World Intellectual Property Organization

Netherlands

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/98, houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal (Regeling verhandeling teeltmateriaal)

 

 


(Tekst geldend op: 12-04-2011)

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/98, houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal (Regeling verhandeling teeltmateriaal)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen, de artikelen 21, vierde lid, 39, zevende lid, en 44 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, alsmede gelet op de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit verhandeling teeltmateriaal;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
besluit: Besluit verhandeling teeltmateriaal;
b.
beschikking (EG) 2004/266: beschikking nr. 2004/266/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 2004 houdende machtiging om de voorgeschreven gegevens onuitwisbaar aan te brengen op de verpakkingen van zaaizaad van voedergewassen (PbEG L 83);
c.
beschikking (EG) 2004/371: beschikking nr. 2004/371/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2004 betreffende voorwaarden voor het in de handel brengen van zaadmengsels bestemd voor gebruik als voedergewas (PbEG L 116);
d.
beschikking (EG) 2004/842: beschikking nr. 2004/842/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 december 2004 tot vaststelling van uitvoeringsregels volgens welke de lidstaten toestemming kunnen geven voor het in de handel brengen van zaai- of pootgoed van rassen waarvoor de opname in de nationale rassenlijst voor landbouw- of groentegewassen is aangevraagd (PbEG L 362);
e.
richtlijn (EG) 2006/47: richtlijn nr. 2006/47/EG van de Commissie van 23 mei 2006 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden met betrekking tot de aanwezigheid van Avena fatua in zaaigranen (PbEU L 136);
f.
richtlijn (EEG) 66/401: richtlijn nr. 66/401/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van
zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
g.
richtlijn (EEG) 66/402: richtlijn nr. 66/402/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van
zaaigranen (PbEG L 125);
h.
richtlijn (EEG) 92/34: richtlijn nr. 92/34/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PbEG L 157);
i.
richtlijn (EEG) 93/17: richtlijn nr. 93/17/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 maart 1993 tot vaststelling van communautaire klassen voor basispootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen (PbEG L 106);
j.
richtlijn (EEG) 93/48: richtlijn nr. 93/48/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 juni 1993 tot vaststelling van het schema met de voorwaarden waaraan fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt en

teeltmateriaal daarvan overeenkomstig richtlijn (EEG) 92/34 moeten voldoen (PbEG L 250);

k.
richtlijn (EEG) 93/61: richtlijn nr. 93/61/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 tot vaststelling van de schema's met de eisen waaraan teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad, overeenkomstig artikel 4 van richtlijn (EEG) 92/33 moeten voldoen (PbEG L 250);
l.
richtlijn (EEG) 93/62: richtlijn nr. 93/62/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 5 juli 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het toezicht op en de controle van leveranciers en bedrijven overeenkomstig Richtlijn 92/33/EEG van de Raad betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PbEG L 250);
m.
richtlijn (EEG) 93/64: richtlijn nr. 93/64/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 5 juli 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het toezicht op en de controle van leveranciers en bedrijven overeenkomstig Richtlijn 92/34/EEG van de Raad betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PbEG L 250);
n.
richtlijn (EEG) 93/79: richtlijn nr. 93/79/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 september 1993 tot vaststelling van aanvullende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de door leveranciers op grond van richtlijn (EEG) 92/34 bij te houden lijsten van fruitgewassen en teeltmateriaal daarvan (PbEG L 256);
o.
richtlijn (EG) 98/56: richtlijn nr. 98/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PbEG L 226);
p.
richtlijn (EG) 99/66: richtlijn nr. 1999/66/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1999 houdende voorschriften voor het overeenkomstig richtlijn (EG) 98/56 door de leverancier op te maken etiket of ander document (PbEG L 164);
q.
richtlijn (EG) 99/68: richtlijn nr. 1999/68/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1999 tot vaststelling van aanvullende bepalingen met betrekking tot de op grond van richtlijn (EG) 98/56 door de leveranciers bij te houden rassenlijsten van siergewassen (PbEG L 172);
r.
richtlijn (EG) 99/105: richtlijn nr. 1999/105/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PbEG 2000 L 11);
s.
richtlijn (EG) 2000/29: richtlijn nr. 2000/29/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG L 169);
t.
richtlijn (EG) 2001/18: richtlijn nr. 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PbEG L 106);
u.
richtlijn (EG) 2002/53: richtlijn nr. 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PbEG L 193);
v.
richtlijn (EG) 2002/54: richtlijn nr. 2002/54/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 193);
w.
richtlijn (EG) 2002/55: richtlijn nr. 2002/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PbEG L 193);
x.
richtlijn (EG) 2002/56: richtlijn (EG) 2002/56 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 193);
y.
richtlijn (EG) 2002/57: richtlijn nr. 2002/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 193);
z.
richtlijn (EG) 2008/62: richtlijn (EG) nr. 2008/62 van de Commissie van 20 juni 2008 tot

vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen (PbEU L 162);

aa. richtlijn (EG) 2008/72: richtlijn (EG) nr. 2008/72 van de Raad van 15 juli 2008
betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van
groentegewassen, met uitzondering van zaad (PbEU L 205);

bb. richtlijn (EG) 2009/145: richtlijn nr. 2009/145/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 2009 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen intrinsieke waarde hebben voor de commerciële productie van gewassen maar die ontwikkeld zijn voor teelt onder bijzondere omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van die landrassen en rassen (PbEU L 312);

cc. verordening (EG) 1829/2003: Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEG L 268);

dd. derde landen: landen buiten de Europese Unie; ee. hybride: product van een bewuste, voor elke zaadproductie herhaalde kruising tussen twee of meer ouderlijnen die hiertoe afzonderlijk in stand gehouden worden;

ff. instandhoudingsras van een landbouwgewas: 1°. landras van een landbouwgewas, of 2°. ras van een landbouwgewas, dat zich op natuurlijke wijze heeft aangepast

aan de lokale en regionale omstandigheden, dat door genetische erosie wordt bedreigd;

gg. instandhoudingsras van een groentegewas: 1° landras van een groentegewas, of 2° ras van een groentegewas, dat van oudsher op bepaalde plaatsen en in

bepaalde gebieden wordt gekweekt, dat door genetische erosie wordt bedreigd; hh. landras: een stel populaties of klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;

ii. genetische erosie: verlies, in de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of milieuveranderingen;

jj. voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras: ras dat geen intrinsieke waarde heeft voor de commerciële productie van gewassen, maar dat ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere omstandigheden.

Hoofdstuk 2. Registratie en erkenning van leveranciers

§ 1. Registratie van leveranciers van teeltmateriaal van landbouwgewassen, tuinbouwgewassen en bosbouwgewassen

Artikel 2

Als gewassen, bedoeld in artikel 42 van de wet, worden aangewezen:

a.
landbouwgewassen;
b.
tuinbouwgewassen;
c.
bosbouwgewassen.
Artikel 3

Voor leveranciers van groenteplanten en leveranciers van teeltmateriaal van fruitgewassen, siergewassen en bosbouwgewassen zijn de eisen inzake registratie, bedoeld in artikel 43 van de wet, vastgelegd in respectievelijk de artikelen 81, 85, 92 en 97.

Artikel 4

De aanvraag tot een registratie vindt plaats door inzending van een volledig ingevuld, door de keuringsinstelling te verstrekken aanvraagformulier dat vergezeld gaat van de volgende bescheiden:

a.
een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de aanvrager;
b.
een bewijs van inschrijving in het handelsregister, dat door de bevoegde instantie niet langer dan twee maanden vóór de datum van aanvraag tot registratie is afgegeven.
Artikel 5
  1. Een registratie is geldig voor de duur van één jaar.
  2. Behoudens artikel 45 van de wet, wordt een registratie stilzwijgend verlengd.
Artikel 6

Een registratie kan op verzoek van de leverancier beëindigd worden. Het verzoek tot beëindiging van de registratie wordt schriftelijk bij de keuringsinstelling ingediend, onder vermelding van de datum en de reden van de beëindiging van de registratie.

