peut exercer les actions visées au premier alinéa, ou l’une de ces actions, que s’il y est habilité par contrat.
Art. 17. – 1) Les droits visés aux articles 2, 5, 6 et 8 confèrent au titulaire le droit de revendiquer la propriété
des enregistrements ou reproductions d’enregistrements communiqués au public en violation de ses droits, ainsi que des reproductions non autorisées, et d’en demander la destruction ou la mise hors d’usage. Le même droit existe en ce qui concerne les biens mobiliers qui ne font pas l’objet d’une inscription dans un registre et qui ont directement servi à fabriquer les enregistrements ou reproductions visés dans la première phrase, ainsi que le montant des billets d’entrée payés par les personnes qui ont assisté à l’interprétation ou l’exécution, et les autres sommes qui peuvent être présumées avoir été obtenues en conséquence d’une atteinte à l’un des droits visés aux articles 2, 5, 6 et 8.
2) Les dispositions du Code de procédure civile concernant la saisie-exécution sur des biens mobiliers qui ne font pas l’objet d’une inscription dans un registre sont applicables. En cas de concours de créances, la personne qui demande la saisie en vertu du présent article a la priorité.
3) Le tribunal peut ordonner que la remise n’ait lieu que contre paiement, par le demandeur, d’une indemnité dont le tribunal fixera le montant.
NL005FR page 5/10
Art. 18. Le droit prévu au premier alinéa de l’article 17 ne peut être exercé à l’égard des enregistrements ou reproductions d’enregistrements détenus par des personnes qui ne font pas le commerce d’objets analogues et qui les ont acquis pour leur usage personnel, à moins qu’elles n’aient elles-mêmes commis une atteinte au droit du titulaire.
Art. 19. Les actions visant à faire interdire un acte par lequel il est ou sera porté atteinte à l’un des droits visés aux articles 2, 6 et 8 peuvent aussi être exercées par les personnes morales désignées par le ministre de la justice ayant pleine capacité juridique et dont l’objet est de servir les intérêts des artistes interprètes ou exécutants, producteurs de phonogrammes ou organismes de radiodiffusion.
Art. 20. – 1) Sur requête d’un ou de plusieurs organismes commerciaux ou professionnels jugés
représentatifs par le ministre de la justice, qui sont des personnes morales ayant pleine capacité juridique et dont l’objet est de servir les intérêts de personnes qui, à titre commercial ou professionnel, vendent, fournissent ou mettent en circulation d’une autre manière des enregistrements ou des reproductions d’enregistrements, ou qui les importent, les offrent ou les stockent à ces fins, le ministre de la justice peut décider que les membres des organismes commerciaux ou professionnels qu’il désigne devront tenir leurs registres de la manière qu’il indiquera.
2) Celui qui manque à l’obligation visée à l’alinéa 1) est passible d’une amende de deuxième catégorie. Cet acte constitue une contravention.
Chapitre IV Dispositions pénales
Art. 21. Quiconque porte intentionnellement atteinte aux droits visés aux articles 2, 6 et 8 de la présente loi est passible d’un emprisonnement n’excédant pas six mois ou d’une amende de quatrième catégorie.
Art. 22. Quiconque, intentionnellement, a) émet, réémet ou communique au public d’une autre manière, b) offre au public aux fins de distribution, c) détient aux fins de reproduction ou de diffusion, d) détient aux fins d’importation aux Pays-Bas, ou e) conserve en vue de réaliser un bénéfice
un enregistrement ou une reproduction d’un enregistrement en sachant que celui-ci a été réalisé en violation des droits visés aux articles 2, 6 et 8 de la présente loi est passible d’un emprisonnement n’excédant pas six mois ou d’une amende de quatrième catégorie.
Art. 23. Quiconque commet les infractions visées aux articles 21 et 22 au titre de son activité professionnelle ou commerciale est passible d’un emprisonnement n’excédant pas quatre ans ou d’une amende de cinquième catégorie.
