(Tekst geldend op: 01-07-2015)
Wet van 23 september 1912, houdende nieuwe regeling van het auteursrecht
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is eene nieuwe regeling van het auteursrecht vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
§ 1. De aard van het auteursrecht
Artikel 1
Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.
Artikel 2
1. Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht.
2. De maker, of zijn rechtverkrijgende, kan aan een derde een licentie verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht.
3. De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, alsmede de verlening van een exclusieve licentie, geschiedt bij een daartoe bestemde akte. De overdracht of de verlening van een exclusieve licentie omvat alleen die bevoegdheden die in de akte staan vermeld of die uit de aard en de strekking van de titel of licentieverlening noodzakelijkerwijs voortvloeien.
4. Het auteursrecht dat toekomt aan de maker van een werk, alsmede, na het overlijden van de maker, het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken dat toekomt aan degene die het als erfgenaam of legataris van de maker heeft verkregen, is niet vatbaar voor beslag.
5. Het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid zijn niet van toepassing op een maker als bedoeld in artikel 7 en 8.
§ 2. De maker van het werk
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1957]
Artikel 4
1. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor den maker gehouden hij die op of in het werk als zoodanig is aangeduid, of bij gebreke van zulk eene aanduiding, degene, die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan is bekend gemaakt door hem, die het openbaar maakt.
2. Wordt bij het houden van een niet in druk verschenen mondelinge voordracht geen mededeling omtrent de maker gedaan, dan wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, voor de maker
gehouden hij die de mondelinge voordracht houdt.
Artikel 5
1. Van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, hetwelk bestaat uit afzonderlijke werken van twee of meer personen, wordt, onverminderd het auteursrecht op ieder werk afzonderlijk, als de maker aangemerkt degene, onder wiens leiding en toezicht het gansche werk is tot stand gebracht, of bij gebreke van dien, degene, die de verschillende werken verzameld heeft.
2. Als inbreuk op het auteursrecht op het gansche werk wordt beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van eenig daarin opgenomen afzonderlijk werk, waarop auteursrecht bestaat, door een ander dan den maker daarvan of diens rechtverkrijgenden.
3. Is zulk een afzonderlijk werk niet te voren openbaar gemaakt, dan wordt, tenzij tusschen partijen anders is overeengekomen, als inbreuk op het auteursrecht op het gansche werk beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van dat afzonderlijk werk door den maker daarvan of diens rechtverkrijgenden, indien daarbij niet het werk vermeld wordt, waarvan het deel uitmaakt.
Artikel 6
Indien een werk is tot stand gebracht naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht, wordt deze als de maker van dat werk aangemerkt.
Artikel 7
Indien de arbeid, in dienst van een ander verricht, bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken van letterkunde, wetenschap of kunst, dan wordt, tenzij tusschen partijen anders is overeengekomen, als de maker van die werken aangemerkt degene, in wiens dienst de werken zijn vervaardigd.
Artikel 8
Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.
Artikel 9
Indien op of in eenig in druk verschenen exemplaar van het werk de maker niet, of niet met zijn waren naam, is vermeld, kan tegenover derden het auteursrecht ten behoeve van den rechthebbende worden uitgeoefend door dengene, die op of in dat exemplaar van het werk als de uitgever ervan is aangeduid, of bij gebreke van zoodanige aanduiding, door dengene, die op of in het exemplaar van het werk als de drukker ervan is vermeld.
§ 3. De werken, waarop auteursrecht bestaat
Artikel 10
1. Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet:
1°. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en andere geschriften; 2°. tooneelwerken en dramatisch-muzikale werken; 3°. mondelinge voordrachten; 4°. choreografische werken en pantomimes; 5°. muziekwerken met of zonder woorden; 6°. teeken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken; 7°. aardrijkskundige kaarten; 8°. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde,
de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen;
9°. fotografische werken; 10. filmwerken; 11°. werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid; 12°. computerprogramma’s en het voorbereidend materiaal;
en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht.
2. Verveelvoudigingen in gewijzigde vorm van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, zoals vertalingen, muziekschikkingen, verfilmingen en andere bewerkingen, zomede verzamelingen van verschillende werken, worden, onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk, als zelfstandige werken beschermd.
3. Verzamelingen van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk, worden, onverminderd andere rechten op de verzameling en onverminderd het auteursrecht of andere rechten op de in de verzameling opgenomen werken, gegevens of andere elementen, als zelfstandige werken beschermd.
Artikel 11
Er bestaat geen auteursrecht op wetten, besluiten en verordeningen, door de openbare macht uitgevaardigd, noch op rechterlijke uitspraken en administratieve beslissingen.
§ 4. Het openbaar maken
Artikel 12
1. Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:
1°. de openbaarmaking van eene verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk; 2°. de verbreiding van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging
daarvan, zoolang het niet in druk verschenen is; 3°. het verhuren of uitlenen van het geheel of een gedeelte van een exemplaar van het werk met
uitzondering van bouwwerken en werken van toegepaste kunst, of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht;
4°. de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan;
5°. het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet of een andere zender of een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008.
2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid, onder 3°, wordt verstaan het voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen.
3. Onder uitlenen als bedoeld in het eerste lid, onder 3°, wordt verstaan het voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen door voor het publiek toegankelijke instellingen.
4. Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede begrepen die in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring, en voor de toegang tot de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling geen betaling, in welke vorm ook, geschiedt. Hetzelfde geldt voor een tentoonstelling.
5. Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt niet begrepen die welke uitsluitend dient tot het onderwijs dat vanwege de overheid of vanwege een rechtspersoon zonder winstoogmerk wordt gegeven, voor zover de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling deel uitmaakt van het schoolwerkplan of leerplan voor zover van toepassing, of tot een
wetenschappelijk doel.
6. Als afzonderlijke openbaarmaking wordt niet beschouwd de gelijktijdige uitzending van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door hetzelfde organisme dat dat programma oorspronkelijk uitzendt.
7. Onder het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet wordt verstaan de handeling waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde voert. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet, indien de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.
Artikel 12a
1. Indien de maker het verhuurrecht, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, met betrekking tot een op een fonogram vastgelegd werk van letterkunde, wetenschap of kunst aan de producent daarvan heeft overgedragen, is de producent de maker een billijke vergoeding verschuldigd voor de verhuur.
2. Van het in het eerste lid bedoelde recht op een billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
Artikel 12b
Indien een exemplaar van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst door of met toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer is gebracht door eigendomsoverdracht, dan vormt het anderszins in het verkeer brengen van dat exemplaar, met uitzondering van verhuur en uitlening, geen inbreuk op het auteursrecht.
§ 5. Het verveelvoudigen
Artikel 13
Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan de vertaling, de muziekschikking, de verfilming of tooneelbewerking en in het algemeen iedere geheele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigden vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt.