Artikel 7
  1. De keuringsinstelling beheert een register waarin de leverancier wordt ingeschreven.
  2. Op aanvraag en tegen betaling van een door de keuringsinstelling op grond van artikel 21 van de wet te bepalen vergoeding kunnen gegevens uit het register worden verstrekt.
Artikel 8

1. Het register bevat in ieder geval de volgende gegevens:

a.
naam en bedrijfsnaam van de leverancier;
b.
adres en woonplaats of plaats van vestiging van de leverancier;
c.
het nummer waaronder de leverancier bij de keuringsinstelling is ingeschreven;
d.
de handelingen waarvoor de leverancier erkend of geregistreerd is.

2. De leverancier stelt de keuringsinstelling onverwijld in kennis van wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens.

§ 2. Erkenning van leveranciers van teeltmateriaal van groenvoedergewassen, zaaigranen, bieten, oliehoudende planten en vezelgewassen en leveranciers van groentezaden

Artikel 9

  1. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van groenvoedergewassen erkennen voor het verrichten van keuringen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel A, van richtlijn (EEG) 66/401.
  2. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van groenvoedergewassen erkennen voor het nemen van monsters onder de voorwaarden, genoemd in artikel 7, eerste lid, bis, van richtlijn (EEG) 66/401.
  3. NAK kan een laboratorium erkennen voor het verrichten van analyse van teeltmateriaal van groenvoedergewassen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel B, van richtlijn (EEG) 66/401.
Artikel 10
  1. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van zaaigranen erkennen voor het verrichten van keuringen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel A, van richtlijn (EEG) 66/402.
  2. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van zaaigranen erkennen voor het nemen van monsters onder de voorwaarden, genoemd in artikel 7, eerste lid, bis, van richtlijn (EEG) 66/402.
  3. NAK kan een laboratorium erkennen voor het verrichten van analyse van teeltmateriaal van zaaigranen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel B, van richtlijn (EEG) 66/402.
Artikel 11
  1. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van bieten erkennen voor het verrichten van keuringen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel A, van richtlijn (EG) 2002/54.
  2. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van bieten erkennen voor het nemen van monsters onder de voorwaarden, genoemd in artikel 9, eerste lid, bis, van richtlijn (EG) 2002/54.
  3. NAK kan een laboratorium erkennen voor het verrichten van analyse van teeltmateriaal van bieten onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdeel B, van richtlijn (EG) 2002/54.
Artikel 12
  1. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen erkennen voor het verrichten van keuringen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, vijfde lid, onderdeel A, van richtlijn (EG) 2002/57.
  2. NAK kan leveranciers van teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen erkennen voor het nemen van monsters onder de voorwaarden, genoemd in artikel 9, eerste lid, bis, van richtlijn (EG) 2002/57.
  3. NAK kan een laboratorium erkennen voor het verrichten van analyse van teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, vijfde lid, onderdeel B, van richtlijn (EG) 2002/57.
Artikel 13
  1. Naktuinbouw kan leveranciers van groentezaden erkennen voor het verrichten van keuringen onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, vierde lid, onderdeel A, van richtlijn (EG) 2002/55.
  2. Naktuinbouw kan leveranciers van groentezaden erkennen voor het nemen van monsters onder de voorwaarden, genoemd in artikel 25, eerste lid, bis, van richtlijn (EG) 2002/55.
  3. Naktuinbouw kan een laboratorium erkennen voor het verrichten van analyse van groentezaden onder de voorwaarden, genoemd in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, van richtlijn (EG) 2002/55.
Artikel 14
    1. De erkenning kan op verzoek van de leverancier beëindigd worden. Het verzoek tot beëindiging van de erkenning wordt schriftelijk bij de keuringsinstelling ingediend, onder
    2. vermelding van de datum en de reden van de beëindiging van de erkenning.
  1. Met uitzondering van leveranciers van groentezaden, wordt het in het eerste lid bedoelde verzoek voor 1 april voorafgaand aan het kalenderjaar dat de leverancier de erkenning wenst te beëindigen bij NAK ingediend.

Artikel 15

De artikelen 4, 5, 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Onderzoek, keuring en controle § 1. Landbouwgewassen Artikel 16

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van groenvoedergewassen neemt NAK de artikelen 3, vierde lid, 7, 10 quater, 14, eerste lid, 15 en 19, eerste lid, van richtlijn (EEG) 66/401 en artikel 4 van beschikking (EG) 2004/371 in acht.

Artikel 17

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van zaaigranen neemt NAK de artikelen 3, derde lid, 7, 14, eerste lid, 15 en 19, eerste lid, van richtlijn (EEG) 66/402 in acht.

Artikel 18

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van bieten neemt NAK de artikelen 3, tweede lid, 9, 15, 20, 22 en 25, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/54 in acht.

Artikel 19

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van pootaardappelen neemt NAK de artikelen 7, 17 en 23 van richtlijn (EG) 2002/56 in acht.

Artikel 20

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen neemt NAK de artikelen 3, vierde lid, 9, 17, 19 en 22, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/57 in acht.

Artikel 20a

Indien op grond van de door een leverancier van teeltmateriaal gevolgde werkwijze en de resultaten daarvan gebleken is, dat de voortbrenging, bewaring of bewerking van teeltmateriaal niet op voldoende vakkundige wijze geschiedt, kan NAK bij de leverancier de keuring van teeltmateriaal telkens voor ten hoogste drie jaren opschorten.

§ 2. Tuinbouwgewassen en bosbouwgewassen Artikel 21

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van groenteplanten neemt Naktuinbouw de artikelen 5, 6, 10, derde lid, 17, 19 en 20, eerste lid van richtlijn (EG) 2008/72 en de artikelen 2, 3, 4 en 5 van richtlijn (EEG) 93/62 in acht.

Artikel 22

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van fruitgewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 5, 6, 10, derde lid, 17, 19 en 20, eerste lid, van richtlijn (EEG) 92/34 en de artikelen 2, 3, 4 en 5 van richtlijn (EEG) 93/64 in acht.

Artikel 23

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van siergewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 12, 13 en 14 van richtlijn (EG) 98/56 in acht.

Artikel 24

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van teeltmateriaal van bosbouwgewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 16, eerste en vijfde lid, van richtlijn (EG) 99/105 in acht.

Artikel 24a

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 19 en 20 van richtlijn (EG) 2009/145 in acht.

Artikel 24b

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van zaad van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen neemt Naktuinbouw de artikelen 31 en 32 van richtlijn (EG) 2009/145 in acht.

Artikel 25

Bij het onderzoek, de keuring en de controle van groentezaden neemt Naktuinbouw de artikelen 20, vierde lid, 25, 34, 35, 36, 39, eerste lid, 40 en 41 van richtlijn (EG) 2002/55 in acht.

Artikel 25a

Artikel 20a is van toepassing, met dien verstande dat NAK wordt gelezen als Naktuinbouw.

Hoofdstuk 4. het in de handel brengen van teeltmateriaal van Landbouwgewassen § 1. Algemene bepalingen Artikel 26

  1. Teeltmateriaal van een landbouwgewas wordt slechts in de handel gebracht indien het afkomstig is van een ras dat is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, of is toegelaten in een van de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig richtlijn (EG) 2002/53.
  2. Teeltmateriaal van een ras van een landbouwgewas dat van een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen wordt geschrapt, mag uiterlijk tot en met 30 juni van het derde jaar na het einde van de toelating in de handel worden gebracht.
  3. Voor een ras dat uitsluitend dient voor gebruik als kruisingspartner, zijn het eerste en tweede lid alleen van toepassing voor zover het teeltmateriaal onder de naam van het desbetreffende ras in de handel worden gebracht.