Art. 24. Quiconque a) émet, réémet ou communique au public d’une autre manière, b) offre au public aux fins de distribution, c) détient aux fins de reproduction ou de diffusion, d) détient aux fins d’importation aux Pays-Bas, ou e) conserve en vue de réaliser un bénéfice
un enregistrement ou la reproduction d’un enregistrement qu’il peut raisonnablement supposer avoir été réalisé en violation des droits visés aux articles 2, 6 et 8 de la présente loi est passible d’une amende de troisième catégorie.
NL005FR page 6/10
Art. 25. Quiconque, de manière intentionnelle, apporte illégalement des modifications à une interprétation ou exécution, à son titre ou à la désignation de l’artiste interprète ou exécutant ou porte autrement atteinte à une interprétation ou exécution d’une manière qui risque de causer un préjudice à l’honneur ou à la réputation de l’artiste interprète ou exécutant ou à sa valeur en tant que tel est passible d’un emprisonnement n’excédant pas six mois ou d’une amende de quatrième catégorie.
Art. 26. Les actes visés aux articles 21, 22, 23, 24 et 25 constituent des délits.
Art. 27. Quiconque, dans une demande ou une déclaration écrite adressée à la personne morale visée à l’article 15.1), aux fins de la fixation du montant dû en vertu de l’article 7, communique intentionnellement des renseignements inexacts ou incomplets est passible d’un emprisonnement n’excédant pas trois mois ou d’une amende de troisième catégorie. Cet acte constitue une contravention.
Art. 28. Les fonctionnaires des services d’enquête sont autorisés, pour enquêter sur les actes punissables en vertu de la présente loi et pour saisir à cette fin les objets susceptibles de servir à ces actes, à pénétrer en tout lieu. Si l’accès leur est refusé, ils peuvent demander le concours de la force publique. Ils ne peuvent pénétrer dans des locaux d’habitation contre la volonté des occupants que sur présentation d’un mandat écrit délivré spécialement par un officier de justice ou un auxiliaire de justice, ou en sa présence. Ils doivent dresser procès-verbal de leur entrée dans les lieux dans les 24 heures.
Art. 29. Les fonctionnaires des services d’enquête peuvent à tout moment, pour enquêter sur les actes punissables en vertu de la présente loi, exiger communication de tous documents ou pièces dont ils ont raisonnablement besoin pour s’acquitter de leur tâche et qui se trouvent en la possession de personnes qui, à titre professionnel ou commercial, reproduisent, vendent, fournissent ou mettent en circulation d’une autre manière, ou qui importent, offrent ou stockent, à cette fin, des enregistrements ou des reproductions d’enregistrements faisant l’objet des droits visés aux articles 2, 6 et 8, ou les communiquent au public.
Art. 30. – 1) Les reproductions saisies en vertu d’un jugement pénal seront détruites; toutefois, le tribunal
pourra aussi ordonner qu’elles soient remises au titulaire, si celui -ci se présente à cette fin au greffe dans un délai d’un mois après que le jugement aura acquis force de chose jugée.
2) La remise des reproductions au titulaire en confère la propriété à celui -ci. Le tribunal pourra ordonner que cette remise n’ait lieu que contre paiement, par le titulaire, d’une indemnité dont le produit reviendra à l’État.
Art. 31. Toute personne qui participe à l’application de la présente loi et dispose de ce fait d’informations dont elle connaît ou devrait raisonnablement supposer le caractère confidentiel et qui n’est pas tenue, en raison de sa fonction, de sa profession ou de dispositions légales, de garder le secret à cet égard, doit en respecter le caractère confidentiel, sauf si elle est tenue de porter ces informations à la connaissance du public en vertu de dispositions légales ou si ses attributions dans l’application de la présente loi le nécessitent.