Artikel 13a
Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet verstaan de tijdelijke reproductie die van voorbijgaande of incidentele aard is, en die een integraal en essentieel onderdeel vormt van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel
a) de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of b) een rechtmatig gebruik
van een werk mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezit.
Artikel 14
Onder het verveelvoudigen van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan het vastleggen van dat werk of een gedeelte daarvan op enig voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen of te vertonen.
§ 6. De beperkingen van het auteursrecht
Artikel 15
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het overnemen van berichten of artikelen over actuele economische, politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke onderwerpen alsmede van werken van dezelfde aard die in een dag-, nieuws- of weekblad, tijdschrift, radio- of televisieprogramma of ander medium dat eenzelfde functie vervult, zijn openbaar gemaakt, indien:
1°. het overnemen geschiedt door een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift, in een radio- of televisieprogramma of ander medium dat een zelfde functie vervult;
2°. artikel 25 in acht wordt genomen; 3°. de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze wordt vermeld; en 4°. het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden.
2. Dit artikel is mede van toepassing op het overnemen in een andere taal dan de oorspronkelijke.
Artikel 15a
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel mits:
1°. het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is; 2°. het citeren in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk
verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd;
3°. artikel 25 in acht wordt genomen; en 4°. voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke
wijze wordt vermeld.
2. Onder citeren wordt in dit artikel mede begrepen het citeren in de vorm van persoverzichten uit in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen artikelen.
3. Dit artikel is mede van toepassing op het citeren in een andere taal dan de oorspronkelijke.
Artikel 15b
Als inbreuk op het auteursrecht op een door of vanwege de openbare macht openbaar gemaakt werk van letterkunde, wetenschap of kunst, waarvan de openbare macht de maker of rechtverkrijgende is, wordt niet beschouwd verdere openbaarmaking of verveelvoudiging daarvan, tenzij het auteursrecht, hetzij in het algemeen bij wet, besluit of verordening, hetzij in een bepaald geval blijkens mededeling op het werk zelf of bij de openbaarmaking daarvan uitdrukkelijk is voorbehouden. Ook als een zodanig voorbehoud niet is gemaakt, behoudt de maker echter het uitsluitend recht, zijn werken, die door of vanwege de openbare macht zijn openbaar gemaakt, in een bundel verenigd te doen verschijnen.
Artikel 15c
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het uitlenen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, van het geheel of een gedeelte van een exemplaar van het werk of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt. De eerste zin is niet van toepassing op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12° tenzij dat werk onderdeel uitmaakt van een van gegevens voorziene informatiedrager en uitsluitend dient om die gegevens toegankelijk te maken.
2. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden
bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het eerste lid.
3. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 15i omgezette werken aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.
4. De in het eerste lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de maker of diens rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De maker of diens rechtverkrijgende dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15d en 15f bedoelde rechtspersonen.
Artikel 15d
De hoogte van de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen stichting waarvan het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van de makers of hun rechtverkrijgenden en de ingevolge artikel 15c, eerste lid, betalingsplichtigen op evenwichtige wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting wordt benoemd door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het aantal bestuursleden van deze stichting dient oneven te zijn.
Artikel 15e
Geschillen met betrekking tot de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding worden in eerste aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank Den Haag.
Artikel 15f
1. De betaling van de in artikel 15c bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen naar hun oordeel representatieve rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van deze vergoeding. In aangelegenheden betreffende de vaststelling van de hoogte van de vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening van het uitsluitende recht vertegenwoordigt de in de vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in en buiten rechte.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld door de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
Artikel 15g
Degene die tot betaling van de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding verplicht is, is gehouden, voor zover geen ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1 april van ieder kalenderjaar aan de in artikel 15f, eerste lid, bedoelde rechtspersoon opgave te doen van het aantal rechtshandelingen, bedoeld in artikel 15c. Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze rechtspersoon onverwijld de bescheiden of andere informatiedragers ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
Artikel 15h
Tenzij anders overeengekomen, wordt niet als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst beschouwd het door middel van een besloten netwerk beschikbaar stellen van een werk dat onderdeel uitmaakt van verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea of archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, door middel van daarvoor bestemde terminals in de gebouwen van die instellingen aan individuele leden van het publiek voor onderzoek of privé-studie.
Artikel 15i
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking die uitsluitend bestemd is voor mensen met een handicap, mits deze direct met de handicap verband houdt, van niet commerciële aard is en wegens die handicap noodzakelijk is.
2. Voor de verveelvoudiging of openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd.
Artikel 16
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking van gedeelten ervan uitsluitend ter toelichting bij het onderwijs, voor zover dit door het beoogde, niet-commerciële doel wordt gerechtvaardigd, mits:
1°. het werk waaruit is overgenomen rechtmatig openbaar gemaakt is; 2°. het overnemen in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk
verkeer redelijkerwijs geoorloofd is; 3°. artikel 25 in acht wordt genomen; 4°. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke
wijze wordt vermeld; en 5°. aan de maker of zijn rechtverkrijgenden een billijke vergoeding wordt betaald.
2. Waar het geldt een kort werk of een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°. of onder 11°. mag voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden het gehele werk worden overgenomen.
3. Waar het het overnemen in een compilatiewerk betreft, mag van dezelfde maker niet meer worden overgenomen dan enkele korte werken of korte gedeelten van zijn werken, en waar het geldt werken als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°. of onder 11°. niet meer dan enkele van die werken en in zodanige verveelvoudiging, dat deze door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil vertoont met het oorspronkelijke met dien verstande, dat wanneer van deze werken er twee of meer verenigd openbaar zijn gemaakt, die verveelvoudiging slechts ten aanzien van een daarvan geoorloofd is.
4. De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing ten aanzien van het overnemen in een andere taal dan de oorspronkelijke.
Artikel 16a
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd een korte opname, weergave en mededeling ervan in het openbaar in een foto-, film-, radio- of televisiereportage voor zover zulks voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis welke het onderwerp der reportage uitmaakt, gerechtvaardigd is en mits, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, duidelijk wordt vermeld.
Artikel 16b
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en welke uitsluitend
dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die zonder direct of indirect commercieel oogmerk de verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen uitsluitend ten behoeve van zichzelf opdracht geeft.
2. Waar het geldt een dag-, nieuws- of weekblad of een tijdschrift of een boek of de partituur of de partijen van een muziekwerk en de in die werken opgenomen andere werken, blijft die verveelvoudiging bovendien beperkt tot een klein gedeelte van het werk, behalve indien het betreft:
a. werken, waarvan naar redelijkerwijs mag worden aangenomen geen nieuwe exemplaren tegen betaling, in welke vorm ook, aan derden ter beschikking zullen worden gesteld;
b. in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen korte artikelen, berichten of andere stukken.