Artikel 27

  1. Teeltmateriaal wordt slechts in de handel gebracht in voldoende homogene partijen en in verpakkingen die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 38, 44, 49, 55, 68 en 69g.
  2. Verpakkingen van teeltmateriaal worden gesloten door NAK of door de leverancier onder toezicht van NAK.

Artikel 28

  1. Verpakkingen van teeltmateriaal worden zodanig gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het officiële etiket of de verpakking sporen van manipulatie vertoont.
  2. Het etiket is in het sluitingssysteem verwerkt of er is op de sluiting een officieel zegel aangebracht.
  3. Het tweede lid is niet van toepassing op een verpakking met een sluitingssysteem dat niet opnieuw kan worden gebruikt.
  4. Indien een verpakking van teeltmateriaal opnieuw gesloten wordt, wordt hiervan op het etiket de datum van de hernieuwde sluiting vermeld, alsmede de naam van degene die de verpakking heeft gesloten.

Artikel 29

In geval van teeltmateriaal van een ras dat genetisch is gemodificeerd, wordt op elk etiket of document dat krachtens het bepaalde in deze regeling op de partij teeltmateriaal is aangebracht of deze partij vergezelt, duidelijk vermeld dat het ras genetisch is gemodificeerd.

Artikel 30

In geval van een chemische behandeling van het teeltmateriaal, wordt hiervan op het officiële etiket dan wel op een etiket van de leverancier alsmede op of in de verpakking melding gemaakt.

Artikel 31

  1. Het verzoek tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van landbouwgewassen voor beproevingsdoeleinden, als bedoeld in artikel 39, zesde lid, van de wet, wordt ingediend bij NAK door de leverancier die de aanvraag tot inschrijving in het rassenregister heeft ingediend bij de Raad.
    1. Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, overlegt de leverancier de volgende gegevens aan NAK:
      1. informatie over de voorgenomen praktijkproeven;
      2. de namen van de lidstaten waarin deze proeven worden uitgevoerd;
      3. een voorlopige rasbeschrijving;
      4. informatie over de instandhouding van het ras.
  2. Bij de beoordeling van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, neemt NAK de artikelen 6, 16 en 17 van beschikking (EG) 2004/842 in acht.
  3. NAK geeft uitsluitend toestemming voor proeven op landbouwbedrijven om gegevens over de teelt of het gebruik van het ras te verzamelen.
  4. De toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden wordt verleend voor een periode van een jaar en vervolgens stilzwijgend verlengd.
  5. De toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden vervalt bij intrekking van het verzoek tot opname in het rassenregister, afwijzing van het verzoek tot opname in het rassenregister, of opname van het ras in het rassenregister.
  6. NAK kan de toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden intrekken onder de voorwaarden, genoemd in artikel 14 van beschikking (EG) 2004/842.
  7. Teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden voldoet bij de keuring en het monsteronderzoek tenminste aan de normen voor de laagste generatie of klasse van de betreffende soort.
  8. De maximale hoeveelheden teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden zijn voor voedererwten, tarwe, gerst, haver en veldboon 0,3 procent en voor andere landbouwgewassen 0,1 procent van de hoeveelheid teeltmateriaal die jaarlijks van de desbetreffende soort wordt gebruikt in de lidstaat waarvoor het beproevingsmateriaal is bestemd. In het geval dat de hoeveelheid teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden niet voldoende is om 10 hectare in te zaaien in de lidstaat waarvoor het teeltmateriaal bestemd is, kan de voor 10 hectare benodigde hoeveelheid worden toegestaan.
  9. De verpakking van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 8 van beschikking (EG) 2004/842.
  10. Het etiket van de verpakking van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden voldoet aan de vereisten, genoemd in de artikelen 9 en 10 van beschikking (EG) 2004/842.

Artikel 32

1. In het geval dat meer dan 2 kilogram teeltmateriaal vanuit een derde land in de handel wordt gebracht, wordt NAK door de leverancier van de volgende gegevens in kennis gesteld:

a.
soort;
b.
ras;
c.
categorie;
d.
producerend land en keuringsinstelling;
e.
land van verzending;
f.
importeur;
g.
hoeveelheid teeltmateriaal.
  1. Zaaigranen die uit andere lidstaten of derde landen zijn ingevoerd worden uitsluitend in de handel gebracht indien uit een door een keuringsinstelling opgemaakt document blijkt dat de zaaigranen geen wilde haver bevatten.
  2. Het in het tweede lid bedoelde document voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 1 van richtlijn (EG) 2006/47.

Artikel 33

Zaaizaden zijn nagenoeg ziektevrij en vrij van schadelijke insecten.

§ 2. Groenvoedergewassen

Artikel 34

  1. Prebasiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 14 bis, onderdelen b en c, van richtlijn (EEG) 66/401, en is nagenoeg vrij van rasonzuiverheden.
    1. Basiszaad van gekweekte rassen voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste
    2. lid, onderdeel B, onder 1, van richtlijn (EEG) 66/401.
  2. Basiszaad van landrassen voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel B, onder 2, van richtlijn (EEG) 66/401.
  3. Gecertificeerd zaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel C, van richtlijn (EEG) 66/401.
  4. Gecertificeerd zaad van de eerste generatie voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel C bis, van richtlijn (EEG) 66/401.
  5. Gecertificeerd zaad van de tweede generatie voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel C ter, van richtlijn (EEG) 66/401.
  6. Handelszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel D, van richtlijn (EEG) 66/401.

Artikel 35

  1. Teeltmateriaal van groenvoedergewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het door NAK is goedgekeurd als prebasiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaad.
  2. In afwijking van het eerste lid, mag teeltmateriaal van de volgende groenvoedergewassen tevens in de handel worden gebracht indien het is goedgekeurd als handelszaad:

– Bermudagras;

– Bokshoorn;

– Esparcette;

– Knolrietgras;

– Pannonische Wikke;

– Tuintjesgras;

– Steenklaver.

3. In afwijking van het eerste lid mag niet-bewerkt teeltmateriaal met het oog op bewerking in de handel worden gebracht, voor zover de identiteit van dit teeltmateriaal wordt gewaarborgd.

Artikel 36

Teeltmateriaal van groenvoedergewassen mag als mengsel van verschillende soorten in de handel worden gebracht onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13 van richtlijn (EEG) 66/401 en de artikelen 2, 3 en 5 van beschikking (EG) 2004/371.

Artikel 37

Het maximumvochtgehalte van teeltmateriaal van peulvruchten is 19 procent.

Artikel 38

  1. Verpakkingen van teeltmateriaal van groenvoedergewassen, met uitzondering van kleine verpakkingen van gecertificeerd zaad en handelszaad, voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 10 van richtlijn (EEG) 66/401.
  2. Kleine verpakkingen van teeltmateriaal van groenvoedergewassen voldoen aan de vereisten, genoemd in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel G, en 10 bis, eerste lid, van richtlijn (EEG) 66/401.
  3. Kleine verpakkingen worden voorzien van een gometiket dat voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 10 bis, tweede lid, van richtlijn (EEG) 66/401.
  4. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 1, tweede lid, van beschikking (EG) 2004/266, de in de artikelen 10 en 10 bis van richtlijn (EEG) 66/401 bedoelde gegevens onuitwisbaar op de verpakking drukken of stempelen.
  5. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 10 quinquies van richtlijn (EEG) 66/401 de voorschriften inzake het sluitingssysteem en de etikettering van de verpakking vereenvoudigen voor de verkoop van gecertificeerd zaad in bulk aan de eindverbruiker.
  6. Artikel 27, tweede lid, is niet van toepassing op verpakkingen van mengsels van teeltmateriaal van groenvoedergewassen die niet zijn bestemd voor voederdoeleinden, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel F, van richtlijn (EEG) 66/401. De verpakkingen worden gesloten met een etiket van de leverancier.