Chapitre V Critères d’application
Art. 32. – 1) Les articles qui précèdent s’appliquent à l’artiste interprète ou exécutant si :
a) il est néerlandais ou a sa résidence habituelle aux Pays-Bas, ou il est ressortissant d’un État partie à la Convention de Rome sur la protection des artistes interprètes ou exécutants, des producteurs de phonogrammes et des organismes de radiodiffusion; ou
b) son interprétation ou exécution a eu lieu aux Pays-Bas ou dans un État partie à la convention de Rome sur la protection des artistes interprètes ou exécutants, des producteurs de phonogrammes et des organismes de radiodiffusion; ou
NL005FR page 7/10
c) son interprétation ou exécution est fixée sur un phonogramme visé à l’alinéa 2) du présent article; ou
d) son interprétation ou exécution, qui n’est pas fixée sur un phonogramme, a été communiquée au public dans le cadre d’un programme d’un organisme de radiodiffusion visé à l’alinéa 6) du présent article. 2) Les articles qui précèdent s’appliquent au producteur de phonogrammes si :
a) il est néerlandais ou a son siège ou sa résidence habituelle aux Pays-Bas, ou il s’agit d’un ressortissant d’un État partie à la convention visée à l’alinéa 1)a) ou à la Convention pour la protection des producteurs de phonogrammes contre la reproduction non autorisée de leurs phonogrammes, ou d’une personne morale constituée selon le droit d’un tel État;
b) l’enregistrement a été réalisé aux Pays-Bas ou dans un État partie à la convention visée à l’alinéa 1)a) ou à la Convention pour la protection des producteurs de phonogrammes contre la reproduction non autorisée de leurs phonogrammes;
c) le phonogramme a été pour la première fois, ou dans les 30 jours suivant la publication dans un autre pays, mis en circulation aux Pays-Bas ou dans un État partie à la convention visée à l’alinéa 1)a) ou à la Convention pour la protection des producteurs de phonogrammes contre la reproduction non autorisée de leurs phonogrammes. 3) Il y a mise en circulation au sens de l’alinéa 2) lorsque des reproductions réalisées légalement
sont offertes en quantité suffisante pour répondre aux besoins légitimes du public. 4) En ce qui concerne les phonogrammes dont le producteur est un ressortissant d’un État, ou une
personne morale constituée selon le droit d’un État, qui est partie à la convention visée à l’alinéa 1)a), l’article 7 ne s’applique que dans la mesure et pendant le temps où cet État accorde la protection aux phonogrammes dont le producteur est néerlandais ou a son siège aux Pays-Bas.
5) Le droit à une rémunération équitable prévu à l’article 7 ne s’applique pas aux phonogrammes dont le producteur n’est ni un ressortissant d’un État partie à la convention visée à l’alinéa 1)a), ni une personne morale constituée selon le droit d’un tel État.
6) Les articles qui précèdent s’appliquent aux organismes de radiodiffusion si : a) le bureau principal de l’organisme est sis aux Pays-Bas ou dans un État visé à
l’alinéa 1)a); b) l’émission a eu lieu aux Pays-Bas ou dans un État visé à l’alinéa 1)a).
Art. 33. A l’égard des interprétations ou exécutions, phonogrammes ou programmes qui ont eu lieu, ont été fabriqués ou ont été émis avant l’entrée en vigueur de la présente loi, les droits prévus par la présente loi s’appliquent aux actes commis après l’entrée en vigueur de celle-ci.
Art. 34. Les articles précédents de la présente loi sont sans préjudice du recours à l’article 162 du livre 6 du Code civil.
Chapitre VI Modifications de la loi de 1912 sur le droit d’auteur
(Staatsblad 308)
Art. 35. Les modifications suivantes sont apportées à la loi de 1912 sur le droit d’auteur :
A. Le quatrième alinéa de l’article 12 est remplacé par le suivant :
«4) N’est pas considérée comme une communication distincte au public l’émission simultanée d’une œuvre enregistrée dans un programme radiodiffusé ou télévisé, faite par l’organisme qui émet ce programme à l’origine.».