3. Waar het geldt een werk, als bedoeld bij artikel 10, eerste lid, onder 6°, moet de verveelvoudiging door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil vertonen met het oorspronkelijke werk.
4. Indien een ingevolge dit artikel toegelaten verveelvoudiging heeft plaatsgevonden, mogen de vervaardigde exemplaren niet zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden aan derden worden afgegeven, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of bestuurlijke procedure.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor de verveelvoudiging, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding is verschuldigd. Daarbij kunnen nadere regelen worden gegeven en voorwaarden worden gesteld.
6. Dit artikel is niet van toepassing op het reproduceren, bedoeld in artikel 16c, noch op het nabouwen van bouwwerken.
Artikel 16c
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan op een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt.
2. Voor het reproduceren, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd. De verplichting tot betaling van de vergoeding rust op de fabrikant of de importeur van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor de fabrikant ontstaat de verplichting tot betaling van de vergoeding op het tijdstip dat de door hem vervaardigde voorwerpen in het verkeer kunnen worden gebracht. Voor de importeur ontstaat deze verplichting op het tijdstip van invoer.
4. De verplichting tot betaling van de vergoeding vervalt indien de ingevolge het tweede lid betalingsplichtige een voorwerp als bedoeld in het eerste lid uitvoert.
5. De vergoeding is slechts eenmaal per voorwerp verschuldigd.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gegeven met betrekking tot de voorwerpen ten aanzien waarvan de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, verschuldigd is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regelen worden gegeven en voorwaarden worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel met betrekking tot de hoogte, verschuldigdheid en vorm van de billijke vergoeding.
7. Indien een ingevolge dit artikel toegelaten reproductie heeft plaatsgevonden, mogen voorwerpen als bedoeld in het eerste lid niet zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden aan derden worden afgegeven, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of
bestuurlijke procedure.
8. Dit artikel is niet van toepassing op het verveelvoudigen van een met elektronische middelen toegankelijke verzameling als bedoeld in artikel 10, derde lid.
Artikel 16d
1. De betaling van de in artikel 16c bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen, naar zijn oordeel representatieve rechtspersoon, die belast is met de inning en de verdeling van deze vergoeding overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld door deze rechtspersoon, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. In aangelegenheden betreffende de inning en vergoeding vertegenwoordigt deze rechtspersoon de makers of hun rechtverkrijgenden in en buiten rechte.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
Artikel 16e
De hoogte van de in artikel 16c bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen stichting waarvan het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van de makers of hun rechtverkrijgenden en de ingevolge artikel 16c, tweede lid, betalingsplichtigen op evenwichtige wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting wordt benoemd door Onze Minister van Justitie.
Artikel 16f
Degene die tot betaling van de in artikel 16c bedoelde vergoeding verplicht is, is gehouden onverwijld of binnen een met de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon overeengekomen tijdvak opgave te doen aan deze rechtspersoon van het aantal van de door hem geïmporteerde of vervaardigde voorwerpen, bedoeld in artikel 16c, eerste lid. Hij is voorts gehouden aan deze rechtspersoon op diens aanvrage onverwijld die bescheiden ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
Artikel 16g
Geschillen met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in de artikelen 15i, 16, 16b, 16c en 16h, worden in eerste aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank Den Haag.
Artikel 16ga
1. De verkoper van de in artikel 16c, eerste lid bedoelde voorwerpen is gehouden aan de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon op diens aanvraag onverwijld die bescheiden ter inzage te geven waarvan de kennisneming noodzakelijk is om vast te stellen of de in artikel 16c, tweede lid, bedoelde vergoeding door de fabrikant of de importeur betaald is.
2. Indien de verkoper niet kan aantonen dat de vergoeding door de fabrikant of de importeur betaald is, is hij verplicht tot betaling daarvan aan de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon, tenzij uit de in het eerste lid genoemde bescheiden blijkt wie de fabrikant of de importeur is.
Artikel 16h
1. Een reprografische verveelvoudiging van een artikel in een dag-, nieuws- of weekblad of een tijdschrift of van een klein gedeelte van een boek en van de in zo'n werk opgenomen andere werken wordt niet beschouwd als inbreuk op het auteursrecht, mits voor deze verveelvoudiging een vergoeding wordt betaald.
2. Een reprografische verveelvoudiging van het gehele werk wordt niet beschouwd als inbreuk op het auteursrecht, indien van een boek naar redelijkerwijs mag worden aangenomen geen nieuwe exemplaren tegen betaling, in welke vorm dan ook, aan derden ter beschikking worden gesteld, mits voor deze verveelvoudiging een vergoeding wordt betaald.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van de verveelvoudiging van werken als bedoeld bij artikel 10, eerste lid, onder 1°, van het in een of meer der voorgaande leden bepaalde mag worden afgeweken ten behoeve van de uitoefening van de openbare dienst, alsmede ten behoeve van de vervulling van taken waarmee in het algemeen belang werkzame instellingen zijn belast. Daarbij kunnen nadere regelen worden gegeven en nadere voorwaarden worden gesteld.
Artikel 16i
De vergoeding, bedoeld in artikel 16h, wordt berekend over iedere pagina waarop een werk als bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel reprografisch verveelvoudigd is. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld en kunnen nadere regelen en voorwaarden worden gesteld.
Artikel 16j
Een met inachtneming van artikel 16h vervaardigde reprografische verveelvoudiging mag, zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende, alleen worden afgegeven aan personen die in dezelfde onderneming, organisatie of instelling werkzaam zijn, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of administratieve procedure.
Artikel 16k
De verplichting tot betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, vervalt door verloop van drie jaar na het tijdstip waarop de verveelvoudiging vervaardigd is. De vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de maker of diens rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op de vergoeding.
Artikel 16l
1. De betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen, naar zijn oordeel representatieve rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van deze vergoeding.
2. In aangelegenheden betreffende de inning van de vergoeding vertegenwoordigt de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, de makers of hun rechtverkrijgenden in en buiten rechte.
3. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, hanteert voor de verdeling van de geïnde vergoedingen een reglement. Het reglement behoeft de goedkeuring van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
4. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
5. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing voorzover degene die tot betaling van de vergoeding verplicht is, kan aantonen dat hij met de maker of zijn rechtverkrijgende overeengekomen is dat hij de vergoeding rechtstreeks aan deze zal betalen.
Artikel 16m
Degene die de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, dient te betalen aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 16l, eerste lid, is gehouden aan deze opgave te doen van het totale aantal reprografische verveelvoudigingen dat hij per jaar maakt. De opgave, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet gedaan te worden, indien per jaar minder dan een
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal reprografische verveelvoudigingen gemaakt wordt.