Artikel 39

  1. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 4, onderdeel a, van richtlijn (EEG) 66/401 basiszaad, dat niet voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage II van richtlijn (EEG) 66/401 ten aanzien van de kiemkracht, goedkeuren.
  2. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 4, onderdeel b, van richtlijn (EEG) 66/401, in het belang van een snelle voorziening van het zaad, zaad als basiszaad of gecertificeerd zaad goedkeuren.

§ 3. Zaaigranen

Artikel 40

  1. Prebasiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 14 bis, onderdelen b en c, van richtlijn (EEG) 66/402, en is nagenoeg vrij van rasonzuiverheden.
  2. Basiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel C, van richtlijn (EEG) 66/402.
  3. Basiszaad van hybriden voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel C bis, van richtlijn (EEG) 66/402.
  4. Basiszaad van vrij bestoven rassen maïs voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel D, onder 1, van richtlijn (EEG) 66/402.
  5. Basiszaad van maïs van ingeteelde stammen voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel D, onder 2, van richtlijn (EEG) 66/402.
  6. Basiszaad van maïs van enkele hybriden voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel D, onder 3, van richtlijn (EEG) 66/402.

Artikel 41

  1. Gecertificeerd zaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel E, van richtlijn (EEG) 66/402.
  2. Gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel F, van richtlijn (EEG) 66/402.
  3. Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel G, van richtlijn (EEG) 66/402.

Artikel 42

    1. Teeltmateriaal van zaaigranen wordt slechts in de handel gebracht indien het door NAK is
    2. goedgekeurd als prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad, gecertificeerd zaad van de eerste generatie of gecertificeerd zaad van de tweede generatie.
  1. In afwijking van het eerste lid mag niet-bewerkt teeltmateriaal met het oog op bewerking in de handel worden gebracht, voor zover de identiteit van dit teeltmateriaal wordt gewaarborgd.

Artikel 43

Teeltmateriaal van zaaigranen mag als mengsel van verschillende soorten in de handel worden gebracht onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13 van richtlijn (EEG) 66/402.

Artikel 44

  1. Verpakkingen van zaaigranen voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 10 van richtlijn (EEG) 66/402.
  2. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 10 bis van richtlijn (EEG) 66/402 de voorschriften inzake het sluitingssysteem en de etikettering van de verpakking vereenvoudigen voor de verkoop van gecertificeerd zaad in bulk aan de eindverbruiker.

Artikel 45

  1. Het maximumvochtgehalte van teeltmateriaal van wintergranen is 17,5 procent.
  2. Het maximumvochtgehalte van teeltmateriaal van zomergranen is 16,5 procent.
  3. Het maximumvochtgehalte van teeltmateriaal van maïs is 15 procent. Artikel 46
  1. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 4, onderdeel a, van richtlijn (EEG) 66/401 basiszaad, dat niet voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage II van richtlijn (EEG) 66/401 ten aanzien van de kiemkracht, goedkeuren.
  2. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 4, onderdeel b, van richtlijn (EEG) 66/402, in het belang van een snelle voorziening van het zaad, zaad als basiszaad of gecertificeerd zaad goedkeuren.

§ 4. Bieten Artikel 47

  1. Prebasiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 21, onderdelen b en c, van richtlijn (EG) 2002/54, en is nagenoeg vrij van rasonzuiverheden.
  2. Basiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/54.
  3. Gecertificeerd zaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn (EG) 2002/54.

Artikel 48

  1. Teeltmateriaal van bieten wordt slechts in de handel gebracht indien het door NAK is goedgekeurd als prebasiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaad.
  2. In afwijking van het eerste lid mag niet-bewerkt teeltmateriaal met het oog op bewerking in de handel worden gebracht, voor zover de identiteit van dit teeltmateriaal wordt

gewaarborgd.

Artikel 49

  1. Verpakkingen van teeltmateriaal van bieten, met uitzondering van kleine verpakkingen van gecertificeerd zaad, voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 12 van richtlijn (EG) 2002/54.
  2. Kleine verpakkingen van gecertificeerd zaad van bieten voldoen aan de vereisten, genoemd in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel h, en 13 van richtlijn (EG) 2002/54.

Artikel 50

  1. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, onderdeel a, van richtlijn (EG) 2002/54 basiszaad, dat niet voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage I van richtlijn (EG) 2002/54 ten aanzien van de kiemkracht, goedkeuren.
  2. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/54, in het belang van een snelle voorziening van het zaad, zaad als basiszaad of gecertificeerd zaad goedkeuren.

§ 5. Oliehoudende planten en vezelgewassen Artikel 51

  1. Prebasiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 18, onderdelen b en c, van richtlijn (EG) 2002/57, en is nagenoeg vrij van rasonzuiverheden.
  2. Basiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/57.
    1. Basiszaad van vlas is onderverdeeld in de volgende generaties:
      1. ‘elite’;
      2. ‘super-elite’.

Artikel 52

  1. Gecertificeerd zaad van raapzaad, sareptamosterd, koolzaad, bruine mosterd, tweehuizige hennep, saffloer, karwij, zonnebloem, blauwmaanzaad en gele mosterd voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn (EG) 2002/57.
  2. Gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering van eenhuizige hennep en vlas voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van richtlijn (EG) 2002/57.
  3. Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering van vlas voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van richtlijn (EG) 2002/57.
  4. Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering van eenhuizige hennep voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van richtlijn (EG) 2002/57.
  5. Gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering van vlas voldoet aan de vereisten van artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van richtlijn (EG) 2002/57.

Artikel 53

    1. Teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het door NAK is goedgekeurd als prebasiszaad, basiszaad of
    2. gecertificeerd zaad.
  1. In afwijking van het eerste lid mag teeltmateriaal van bruine mosterd tevens in de handel worden gebracht indien het is goedgekeurd als handelszaad.
  2. In afwijking van het eerste lid mag niet-bewerkt teeltmateriaal met het oog op bewerking in de handel worden gebracht, voor zover de identiteit van dit teeltmateriaal wordt gewaarborgd.

Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 55

Verpakkingen van teeltmateriaal van oliehoudende planten en vezelgewassen voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 12 van richtlijn (EG) 2002/57.

Artikel 56

  1. Het maximumvochtgehalte van lijnzaad is 12 procent.
  2. Het maximumvochtgehalte van winterkoolzaad is 11 procent.
  3. Het maximumvochtgehalte van blauwmaanzaad is 11 procent.
  4. Het maximumvochtgehalte van karwijzaad is 13 procent. Artikel 57
  1. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, onderdeel a, van richtlijn (EG) 2002/57 basiszaad, dat niet voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage II van richtlijn (EG) 2002/57 ten aanzien van de kiemkracht, goedkeuren.
  2. NAK kan onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/57, in het belang van een snelle voorziening van het zaad, zaad als basiszaad of gecertificeerd zaad goedkeuren.

§ 6. Pootaardappelen Artikel 58

  1. Prebasispootgoed voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 18, onderdelen a, b, e en f, van richtlijn (EG) 2002/56.
  2. Basispootgoed voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/56.
  3. Gecertificeerd pootgoed voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/56.

Artikel 59

1. Prebasispootgoed wordt in de handel gebracht als de klasse S en is onderverdeeld in de volgende stammen:

a.
uitgangsstammen;
b.
éénjarige stammen;
c.
tweejarige stammen;
d.
driejarige stammen;
e.
vierjarige stammen.

2. Uitgangsstammen worden genomen uit éénjarige, tweejarige of driejarige stammen, of zijn gegroeid uit geselecteerde knollen, genomen uit de opbrengst van goedgekeurde éénjarige stammen.

Artikel 60

  1. Basispootgoed is onderverdeeld in de klassen SE of E.
  2. Basispootgoed kan tevens worden gecertificeerd als communautaire klasse. Hiervoor gelden in aanvulling op het eerste lid de minimumvereisten van richtlijn (EG) 93/17.

Artikel 61

Gecertificeerd pootgoed is onderverdeeld in de klassen A of C.