NL005FR page 8/10
B. L’article 15 est modifié comme suit :
1) Au début de l’article, le membre de phrase «qui ont été diffusées par la radio ou par la télévision, ou qui ont été distribuées par câble par un organisme de radiodiffusion par fil au sens de la loi sur les services de télécommunication (Staatsblad 1988, 520)» est remplacé par : «qui sont enregistrées dans un programme radiodiffusé ou télévisé».
2) Au premier alinéa, point 1, le membre de phrase «dans le cadre d’une émission de radiodiffusion ou au moyen d’une transmission au public par câble par un organisme de radiodiffusion par fil au sens de la loi sur les services de télécommunication (Staatsblad 1988, 520)» est remplacé par «lors de l’émission d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
C. Au point b) du premier alinéa de l’article 16, le membre de phrase «au moyen d’une émission de
radiodiffusion ou de télévision, ou d’une transmission par câble par un organisme de radiodiffusion par fil au sens de la loi sur les services de télécommunication (Staatsblad 1988, 520)» est remplacé par «lors de l’émission d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
D. Le premier alinéa de l’article 17a est modifié comme suit :
1) Le membre de phrase «au moyen d’émissions radiodiffusées ou télévisées de signes, de sons ou d’images, ainsi qu’à l’égard de la diffusion plus large, par fil ou non, de l’œuvre rendue publique de cette manière» est remplacé par «l’émission d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
2) Le membre de phrase «ou faire l’objet d’une diffusion plus large» est supprimé. 3) Le membre de phrase «ou à lui donner une diffusion plus large» est supprimé.
E. L’article 17b est modifié comme suit :
1) Au premier alinéa, le membre de phrase «au moyen d’une émission radiodiffusée ou télévisée» est remplacé par : «au moyen de l’émission d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
2) Au deuxième alinéa, le membre de phrase «ses propres émissions radiodiffusées ou télévisées» est remplacé par «l’émission de ses propres programmes radiodiffusés ou télévisés».
Au deuxième alinéa, le membre de phrase «émission radiodiffusée ou télévisée de cet enregistrement et en tout cas dans les six mois à partir de la date de l’enregistrement» est remplacé par : «émission d’un programme radiodiffusé ou télévisé et en tout cas dans les six mois à partir de la date de l’enregistrement».
F. Aux deuxième et troisième alinéas de l’article 30a, le membre de phrase «l’émission radiodiffusée ou
télévisée» est remplacé par «l’émission dans le cadre d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
G. Au premier alinéa de l’article 45a, le mot «animées» est supprimé.
H. Le troisième alinéa suivant est ajouté à l’article 45d :
«Le producteur est tenu de verser aux auteurs ou à leurs ayants droit une rémunération équitable pour chaque forme d’exploitation de l’œuvre cinématographique.». La troisième phrase de l’article 45d est libellée comme suit :
«Le producteur est également tenu de verser aux auteurs ou à leurs ayants droit une rémunération équitable s’il procède à l’exploitation sous une forme qui n’existait pas ou n’était pas raisonnablement prévisible à l’époque visée à l’article 45c, ou s’il cède à un tiers le droit de procéder à une telle exploitation.».
I. La cinquième phrase suivante est ajoutée à l’article 45d :
«Le montant des rémunérations visées dans le présent article est fixé par convention écrite.».
NL005FR page 9/10
J. Au quatrième alinéa de l’article 47, les mots «émission radiodiffusée ou télévisée» sont remplacés par
«l’émission dans le cadre d’un programme radiodiffusé ou télévisé».
Chapitre VII Dispositions finales
Art. 36. La présente loi entrera en vigueur à une date qui sera fixée par décret royal.
Art. 37. Cette loi peut être citée comme la «loi sur les droits voisins».
NL005FR page 10/10