Artikel 16n
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea of archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, indien die verveelvoudiging geschiedt met als enig doel:
1°. het exemplaar van het werk te restaureren; 2°. bij dreiging van verval van het exemplaar van het werk een verveelvoudiging daarvan te
behouden voor de instelling; 3°. het werk raadpleegbaar te houden als de technologie waarmee het toegankelijk gemaakt kan
worden in onbruik raakt.
2. De in het eerste lid bedoelde verveelvoudigingen zijn slechts geoorloofd indien:
1°. de exemplaren van het werk deel uitmaken van de verzameling van de voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea of archieven die een beroep op deze beperking doen; en
2°. artikel 25 in acht wordt genomen.
Artikel 16o
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 1, 5 of 10, wordt niet beschouwd de reproductie of beschikbaarstelling door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen en musea, alsmede archieven en instellingen voor cinematografisch of audiovisueel erfgoed die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, van een voor het eerst in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte openbaar gemaakt werk mits:
a. het werk deel uitmaakt van de eigen verzameling van de hiervoor bedoelde organisaties; b. de rechthebbende op het werk na een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 16p niet is
geïdentificeerd en opgespoord; en c. de reproductie en beschikbaarstelling geschiedt in het kader van de uitoefening van een
publieke taak, in het bijzonder het behouden en restaureren van de werken en het verstrekken van voor culturele en onderwijsdoeleinden bestemde toegang tot de werken uit de eigen verzameling van de hiervoor bedoelde organisaties.
2. Indien aan twee of meer personen het auteursrecht toekomt op het werk en na een zorgvuldige onderzoek niet alle rechthebbenden zijn geïdentificeerd en opgespoord, kan het werk alleen worden gereproduceerd en beschikbaar gesteld indien de opgespoorde rechthebbende met betrekking tot de rechten waarover hij beschikt daarvoor toestemming verleent. De organisaties, genoemd in het eerste lid, vermelden bij de beschikbaarstelling de geïdentificeerde, maar niet opgespoorde rechthebbende(n).
3. Een werk dat niet eerder is openbaar gemaakt, kan worden gereproduceerd en beschikbaar gesteld, overeenkomstig het eerste lid, indien het werk met toestemming van de rechthebbende in de in het eerste lid onder a bedoelde verzameling is opgenomen en redelijkerwijs aannemelijk is dat de rechthebbende zich niet tegen de reproductie en beschikbaarstelling zou verzetten.
4. De organisaties, genoemd in het eerste lid, mogen met de reproductie en beschikbaarstelling inkomsten generen op voorwaarde dat deze inkomsten uitsluitend dienen ter vergoeding van de kosten van de digitalisering en beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde werken.
Artikel 16p
1. Het zorgvuldig onderzoek naar de rechthebbende, als bedoeld in artikel 16o, eerste lid, onder b, wordt uitgevoerd door voor ieder werk als bedoeld in artikel 16o, eerste lid, en voor ieder daarin opgenomen werk van letterkunde, wetenschap of kunst de voor de desbetreffende categorie van werken geschikte bronnen voor het opsporen van rechthebbenden te raadplegen. Op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden bij algemene maatregel van bestuur regels gegeven ten aanzien van de bij het onderzoek te raadplegen bronnen.
2. Het onderzoek vindt plaats in de lidstaat waarin het werk voor het eerst is openbaar gemaakt. Voor filmwerken vindt het onderzoek plaats in de lidstaat waar de producent zijn zetel of gewone woonplaats heeft.
3. Voor een werk als bedoeld in artikel 16o, derde lid, vindt het onderzoek plaats in de lidstaat waar de organisatie die het werk met toestemming van de rechthebbende in de eigen verzameling heeft opgenomen, is gevestigd.
4. Indien er aanwijzingen zijn dat informatie over de rechthebbende aanwezig is in een andere lidstaat, worden ook de in die lidstaat voor een zorgvuldig onderzoek voorgeschreven bronnen geraadpleegd.
5. De organisaties, bedoeld in artikel 16o, eerste lid, houden bij welke bronnen in het kader van het onderzoek zijn geraadpleegd en welke informatie hieruit is voortgekomen. De organisaties verstrekken de volgende gegevens aan een op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instantie, ten behoeve van doorgeleiding aan het Harmonisatiebureau voor de Interne Markt:
a. de resultaten van het zorgvuldig onderzoek dat door de organisaties is verricht en dat tot de conclusie heeft geleid dat het werk verweesd is;
b. de wijze waarop het werk zal worden gebruikt; c. de contactgegevens van de organisaties; en d. voor zover van toepassing, iedere wijziging in de status van het werk.
Op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de aan te leveren gegevens en de wijze van aanleveren.
6. Voor verweesde werken opgenomen in de databank van het Harmonisatiebureau, genoemd in het vijfde lid, is voor de reproductie en beschikbaarstelling als bedoeld in artikel 16o, eerste lid, een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 16o, eerste lid, onder b, niet noodzakelijk.
Artikel 16q
Het gebruik van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst overeenkomstig artikel 16o, eerste lid, wordt beëindigd indien een rechthebbende met betrekking tot de rechten waar hij over beschikt, gebruik maakt van de mogelijkheid om de status van verweesd werk te beëindigen. De organisaties bedoeld in artikel 16o, eerste lid, zijn aan de rechthebbende een billijke vergoeding verschuldigd voor het gebruik dat op grond van artikel 16o van het werk is gemaakt.
Artikel 16r
Voor de toepassing van de artikelen 16o, 16p, 16q en 17 wordt onder beschikbaarstelling verstaan het, per draad of draadloos, beschikbaar stellen van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst voor het publiek op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen gekozen individuele plaats en tijd toegang hebben tot het werk.
Artikel 17
Als inbreuk op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 5 of 10, wordt niet beschouwd de reproductie of beschikbaarstelling door een publieke media-instelling als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008 van een in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte openbaar gemaakt werk als bedoeld in artikel 16o, eerste lid, onder b, dat door de publieke media-instelling is geproduceerd vóór 1 januari 2003 en is gearchiveerd. De artikelen 16o tot en met 16r zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17a
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het algemeen belang regelen worden gesteld nopens de uitoefening van het recht van de maker van een werk of zijn rechtverkrijgenden met betrekking tot de openbaarmaking van een werk door uitzending van een radio- of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat eenzelfde functie vervult. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, kan bepalen, dat zodanig werk in Nederland mag worden openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden, indien de uitzending plaats vindt vanuit Nederland dan wel vanuit een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Zij die bevoegd zijn een werk zonder voorafgaande toestemming openbaar te maken, zijn desalniettemin verplicht de rechten van de maker, bedoeld in artikel 25, te eerbiedigen en aan de maker of zijn rechtverkrijgenden een billijke vergoeding te betalen, welke bij gebreke van overeenstemming op vordering van de meest gerede partij door de rechter zal worden vastgesteld, die tevens het stellen van zekerheid kan bevelen. Het hiervoor bepaalde is niet van toepassing op het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet.