Artikel 62

De indeling in klassen is afhankelijk van het gebruikte uitgangsmateriaal en de door NAK tijdens het onderzoek, de keuring of controle aangetroffen ziekten, afwijkingen, gebreken, beschadigingen, verontreinigingen, mate van raszuiverheid en opslag, zoals vastgelegd in het keuringsreglement, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet.

Artikel 63

  1. Pootaardappelen worden slechts in de handel gebracht, indien zij door NAK zijn goedgekeurd als prebasispootgoed, basispootgoed of gecertificeerd pootgoed.
  2. Pootaardappelen die niet voldoen aan de vereisten van deze regeling, worden ten hoogste twee keer gesorteerd. De niet-verwijderde pootaardappelen worden vervolgens opnieuw door NAK onderzocht.

Artikel 64

Pootaardappelen worden niet in de handel gebracht indien zij zijn behandeld met of zijn aangetast door kiemremmende middelen.

Artikel 65

  1. Pootaardappelen worden slechts in de handel gebracht indien de afmeting voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 10, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56.
  2. Een partij pootaardappelen bevat niet meer dan 3 procent aan knollen met een kleinere doorsnee dan de minimumdoorsnee, genoemd in artikel 10, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56, en niet meer dan 2 procent aan knollen met een grotere doorsnee dan de maximumdoorsnee, genoemd in artikel 10, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56.
  3. Ten hoogste de helft van het percentage knollen met een kleinere doorsnee of grotere doorsnee, bedoeld in het tweede lid, wijkt maximaal 1 millimeter af van de afmeting, genoemd in artikel 10, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56. Het overige deel van het percentage knollen met een kleinere doorsnee of grotere doorsnee, bedoeld in het tweede lid, wijkt maximaal 3 millimeter af van de afmeting, genoemd in artikel 10, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56.

Artikel 66

  1. Pootaardappelen die met microvermeerdering worden vermeerderd zijn ziektevrij.
    1. In geval van microvermeerdering, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van
    2. naar het oordeel van NAK voor microvermeerdering geschikte procedures en faciliteiten.
  2. Artikel 65 is niet van toepassing op pootaardappelen die met microvermeerdering zijn vermeerderd.

Artikel 67

  1. Pootaardappelen en andere aardappelen worden in alle productiestadia gescheiden gehouden van andere aardappelen.
  2. Het samenvoegen van de stammen, genoemd in artikel 59, uitgezonderd uitgangsstammen, is toegestaan onder de voorwaarde dat de bij elkaar gevoegde stammen van hetzelfde uitgangsjaar zijn. Bij éénjarige stammen bedraagt het aantal samen te voegen stammen niet meer dan 20.
  3. Het samenvoegen van partijen pootgoed is toegestaan, onder de voorwaarden dat de partijen van dezelfde leverancier afkomstig zijn en dat de partij een uniform uiterlijk heeft.

Artikel 68

  1. Verpakkingen van basispootgoed en gecertificeerd pootgoed voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 13, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56.
  2. NAK kan op grond van artikel 13, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/56 voor verpakkingen van kleine hoeveelheden pootaardappelen ten behoeve van de laatste gebruiker, het gebruik toestaan van andere aanduidingen dan de aanduidingen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn (EG) 2002/56.
Artikel 69
  1. NAK kan jaarlijks data vaststellen waarop het loof van de aardappel door de leverancier vernietigd wordt.
  2. De data kunnen verschillen naar gelang het gebied, het ras, de klasse of het gebruik.

§ 7. Het in de handel brengen van teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen

Artikel 69a

  1. Teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het voldoet aan de vereisten van de artikelen 10 en 13 van richtlijn (EG) 2008/62.
  2. De minister kan overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van richtlijn (EG) 2008/62 gebieden buiten het gebied van oorsprong goedkeuren waarin teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen kan worden verhandeld.

Artikel 69b

Teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen wordt uitsluitend geproduceerd in het gebied van oorsprong, bedoeld in artikel 12a, vijfde lid, van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen.

Artikel 69c

    1. De leverancier van teeltmateriaal van een instandhoudingsras van een landbouwgewas gaat overeenkomstig artikel 12 van richtlijn (EG) 2008/62 na of het teeltmateriaal van instandhoudingsrassen voldoet aan de certificeringsvoorschriften van artikel 10, derde lid,
    2. van richtlijn (EG) 2008/62.
  1. Met betrekking tot teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van pootaardappelen is artikel 10 van richtlijn (EG) 2002/56 niet van toepassing.

Artikel 69d

NAK kan jaarlijks de maximale hoeveelheid in de handel te brengen teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen vaststellen overeenkomstig artikel 14 van richtlijn (EG) 2008/62.

Artikel 69e

  1. Jaarlijks melden leveranciers die teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen produceren voorafgaand aan het teeltseizoen de grootte en ligging van het gebied waarin zaad van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen wordt geteeld.
  2. Op basis van de verkregen gegevens kan NAK met toepassing van artikel 15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2008/62 de hoeveelheid in het desbetreffende teeltseizoen in de handel te brengen teeltmateriaal, per leverancier maximeren.

Artikel 69f

Leveranciers melden bij NAK jaarlijks voor aanvang van het teeltseizoen de hoeveelheid in de handel gebracht zaaizaad van elk instandhoudingsras van een landbouwgewas.

Artikel 69g

Verpakkingen van teeltmateriaal van instandhoudingsrassen van landbouwgewassen voldoen aan de vereisten genoemd in de artikelen 17 en 18 van richtlijn (EG) 2008/62.

Hoofdstuk 5. Het in de handel brengen van teeltmateriaal van tuinbouwgewassen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 70

Het bewijsstuk of kenteken, bedoeld in artikel 6 van het besluit, wordt aangebracht door Naktuinbouw of de leverancier onder toezicht van Naktuinbouw en met inachtneming van de voorwaarden van deze regeling.

Artikel 71

  1. Teeltmateriaal van groentegewassen wordt uitsluitend in de handel gebracht indien het afkomstig is van een ras dat is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen, of is toegelaten in een van de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig richtlijn (EG) 2002/55.
  2. Het eerste lid is tot 31 december 2009 niet van toepassing op het in de handel brengen van zaad van rassen van sjalot (Allium cepa L. Aggregatum-groep), stengelui (Allium fistulosum L.), knoflook (Allium sativum L.), bieslook (Allium schoenophrasum L.), Rabarber (Rheum rhabarbarum L.) en suikermaïs of pofmaïs ( Zea mays L.).

§ 2. Groentezaden

Artikel 72

  1. Basiszaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/55.
  2. Gecertificeerd zaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn (EG) 2002/55.
  3. Standaardzaad voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn (EG) 2002/55.

Artikel 73

  1. Zaad van cichorei voor de industrie (Cichorium intybus L. (partim)) wordt slechts in de handel gebracht indien het door Naktuinbouw is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad.
  2. Zaad van andere groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het door Naktuinbouw is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad, dan wel standaardzaad is.

Artikel 74

  1. Zaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan mag in de handel worden gebracht onder de voorwaarden, genoemd in artikel 35 van richtlijn (EG) 2002/55.
  2. Niet-bewerkt zaad mag in de handel worden gebracht met het oog op bewerking, voor zover de identiteit van dit zaad wordt gewaarborgd.

Artikel 75

  1. Basiszaad, gecertificeerd zaad en standaardzaad worden slechts in de handel gebracht in voldoende homogene partijen en in verpakkingen die voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, of 28 van richtlijn (EG) 2002/55. De verpakking wordt voorzien van een etiket dat voldoet aan de vereisten van bijlage IV, deel A, van richtlijn (EG) 2002/55.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op kleine verpakkingen van gecertificeerd zaad en op kleine verpakkingen van verschillende rassen van hetzelfde gewas.
  3. Behoudens het eerste lid, worden verpakkingen van kleine hoeveelheden teeltmateriaal ten behoeve van de laatste gebruiker voorzien van een aanduiding van de gebruiksperiode.

Artikel 76

  1. Verpakkingen worden door de leverancier onder toezicht van Naktuinbouw gesloten.
  2. Verpakkingen van basiszaad en gecertificeerd zaad, met uitzondering van kleine verpakkingen van gecertificeerd zaad, worden zodanig gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het etiket of de verpakking sporen van manipulatie vertoont.
  3. Het officiële etiket is in het sluitingssysteem verwerkt of er is op de sluiting een officieel zegel aangebracht.
  4. Het derde lid is niet van toepassing op een verpakking met een sluitingssysteem dat niet opnieuw kan worden gebruikt.
    1. Indien een verpakking van teeltmateriaal opnieuw gesloten wordt, wordt op het etiket de datum van de hernieuwde sluiting vermeld, alsmede de naam van degene die de
    2. verpakking heeft gesloten.
  5. Met uitzondering van kleine verpakkingen, worden verpakkingen door de voor het aanbrengen van de etiketten verantwoordelijke persoon van een loodje of een gelijkwaardige sluiting voorzien.

Artikel 77

In geval van groentezaden van een ras dat genetisch is gemodificeerd, wordt op elk officieel dan wel ander etiket of document dat op de partij zaad is aangebracht of deze partij vergezelt, duidelijk vermeld dat het ras genetisch is gemodificeerd.

Artikel 78

In geval van een chemische behandeling van basiszaad, gecertificeerd zaad of standaardzaad, wordt hiervan op het officiële etiket dan wel op het etiket van de leverancier, alsmede op of in de verpakking melding gemaakt. Bij kleine verpakkingen kan deze vermelding rechtstreeks op of aan de binnenkant van de verpakking worden aangebracht.

Artikel 79

In het geval dat meer dan 2 kilogram groentezaden vanuit een derde land in de handel wordt gebracht, wordt Naktuinbouw door de leverancier van de volgende gegevens in kennis gesteld

a.
soort;
b.
ras;
c.
categorie;
d.
producerend land en keuringsinstelling;
e.
land van verzending;
f.
importeur;
g.
hoeveelheid teeltmateriaal.

Artikel 80

  1. Het verzoek tot het in de handel brengen van groentezaden voor beproevingsdoeleinden als bedoeld in artikel 39, zesde lid, van de wet, wordt ingediend bij Naktuinbouw door de leverancier die de aanvraag tot inschrijving in het rassenregister heeft ingediend bij de Raad.
    1. Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, overlegt de leverancier de volgende gegevens aan Naktuinbouw:
      1. een beschrijving van het ras;
      2. informatie over de instandhouding van het ras.
  2. Naktuinbouw geeft uitsluitend toestemming voor proeven om via de teelt praktische kennis te verzamelen.
  3. Bij de beoordeling van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, neemt Naktuinbouw de artikelen 35 en 36 van beschikking (EG) 2004/842 in acht.
  4. Voor groentezaden voor beproevingsdoeleinden gelden de voorwaarden, genoemd in bijlage II van richtlijn (EG) 2002/55.
  5. Het door Naktuinbouw uitgevoerde onderzoek van groentezaden voor beproevingsdoeleinden voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 24 van beschikking (EG) 2004/842.
    1. De leverancier van groentezaden voor beproevingsdoeleinden:
      1. stelt Naktuinbouw in kennis van de begindatum en einddatum van zijn
        werkzaamheden;
      2. bewaart de gegevens over elke partij zaad en houdt deze ten minste drie jaar ter beschikking van Naktuinbouw;
      3. neemt monsters van elke voor de handel bestemde partij en houdt deze ten minste twee jaar ter beschikking Naktuinbouw.
  6. De toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden wordt verleend voor een periode van een jaar en kan vervolgens ten hoogste twee keer voor de perioden van een jaar worden verlengd.
  7. De toestemming voor het in de handel brengen van groentezaden voor beproevingsdoeleinden vervalt bij intrekking van het verzoek tot opname in het rassenregister, afwijzing van het verzoek tot opname in het rassenregister, of opname van het ras in het rassenregister.
  8. Naktuinbouw kan de toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden intrekken onder de voorwaarden, genoemd in artikel 33 van beschikking (EG) 2004/842.
  9. De verpakking van groentezaden voor beproevingsdoeleinden voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 27 van beschikking (EG) 2004/842.
  10. Het etiket of de op de verpakking gestempelde of gedrukte tekst voldoet aan de vereisten, genoemd in de artikelen 28 en 29 van beschikking (EG) 2004/842. Het etiket is oranje.
  11. In het geval van genetisch gemodificeerd materiaal wordt alleen toestemming voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor beproevingsdoeleinden verleend indien het teeltmateriaal is toegelaten overeenkomstig richtlijn (EG) 2001/18 of verordening (EG) 1829/2003.

§ 3. Groenteplanten

Artikel 81

De leverancier van groenteplanten voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 5 van richtlijn (EG) 2008/72 en de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn (EEG) 93/62.

Artikel 82

Groenteplanten voldoen aan de vereisten, genoemd in de artikelen 2, 3, 4 en 5 van richtlijn (EEG) 93/61.

Artikel 83

  1. Tijdens de groei, tijdens het rooien of tijdens het wegnemen van enten bij het uitgangsmateriaal wordt het teeltmateriaal in afzonderlijke partijen gehouden.
  2. Indien teeltmateriaal van verschillende oorsprong bij verpakking, opslag, vervoer of levering wordt samengevoegd of gemengd, houdt de leverancier een register bij met de samenstelling van de partij en de oorsprong van de samenstellende delen.

Artikel 84

  1. Onverminderd artikel 83, tweede lid, worden groenteplanten slechts in voldoende homogene partijen in de handel gebracht nadat is vastgesteld dat zij voldoen aan de bepalingen van deze regeling en indien zij vergezeld gaan van een document dat door de leverancier is opgemaakt. Indien op dit document een officiële verklaring voorkomt, wordt deze duidelijk gescheiden van de rest van de inhoud van het document.
  2. Het in het eerste lid bedoelde document voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 6 van richtlijn (EEG) 93/61.

§ 4. Fruitgewassen Artikel 85

De leverancier van teeltmateriaal van fruitgewassen voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 5 van richtlijn (EEG) 92/34 en de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn (EEG) 93/64.

Artikel 86

  1. CAC-materiaal van fruitgewassen voldoet aan de vereisten, genoemd in de artikelen 3, 4, en 5 van richtlijn (EEG) 93/48.
  2. Het CAC-materiaal wordt vergezeld door een document dat door de leverancier is opgemaakt overeenkomstig de vereisten, genoemd in artikel 8 van richtlijn (EEG) 93/48. Indien op het document een officiële verklaring voorkomt, is deze duidelijk gescheiden van de rest van de inhoud van het document.

Artikel 87

  1. Teeltmateriaal van fruitgewassen voldoet aan de vereisten, genoemd in de artikelen 2, 6 en 7 van richtlijn (EEG) 93/48.
  2. Teeltmateriaal van fruitgewassen kan door Naktuinbouw worden gecertificeerd als prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal overeenkomstig de voorwaarden, genoemd in de artikelen 6 en 7 van richtlijn (EEG) 93/48.

Artikel 88

  1. Teeltmateriaal van fruitgewassen wordt in de handel gebracht onder vermelding van het ras waartoe het behoort. Indien bij onderstammen het materiaal niet tot een ras behoort, wordt er verwezen naar de betrokken soort of naar de betrokken interspecifieke hybride.
  2. Het in het eerste lid bedoelde ras voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 9, tweede lid, van richtlijn (EEG) 92/34.
  3. Het teeltmateriaal voldoet aan de relevante plantenziektekundige voorschriften, genoemd in richtlijn (EG) 2000/29.
  4. In de door de leverancier op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel ii, van richtlijn (EEG) 92/34, bij te houden lijsten worden de gegevens, genoemd in artikel 2 van richtlijn (EEG) 93/79 vermeld.