Artikel 17b
1. Tenzij anders is overeengekomen, sluit de bevoegdheid tot openbaarmaking door uitzending van een radio- of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat eenzelfde functie vervult niet in de bevoegdheid het werk vast te leggen.
2. De omroeporganisatie die bevoegd is tot de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is echter gerechtigd met haar eigen middelen en uitsluitend voor uitzending van haar eigen radio- of televisieprogramma's het ter uitzending bestemde werk tijdelijk vast te leggen. De omroeporganisatie, die dientengevolge gerechtigd is tot vastlegging, is desalniettemin verplicht de rechten van de maker van het werk, bedoeld in artikel 25, te eerbiedigen.
3. Vastleggingen die met inachtneming van het tweede lid zijn vervaardigd en een uitzonderlijke documentaire waarde bezitten, mogen in officiële archieven worden bewaard.
Artikel 17c
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde of kunst wordt niet beschouwd de gemeentezang en de instrumentale begeleiding daarvan tijdens een eredienst.
Artikel 17d
Een krachtens artikel 16b, vijfde lid, artikel 16c, zesde lid, artikel 16h, derde lid, artikel 16m, tweede lid, artikel 17a of artikel 29a, vierde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur of een wijziging daarvan treedt niet eerder in werking dan acht weken na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 18
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 6°, of op een werk, betrekkelijk tot de bouwkunde als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 8°, dat is gemaakt om permanent in openbare plaatsen te worden geplaatst, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking van afbeeldingen van het werk zoals het zich aldaar bevindt. Waar het betreft het overnemen in een compilatiewerk, mag van dezelfde maker niet meer worden overgenomen dan enkele van zijn werken.
Artikel 18a
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de incidentele verwerking ervan als onderdeel van ondergeschikte betekenis in een ander werk.
Artikel 18b
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.
Artikel 19
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een portret wordt niet beschouwd de verveelvoudiging daarvan door, of ten behoeve van, den geportretteerde of, na diens overlijden, zijne nabestaanden.
2. Bevat eene zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan staat die verveelvoudiging aan ieder hunner ten aanzien van andere portretten dan zijn eigen slechts vrij met toestemming van die andere personen of, gedurende tien jaren na hun overlijden, van hunne nabestaanden.
3. Ten aanzien van een fotografisch portret wordt mede niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd het openbaar maken daarvan in een nieuwsblad of tijdschrift door of met toestemming van een der personen, in het eerste lid genoemd, mits daarbij de naam des makers, voor zoover deze op of bij het portret is aangeduid, vermeld wordt.
4. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van portretten, welke vervaardigd zijn ingevolge eene opdracht, door of vanwege de geportretteerde personen, of te hunnen behoeve aan den maker gegeven.
Artikel 20
1. Tenzij anders is overeengekomen is degene, wien het auteursrecht op een portret toekomt, niet bevoegd dit openbaar te maken zonder toestemming van den geportretteerde of, gedurende tien jaren na diens overlijden, van diens nabestaanden.
2. Bevat eene zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan is ten aanzien van de gansche afbeelding de toestemming vereischt van alle geportretteerden of, gedurende tien jaren na hun overlijden, van hunne nabestaanden.
3. Het laatste lid van het voorgaande artikel is van toepassing.
Artikel 21
Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, den maker door of vanwege den geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door dengene, wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zoover een redelijk belang van den geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet.
Artikel 22
1. In het belang van de openbare veiligheid alsmede ter opsporing van strafbare feiten mogen afbeeldingen van welke aard ook door of vanwege de justitie worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt.
2. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het overnemen ervan ten behoeve van de openbare veiligheid of om het goede verloop van een bestuurlijke, parlementaire of gerechtelijke procedure of de berichtgeving
daarover te waarborgen.
Artikel 23
Tenzij anders overeengekomen, is de eigenaar, bezitter of houder van een teken-, schilder-, bouw- of beeldhouwwerk of een werk van toegepaste kunst bevoegd dat werk te verveelvoudigen of openbaar te maken voor zover dat noodzakelijk is voor openbare tentoonstelling of openbare verkopen van dat werk, een en ander met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik.
Artikel 24
Tenzij anders is overeengekomen blijft de maker van eenig schilderwerk, niettegenstaande de overdracht van zijn auteursrecht, bevoegd gelijke schilderwerken te vervaardigen.
Artikel 24a
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een verzameling als bedoeld in artikel 10, derde lid, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door de rechtmatige gebruiker van de verzameling, die noodzakelijk is om toegang te verkrijgen tot en normaal gebruik te maken van de verzameling.
2. Indien de rechtmatige gebruiker slechts gerechtigd is tot het gebruik van een deel van de verzameling geldt het eerste lid slechts voor de toegang tot en het normaal gebruik van dat deel.
3. Bij overeenkomst kan niet ten nadele van de rechtmatige gebruiker worden afgeweken van het eerste en tweede lid.
Artikel 25
1. De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten:
a. het recht zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede zijn openbaar gemaakt;
c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.
2. De in het eerste lid genoemde rechten komen, na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht, toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.
3. Van het recht, in het eerste lid, onder a genoemd kan afstand worden gedaan. Van de rechten onder b en c genoemd kan afstand worden gedaan voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming daarvan betreft.
4. Heeft de maker van het werk het auteursrecht overgedragen dan blijft hij bevoegd in het werk zodanige wijzigingen aan te brengen als hem naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder trouw vrijstaan. Zolang het auteursrecht voortduurt komt gelijke bevoegdheid toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene, als redelijkerwijs aannemelijk is, dat ook de maker die wijzigingen zou hebben goedgekeurd.
Artikel 25a
In deze paragraaf worden onder nabestaanden verstaan de ouders, de echtgenoot of de
geregistreerde partner en de kinderen. De aan de nabestaanden toekomende bevoegdheden kunnen zelfstandig door ieder van hen worden uitgeoefend. Bij verschil van mening kan de rechter een voor hen bindende beslissing geven.
Hoofdstuk Ia. De exploitatieovereenkomst
Artikel 25b
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheid ten aanzien van het auteursrecht van de maker aan een wederpartij tot hoofddoel heeft, tenzij artikel 3.28 Beneluxverdrag voor de Intellectuele Eigendom van toepassing is.
2. Artikel 25f is van toepassing op een overeenkomst waarbij de maker het auteursrecht geheel of gedeeltelijk overdraagt of waarbij door de maker een exclusieve licentie is verleend.
3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de maker als bedoeld in de artikelen 7 en 8.
4. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die het auteursrecht als erfgenaam of legataris van de maker heeft verkregen.
Artikel 25c
1. De maker heeft recht op een in de overeenkomst te bepalen billijke vergoeding voor de verlening van exploitatiebevoegdheid.
2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan, een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen adviesorgaan gehoord, de hoogte van een billijke vergoeding vaststellen voor een specifieke branche en voor een bepaalde periode na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De vaststelling van een billijke vergoeding geschiedt met inachtneming van het belang van het behoud van de culturele diversiteit, de toegankelijkheid van cultuur, een doelstelling van sociaal beleid en het belang van de consument.
3. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gaat alleen over tot vaststelling als bedoeld in het tweede lid op gezamenlijk verzoek van een in de desbetreffende branche bestaande vereniging van makers en een exploitant of een vereniging van exploitanten. Het verzoek bevat een gezamenlijk gedragen advies inzake een billijke vergoeding, alsmede een duidelijke afbakening van de branche waarop het verzoek betrekking heeft.
4. Een vereniging als bedoeld in het derde lid is representatief en onafhankelijk. Uit de statuten van de vereniging blijkt dat zij tot doel heeft Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een advies als bedoeld in het derde lid uit te brengen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld in verband met de indiening van het verzoek door verenigingen van makers en exploitanten en de vaststelling van een billijke vergoeding door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
6. Indien de maker exploitatiebevoegdheden heeft verleend ten aanzien van een exploitatie op een ten tijde van sluiting van de overeenkomst nog onbekende wijze en de wederpartij gaat hiertoe over, is hij de maker hiervoor een aanvullende billijke vergoeding verschuldigd. Is de bevoegdheid door de wederpartij van de maker overgedragen aan een derde die tot de bedoelde exploitatie overgaat, dan kan de maker de aanvullende billijke vergoeding van de derde vorderen.
Artikel 25d
1. De maker kan in rechte een aanvullende billijke vergoeding vorderen van zijn wederpartij, indien de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk.
2. Indien de ernstige onevenredigheid tussen de vergoeding van de maker en de opbrengst van de
exploitatie van het werk is ontstaan nadat het auteursrecht door de wederpartij van de maker aan een derde is overgedragen, kan de maker de vordering als bedoeld in het eerste lid tegen de derde instellen.
Artikel 25e
1. De maker kan de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden indien de wederpartij het auteursrecht op het werk niet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst in voldoende mate exploiteert of, na het aanvankelijk verrichten van exploitatiehandelingen, het auteursrecht niet langer in voldoende mate exploiteert. De voorgaande zin is niet van toepassing indien het aan de maker is toe te rekenen dat het auteursrecht binnen de termijn niet in voldoende mate wordt geëxploiteerd of indien de wederpartij een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij instandhouding van de overeenkomst dat het belang van de maker daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
2. Indien het auteursrecht aan meerdere makers toebehoort en de bijdrage van de maker geen scheidbaar werk vormt, kan de maker de overeenkomst alleen ontbinden met instemming van de andere makers. Indien een maker zijn instemming onthoudt en de overige makers hierdoor onevenredig worden benadeeld, kan de ontbinding van de overeenkomst uitsluitend in rechte geschieden.
3. Voorzover exploitatie door de wederpartij niet blijvend onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst pas nadat de maker aan de wederpartij schriftelijk een redelijke termijn heeft gegund het werk alsnog in voldoende mate te exploiteren en exploitatie binnen deze termijn uitblijft.
4. Op verzoek van de maker verstrekt de wederpartij voor het verstrijken van de termijn bedoeld in het derde lid hem een schriftelijke opgave van de omvang van de exploitatie.
5. In overeenstemming met artikel 6:267 BW vindt ontbinding van de overeenkomst plaats door een schriftelijke verklaring van de maker aan de wederpartij. Op vordering van de maker kan de ontbinding van de overeenkomst ook door de rechter worden uitgesproken.
6. Indien het auteursrecht door de wederpartij van de maker is overgedragen aan een derde, kan de maker zijn uit de ontbinding voortvloeiende rechten ook tegen deze derde geldend maken, nadat hij deze zo spoedig mogelijk schriftelijk van de ontbinding mededeling heeft gedaan.
7. Indien de wederpartij of de derde niet binnen een hem gestelde redelijke termijn tot teruglevering van het auteursrecht overgaat, kan de rechter op vordering van de maker een in de gegeven omstandigheden redelijk bedrag vaststellen dat de wederpartij dan wel de derde aan de maker dient te vergoeden, naast de mogelijk aan de maker verschuldigde schadevergoeding.
Artikel 25f
1. Een beding dat voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken op de exploitatie van toekomstige werken van de maker inhoudt, is vernietigbaar.
2. Een beding dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen of de overige omstandigheden van het geval, voor de maker onredelijk bezwarend is, is vernietigbaar.
3. Indien door de wederpartij is bedongen dat de overeenkomst tussentijds kan worden opgezegd, geldt deze bevoegdheid onder gelijke voorwaarden eveneens voor de maker.
Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.
Artikel 25g
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan een geschillencommissie aanwijzen voor de beslechting van geschillen tussen een maker en zijn wederpartij of een derde inzake de toepassing van artikel 25c, eerste en zesde lid, 25d, 25e of 25f.
2. Wordt het geschil niet binnen drie maanden nadat afschrift van de uitspraak van de geschillencommissie aan partijen werd verzonden bij de rechter aanhangig gemaakt, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld na het verstrijken van deze termijn geacht te zijn overeengekomen tussen partijen.
3. Een geschil kan ook ten behoeve van makers aanhangig worden gemaakt door een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid voorzover zij de belangen van makers ingevolge haar statuten behartigt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de financiering, samenstelling, inrichting, procedures, bekostiging, werkwijze van en toezicht op de geschillencommissie.
Artikel 25h
1. Van het bepaalde in dit hoofdstuk kan door de maker geen afstand worden gedaan.
2. Ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing indien:
a. de overeenkomst bij gebreke van een rechtskeuze zou worden beheerst door Nederlands recht, of;
b. de exploitatiehandelingen geheel of in overwegende mate in Nederland plaatsvinden of dienen plaats te vinden.
Hoofdstuk II. De uitoefening en de handhaving van het auteursrecht en bepalingen van strafrecht
Artikel 26
Indien aan twee of meer personen een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk toekomt, kan, tenzij anders is overeengekomen, de handhaving van dit recht door ieder hunner geschieden.
Artikel 26a
1. Het recht om toestemming te verlenen voor de gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte uitzending van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008 kan uitsluitend worden uitgeoefend door rechtspersonen die zich ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van rechthebbenden door de uitoefening van het aan hen toekomende hiervoor bedoelde recht te behartigen.