Artikel 89

Tijdens de groei, het rooien of het wegnemen van enten bij het uitgangsmateriaal wordt het teeltmateriaal in afzonderlijke partijen gehouden.

Artikel 90

  1. Indien teeltmateriaal van verschillende oorsprong bij verpakking, opslag, vervoer of levering wordt samengevoegd of gemengd, houdt de leverancier een register bij met de samenstelling van de partij en de oorsprong van de samenstellende delen.
  2. Onverminderd het eerste lid, wordt teeltmateriaal slechts in voldoende homogene partijen in de handel gebracht.

Artikel 91

De etiketten en documenten van teeltmateriaal van fruitgewassen voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 8 van richtlijn (EEG) 93/48.

Artikel 91a [Treedt in werking per 30-09-2012]

  1. Teeltmateriaal van fruitgewassen als bedoeld in artikel 21 van richtlijn (EG) 2008/90 kan tot en met 31 december 2018 in Nederland in de handel worden gebracht.
  2. Het teeltmateriaal, bedoeld in het eerste lid, wordt geïdentificeerd door middel van een verwijzing naar artikel 21 van richtlijn (EG) 2008/90 op het etiket of document.

§ 5. Siergewassen Artikel 92

De leverancier van teeltmateriaal van siergewassen voldoet aan de vereisten, genoemd in de artikelen 7 en 8 van richtlijn (EG) 98/56.

Artikel 93

  1. Teeltmateriaal van siergewassen dat in de handel wordt gebracht voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 5 van richtlijn (EG) 98/56.
  2. Het teeltmateriaal voldoet aan de relevante plantenziektekundige voorschriften, genoemd in richtlijn (EG) 2000/29.
  3. Teeltmateriaal dat op basis van zichtbare tekenen of symptomen niet nagenoeg vrij is van schadelijke organismen, wordt op adequate wijze behandeld of, indien nodig, verwijderd.

Artikel 94

  1. Teeltmateriaal van siergewassen wordt in de handel gebracht vergezeld van een document of etiket dat door de leverancier is opgemaakt.
  2. Het etiket of document, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 2 van richtlijn (EG) 99/66.

Artikel 95

  1. Teeltmateriaal wordt in partijen in de handel gebracht. Teeltmateriaal van verschillende partijen kan in een zending in de handel worden gebracht, mits de leverancier registers bijhoudt van de samenstelling en oorsprong van de verschillende partijen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht voor personen die zich niet beroepshalve bezighouden met de productie of verkoop van siergewassen of teeltmateriaal.
Artikel 96
  1. Teeltmateriaal kan alleen met een verwijzing naar het ras in de handel worden gebracht, indien het desbetreffende ras voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 9 van richtlijn (EG) 98/56.
  2. In de lijst, bedoeld in artikel 9, eerste lid, derde streep, van richtlijn (EG) 98/56 worden de gegevens, genoemd in artikel 2 van richtlijn (EG) 99/68 vermeld.

§ 6. Het in de handel brengen van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen

Artikel 96a

1. Zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het voldoet aan de eisen van artikel 14 van richtlijn (EG) 2009/145, en:

a.
door Naktuinbouw is goedgekeurd als gecertificeerd zaad van een instandhoudingsras overeenkomstig artikel 10 van richtlijn (EG) 2009/145, of
b.
voldoet aan de vereisten van artikel 11 van richtlijn (EG) 2009/145 voor
standaardzaad.

2. De minister kan overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 gebieden buiten het gebied van oorsprong goedkeuren waarin zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen kan worden verhandeld.

Artikel 96b

Zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen wordt uitsluitend geproduceerd in het gebied van oorsprong, bedoeld in artikel 12a, vijfde lid, van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen.

Artikel 96c

De leverancier van zaad van een instandhoudingsras van een groentegewas gaat overeenkomstig artikel 12 van richtlijn (EG) 2009/145 na of het teeltmateriaal van instandhoudingsrassen voldoet aan de voorschriften van artikel 10, onderscheidenlijk 11, van richtlijn (EG) 2009/145.

Artikel 96d

Naktuinbouw kan jaarlijks de maximale hoeveelheid in de handel te brengen zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen vaststellen overeenkomstig artikel 15 van richtlijn (EG) 2009/145.

Artikel 96e

  1. Jaarlijks melden leveranciers die zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen produceren voorafgaand aan het teeltseizoen de grootte en ligging van het gebied waarin zaad van die instandhoudingsrassen wordt geteeld.
  2. Op basis van de verkregen gegevens kan Naktuinbouw met toepassing van artikel 16, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 de hoeveelheid in het desbetreffende teeltseizoen in de handel te brengen zaad, per leverancier maximeren.

Artikel 96f

Leveranciers melden bij Naktuinbouw jaarlijks voor aanvang van het teeltseizoen de hoeveelheid in de handel gebracht zaad van elk instandhoudingsras van een groentegewas.

Artikel 96g

Verpakkingen van zaad van instandhoudingsrassen van groentegewassen voldoen aan de eisen genoemd in de artikelen 17 en 18 van richtlijn (EG) 2009/145.

§ 7. Het in de handel brengen van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen.

Artikel 96h

  1. Teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht indien het voldoet aan de eisen van artikel 26 van richtlijn (EG) 2009/145.
  2. De leverancier van teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen gaat overeenkomstig artikel 27 van richtlijn (EG) 2009/145 na of het teeltmateriaal van die rassen voldoet aan de voorschriften van artikel 26 van richtlijn (EG) 2009/145.
Artikel 96i

Teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen wordt slechts in de handel gebracht in verpakkingen die het in bijlage II bij richtlijn (EG) 2009/145 bepaalde maximale nettogewicht niet overschrijden.

Artikel 96j

Leveranciers melden bij Naktuinbouw jaarlijks voor aanvang van het teeltseizoen de hoeveelheid in de handel gebracht teeltmateriaal van elk voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas.

Artikel 96k

Verpakkingen van teeltmateriaal van voor teelt onder bijzondere omstandigheden ontwikkelde rassen van groentegewassen voldoen aan de eisen genoemd in de artikelen 29 en 30 van richtlijn (EG) 2009/145.

Hoofdstuk 6. Het in de handel brengen van teeltmateriaal van bosbouwgewassen

Artikel 97

De leverancier van bosbouwgewassen voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 16, derde lid, van richtlijn (EG) 99/105.

Artikel 98

Teeltmateriaal wordt uitsluitend in de handel gebracht indien het afkomstig is van een ras dat of een opstand die is toegelaten en is ingeschreven in het rassenregister, dan wel is opgenomen op een vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gemeenschappelijke lijst van rassen of opstanden.

Artikel 99

1. Teeltmateriaal van de soorten, genoemd in bijlage I van richtlijn (EG) 99/105, wordt niet in de handel gebracht tenzij het:

a.
tot de categorie ‘van bekende origine’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage II van richtlijn (EG) 99/105;
b.
tot de categorie ‘geselecteerd’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage III van richtlijn 1999/105/EG;
c.
tot de categorie ‘gekeurd’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage IV van richtlijn (EG) 99/105;
d.
tot de categorie ‘getest’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage V van richtlijn (EG) 99/105.

2. Teeltmateriaal van de bijlage I van richtlijn (EG) 99/105 genoemde kunstmatige hybriden wordt niet in de handel gebracht tenzij het:

a. tot de categorie ‘geselecteerd’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd

in bijlage III van richtlijn (EG) 99/105;

b.
tot de categorie ‘gekeurd’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage IV van richtlijn (EG) 99/105;
c.
tot de categorie ‘getest’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage V van richtlijn (EG) 99/105.