2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen zijn ook bevoegd de belangen te behartigen van rechthebbenden die daartoe geen opdracht hebben gegeven, indien het betreft de uitoefening van dezelfde rechten als in de statuten vermeld. Indien meerdere rechtspersonen zich blijkens hun statuten de behartiging van de belangen van dezelfde categorie rechthebbenden ten doel stellen, kan de rechthebbende een van hen aanwijzen als bevoegd tot de behartiging van zijn belangen. Voor rechthebbenden die geen opdracht hebben gegeven als bedoeld in de tweede zin gelden de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst die een tot de uitoefening van dezelfde rechten bevoegde rechtspersoon heeft gesloten met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde uitzending, onverkort.
3. Vorderingen jegens de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon terzake van de door deze geïnde gelden vervallen door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de in het eerste lid bedoelde uitzending heeft plaatsgevonden.
4. Dit artikel is niet van toepassing op rechten als bedoeld in het eerste lid die toekomen aan een omroeporganisatie met betrekking tot haar eigen uitzendingen.
Artikel 26b
Partijen zijn verplicht de onderhandelingen over de toestemming voor de gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte uitzending, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, te goeder trouw te voeren en niet zonder geldige reden te verhinderen of te belemmeren.
Artikel 26c
1. Indien over de gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte uitzending, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, geen overeenstemming kan worden bereikt, kan iedere partij een beroep doen op een of meer bemiddelaars. De bemiddelaars worden zodanig geselecteerd dat over hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.
2. De bemiddelaars verlenen bijstand bij het voeren van de onderhandelingen en zijn bevoegd aan de partijen voorstellen te betekenen. Tot drie maanden na de dag van ontvangst van de voorstellen van de bemiddelaars kan een partij zijn bezwaren tegen deze voorstellen betekenen aan de andere partij. De voorstellen van de bemiddelaars binden de partijen, tenzij binnen de in de vorige zin bedoelde termijn door een van hen bezwaren zijn betekend. De voorstellen en de bezwaren worden aan de partijen betekend overeenkomstig het bepaalde in de eerste titel, zesde afdeling, van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 26d
De rechter kan op vordering van de maker, tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.
Artikel 26e
De voorzieningenrechter kan op vordering van de maker of zijn rechtverkrijgende tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door de maker of zijn rechtverkrijgende geleden schade. Onder dezelfde voorwaarden kan de rechter voortzetting van de dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in artikel 26d toestaan.
Artikel 27
1. Niettegenstaande de gehele of gedeeltelijke overdracht van zijn auteursrecht blijft de maker bevoegd een rechtsvordering ter verkrijging van schadevergoeding in te stellen tegen degene, die inbreuk op het auteursrecht heeft gemaakt.
2. In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.
3. De in het eerste lid bedoelde rechtsvordering ter verkrijging van schadevergoeding wegens inbreuk op het auteursrecht komt na het overlijden van de maker toe aan zijn erfgenamen of legatarissen tot aan het vervallen van het auteursrecht.
Artikel 27a
1. Naast schadevergoeding kan de maker of zijn rechtverkrijgende vorderen dat degene die inbreuk op het auteursrecht heeft gemaakt, wordt veroordeeld de door deze ten gevolge van de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen.
2. De maker of diens rechtverkrijgende kan de in het eerste lid bedoelde vorderingen of een van deze ook namens of mede namens een licentienemer instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatste in een al of niet namens hem of mede namens hem door de maker of diens
rechtverkrijgende ingesteld geding tussen te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade vergoed te krijgen of om zich een evenredig deel van de door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. De in het eerste lid bedoelde vorderingen of een van deze kan een licentienemer slechts instellen als hij de bevoegdheid daartoe van de maker of diens rechtverkrijgende heeft bedongen.
Artikel 28
1. Het auteursrecht geeft aan de gerechtigde de bevoegdheid om roerende zaken, die geen registergoederen zijn en die in strijd met dat recht zijn openbaar gemaakt of een niet geoorloofde verveelvoudiging vormen of die materialen of werktuigen zijn die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van deze zaken zijn gebruikt, als zijn eigendom op te eisen dan wel onttrekking aan het verkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan, kan de gerechtigde de afgifte van deze zaken vorderen.
2. Gelijke bevoegdheid tot opeising bestaat:
a. ten aanzien van het bedrag van de toegangsgelden betaald voor het bijwonen van een voordracht, een op- of uitvoering of een tentoonstelling of voorstelling, waardoor inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt;
b. ten aanzien van andere gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen door of als gevolg van inbreuk op het auteursrecht.
3. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn, zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor.
4. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden op kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
5. Ten aanzien van onroerende zaken, schepen of luchtvaartuigen, waardoor inbreuk op een auteursrecht wordt gemaakt, kan de rechter op vordering van de gerechtigde gelasten dat de gedaagde daarin zodanige wijziging zal aanbrengen dat de inbreuk wordt opgeheven.
6. Tenzij anders is overeengekomen, heeft de licentienemer het recht de uit het eerste tot en met vijfde lid voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten waarvan de uitoefening hem is toegestaan.
7. Gelijke bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid bestaat ten aanzien van de inrichtingen, producten en onderdelen als bedoeld in artikel 29a alsmede de reproducties van werken als bedoeld in artikel 29b, die geen registergoederen zijn.
8. Bij de beoordeling van de maatregelen die de gerechtigde of diens licentienemer kan vorderen ingevolge de bevoegdheden, genoemd in het eerste, tweede en zevende lid, houdt de rechter rekening met de noodzakelijke evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen en met de belangen van derden.
9. De rechter kan op vordering van de gerechtigde degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken, aan de gerechtigde mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit bevel worden gegeven aan een derde die op commerciële schaal inbreukmakende goederen in zijn bezit heeft of gebruikt, die op commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden gebruikt, of die door een van deze derden is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, fabricage of distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten. Deze derde kan zich verschonen van het verstrekken van informatie die bewijs zou vormen van deelname aan een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom door hem zelf of door de andere in artikel 165, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde personen.
10. De rechter kan op vordering van de gerechtigde gelasten dat op kosten van degene die inbreuk
op diens auteursrecht heeft gemaakt passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.
Artikel 29
1. De in artikel 28, eerste lid, bedoelde bevoegdheid kan niet worden uitgeoefend ten aanzien van zaken die onder personen berusten, die niet in soortgelijke zaken handeldrijven en deze uitsluitend voor eigen gebruik hebben verkregen, tenzij zij zelf inbreuk op het betreffende auteursrecht hebben gemaakt.
2. De vordering, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, kan slechts worden ingesteld tegen de eigenaar of houder van de zaak, die schuld heeft aan de inbreuk op het betreffende auteursrecht.