3. Teeltmateriaal van de soorten en kunstmatige hybriden die vegetatief worden vermeerderd, genoemd in bijlage I van richtlijn (EG) 99/105, wordt niet in de handel gebracht tenzij het:

a.
tot de categorie ‘geselecteerd’ behoort, voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage III van richtlijn (EG) 99/105 en massaal uit zaad is geteeld;
b.
tot de categorie ‘gekeurd’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage IV van richtlijn (EG) 99/105;
c.
tot de categorie ‘getest’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage V van richtlijn (EG) 99/105.

4. Teeltmateriaal van de soorten en kunstmatige hybriden dat geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, genoemd in bijlage I van richtlijn (EG) 99/105, wordt slechts in de handel gebracht als het tot de categorie ‘getest’ behoort en voldoet aan de vereisten, genoemd in bijlage V van richtlijn (EG) 99/105.

Artikel 100

Teeltmateriaal verkregen uit de diverse typen uitgangsmateriaal, wordt in de categorieën, genoemd in bijlage VI van richtlijn (EG) 99/105, in de handel gebracht.

Artikel 101

Bosbouwkundig teeltmateriaal van de soorten en kunstmatige hybriden, genoemd in bijlage I van richtlijn (EG) 99/105, wordt niet in de handel gebracht tenzij het aan de relevante vereisten, genoemd in bijlage VII van richtlijn (EG) 99/105, voldoet.

Artikel 102

  1. Teeltmateriaal van bosbouwgewassen wordt slechts in de handel gebracht in partijen die voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 13 van richtlijn (EG) 99/105 en die vergezeld gaan van een etiket of een ander document van de leverancier.
  2. Het in het eerste lid bedoelde etiket of document voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 14, eerste lid, van richtlijn (EG) 99/105.
  3. In het geval van zaden van bosbouwgewassen voldoet het etiket of document, bedoeld in het eerste lid, aan de vereisten, genoemd in artikel 14, eerste en tweede lid, van richtlijn (EG) 99/105.
  4. In het geval van Populus spp. worden plantdelen slechts in de handel gebracht indien op het etiket of in het document van de leverancier het EG-classificatienummer, genoemd in bijlage VII, deel C, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn (EG) 99/105 wordt vermeld.
    1. Indien voor enige categorie bosbouwkundig teeltmateriaal een gekleurd etiket of document wordt gebruikt, is de kleur:
      1. Bij teeltmateriaal ‘van bekende origine’ geel;
      2. Bij ‘geselecteerd’ teeltmateriaal groen;
      3. Bij ‘gekeurd’ teeltmateriaal roze;
      4. Bij ‘getest’ teeltmateriaal blauw.
  5. In het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, wordt dit op alle officiële en andere

etiketten en documenten voor de partij duidelijk vermeld.

Artikel 103

Zaadeenheden worden uitsluitend in gesloten verpakkingen in de handel gebracht. Het sluitingsmechanisme wordt bij het openen van de verpakking onbruikbaar.

Artikel 104

Bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de fytosanitaire voorwaarden, genoemd in richtlijn (EG) 2000/29.

Artikel 105

  1. Naktuinbouw geeft na de oogst voor van toegelaten uitgangsmateriaal afgeleid teeltmateriaal een basiscertificaat af dat de specifieke registervermelding en de relevante gegevens, genoemd in bijlage VIII van richtlijn (EG) 99/105, bevat.
  2. In geval van verdere vegetatieve vermeerdering overeenkomstig artikel 13, tweede lid van richtlijn (EG) 99/105 wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven.
  3. In geval van menging van teeltmateriaal blijven de registervermeldingen van de componenten van het mengsel identificeerbaar. Voor het mengsel wordt een nieuw basiscertificaat of een ander document ter identificatie van het mengsel afgegeven.

Artikel 106

De leverancier die zaadeenheden die niet voor bosbouwdoeleinden bestemd zijn in de handel brengt, maakt hiervan melding aan Naktuinbouw.

Hoofdstuk 7. Tarieven § 1. Oplegging en inning Artikel 107

  1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt in een factuur vastgesteld.
    1. De factuur vermeldt in ieder geval:
      1. de te betalen geldsom;
      2. de door de keuringsinstelling te verrichten of verrichte handelingen, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet;
      3. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

Artikel 108

De kosten van betaling komen ten laste van de leverancier.

Artikel 109

  1. Betaling ter voldoening van een bepaalde geldschuld strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens tot mindering van de verschenen rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
  2. Indien een leverancier verschillende geldschulden heeft bij de keuringsinstelling, kan de leverancier bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegekend.

Artikel 110

  1. De keuringsinstelling kan de leverancier uitstel van betaling verlenen.
  2. Gedurende het uitstel kan de keuringsinstelling niet aanmanen of invorderen.
  3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
  4. De keuringsinstelling kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.

Artikel 111

De keuringsinstelling kan de beschikking tot uitstel van betaling intrekken of wijzigen

a.
indien de voorschriften niet worden nageleefd;
b.
indien de leverancier onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid, of
c.
voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel.

Artikel 112

De leverancier is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.

Artikel 113

  1. De keuringsinstelling maant de leverancier die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de leverancier uit te voeren invorderingsmaatregelen.

Artikel 114

  1. De keuringsinstelling kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding bedraagt € 6 indien de schuld minder dan € 454 bedraagt en € 14 indien de schuld € 454 of meer bedraagt.
  2. De aanmaning vermeldt de vergoeding die in rekening wordt gebracht. Artikel 115

1. Het dwangbevel, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet vermeldt in ieder geval:

a.
aan het hoofd het woord ‘dwangbevel’;
b.
het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
c.
de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
d.
de kosten van het dwangbevel, en
e.
dat het op kosten van de leverancier ten uitvoer kan worden gelegd.

2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:

a.
het bedrag van de aanmaningsvergoeding, en
b.
de ingangsdatum van de wettelijke rente.
§ 2. Aanpassing tarieven Artikel 116

De tarieven kunnen periodiek worden aangepast aan de ontwikkelingen van de lonen en prijzen.

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 117

De bepalingen van deze regeling zijn niet van toepassing op teeltmateriaal waarbij door de leverancier aan de desbetreffende keuringsinstelling is aangetoond dat het teeltmateriaal is bestemd voor de uitvoer naar derde landen.

Artikel 118

Een wijziging van de richtlijnen, genoemd in artikel 1, gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 119

  1. Leveranciers die op grond van het Aansluitingsbesluit N.A.K. zijn aangesloten bij NAK, worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 7. Leveranciers die naar het oordeel van NAK tevens voldoen aan de vereisten, genoemd in de artikelen 9 tot en met 12 inzake erkenning, zijn met de ingang van het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 7.
  2. Leveranciers die op grond van het Aansluitingsbesluit Naktuinbouw zijn aangesloten bij Naktuinbouw en die naar het oordeel van Naktuinbouw voldoen aan de vereisten, genoemd in de artikelen 2 en 3, zijn met de ingang van het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 7. Leveranciers die naar het oordeel van Naktuinbouw tevens voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 13 inzake erkenning, zijn met de ingang van het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 7.

Artikel 120

De volgende regelingen worden ingetrokken:

a.
Regeling van de Minister van Landbouw en Visserij van 18 mei 1967, houdende vrijstelling van het Aansluitingsbesluit N.A.K
b.
Regeling van de Minister van Landbouw en Visserij van 10 december 1971 ter
uitvoering van artikel 93 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet;
c.
Regeling van de Minister van Landbouw en Visserij van 2 maart 1984 ter uitvoering van artikel 83 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet;
d.
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 september 2005, nr. TRCJZ/2005/2470, houdende de vaststelling van modelcertificaten van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
e.
Regeling toezicht keuringsinstellingen Zaaizaad- en Plantgoedwet;
f.
Regeling toelating groenterassen 1973;
g.
Regeling verkeer niet ingeschreven rassen 1991;
h.
Regeling verkeer rassen met communautair kwekersrecht;

Artikel 121

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verhandeling teeltmateriaal.

Artikel 122

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.P. Veerman

 

Explore WIPO