Artikel 29a
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «technische voorzieningen» verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken, die door de maker of zijn rechtverkrijgenden niet zijn toegestaan. Technische voorzieningen worden geacht «doeltreffend» te zijn indien het gebruik van een beschermd werk door de maker of zijn rechtverkrijgenden wordt beheerst door middel van toegangscontrole of door toepassing van een beschermingsprocédé zoals encryptie, vervorming of andere transformatie van het werk of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.
2. Degene, die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, handelt onrechtmatig.
3. Degene die diensten verricht of inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert, verkoopt, verhuurt, adverteert of voor commerciële doeleinden bezit die:
a) aangeboden, aangeprezen of in de handel gebracht worden met het doel om de beschermende werking van doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen, of
b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben anders dan het omzeilen van de beschermende werking van doeltreffende technische voorzieningen, of
c) vooral ontworpen, vervaardigd of aangepast worden met het doel het omzeilen van de doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken,
handelt onrechtmatig.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden vastgesteld die de maker of zijn rechtverkrijgenden er toe verplichten aan de gebruiker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst voor doeleinden als omschreven in de artikelen 15i, 16, 16b, 16c, 16h, 16n, 17b en 22 van deze wet de nodige middelen te verschaffen om van deze beperkingen te profiteren, mits de gebruiker rechtmatig toegang tot het door de technische voorziening beschermde werk heeft. Het bepaalde in de voorgaande zin geldt niet ten aanzien van werken die onder contractuele voorwaarden aan gebruikers beschikbaar worden gesteld op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.
Artikel 29b
1. Degene die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn elektronische informatie betreffende het beheer van rechten verwijdert of wijzigt, of werken van letterkunde, wetenschap of kunst waaruit op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd, verspreidt, ter verspreiding invoert, uitzendt of anderszins openbaar maakt, en weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot inbreuk op het auteursrecht, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, handelt onrechtmatig.
2. Onder «informatie betreffende het beheer van rechten» wordt in dit artikel verstaan alle door de maker of zijn rechtverkrijgenden verstrekte informatie welke verbonden is met een
verveelvoudiging van een werk of bij de openbaarmaking van een werk bekend wordt gemaakt, die dient ter identificatie van het werk, dan wel van de maker of zijn rechtverkrijgenden, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk, alsmede de cijfers of codes waarin die informatie is vervat.
Artikel 30
Indien iemand zonder daartoe gerechtigd te zijn een portret openbaar maakt gelden ten aanzien van het recht van den geportretteerde dezelfde bepalingen als in de artikelen 28 en 29 met betrekking tot het auteursrecht zijn gesteld.
Artikel 30a
1. Voor het als bedrijf verleenen van bemiddeling in zake muziekauteursrecht, al of niet met het oogmerk om winst te maken, is de toestemming vereischt van Onzen Minister van Justitie.
2. Onder het verleenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het, al of niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hunne rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- of televisieprogramma, door tekens, geluid of beelden, van die werken, of hunne verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.
3. Met de uitvoering of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van muziekwerken wordt gelijkgesteld de uitvoering of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes en hunne verveelvoudigingen, indien deze ten gehoore worden gebracht zonder te worden vertoond.
4. Overeenkomsten als bedoeld bij het tweede lid, welke worden aangegaan zonder dat de ingevolge het eerste lid vereischte ministerieele toestemming is verkregen, zijn nietig.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de toestemming bedoeld in het eerste lid.
6. Het toezicht op degene die de ministeriële toestemming heeft verkregen wordt uitgeoefend door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
Artikel 30b
1. Op verzoek van een of meer naar het oordeel van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister van Economische Zaken representatieve organisaties van bedrijfs- of beroepsgenoten die rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid zijn en die ten doel hebben de behartiging van belangen van personen die beroeps- of bedrijfsmatig werken van letterkunde, wetenschap of kunst invoeren in Nederland, openbaar maken of verveelvoudigen, kunnen voornoemde ministers gezamenlijk bepalen dat door hen aangewezen beroeps- of bedrijfsgenoten verplicht zijn hun administratie te voeren op een nader door hen aan te geven wijze.
2. Hij die de in het vorige lid bedoelde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Het feit is een overtreding.
Artikel 31
Hij, die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 31a
Hij die opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt, b. ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft, c. invoert, doorvoert, uitvoert of d. bewaart uit winstbejag
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 31b
Hij die van het plegen van de misdrijven, als bedoeld in de artikelen 31 en 31a, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 32
Hij die een voorwerp waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt; b. ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft; c. invoert, doorvoert, uitvoert of d. bewaart uit winstbejag
wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 32a
Hij die opzettelijk middelen die uitsluitend bestemd zijn om het zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende verwijderen van of het ontwijken van een technische voorziening ter bescherming van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, te vergemakkelijken
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt, b. ter verspreiding voorhanden heeft, c. invoert, doorvoert, uitvoert of d. bewaart uit winstbejag
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 33
De feiten strafbaar gesteld in de artikelen 31, 31a, 31b, 32 en 32a zijn misdrijven.
Artikel 34
1. Hij die opzettelijk in enig werk van letterkunde, wetenschap of kunst, waarop auteursrecht bestaat, in de benaming daarvan of in de aanduiding van de maker wederrechtelijk enige wijziging aanbrengt of wel met betrekking tot een zodanig werk op enige andere wijze, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, het werk aantast, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Het feit is een misdrijf.
Artikel 35
1. Hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een portret in het openbaar ten toon stelt of op andere wijze openbaar maakt, wordt gestraft met geldboete van de vierde categorie.
2. Het feit is eene overtreding.
Artikel 35a
1. Hij die, zonder dat de vereischte toestemming van Onzen Minister van Justitie is verkregen, handelingen verricht, die behooren tot een bedrijf als bedoeld bij artikel 30a, wordt gestraft met geldboete van de vierde categorie.
2. Het feit wordt beschouwd als eene overtreding.
Artikel 35b
1. Hij die in een schriftelijke aanvrage of opgave, dienende om in het bedrijf van degene, die met toestemming van Onze Minister van Justitie bemiddeling verleent inzake muziekauteursrecht, te worden gebezigd bij de vaststelling van het wegens auteursrecht verschuldigde, opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of of geldboete van de derde categorie.
2. Het feit is een overtreding.
Artikel 35c
Degene die een schriftelijke opgave aan de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon, dienende voor de vaststelling van het op grond van artikel 16c verschuldigde, opzettelijk nalaat dan wel in een dergelijke opgave opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 35d
Degene die een opgave als bedoeld in artikel 15g opzettelijk nalaat dan wel in een dergelijke opgave opzettelijk een onjuiste mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 36
1. De door den strafrechter verbeurd verklaarde verveelvoudigingen worden vernietigd; echter kan de rechter bij het vonnis bepalen, dat zij aan dengene, wien het auteursrecht toekomt, zullen worden afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen eene maand nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Door de afgifte gaat de eigendom van de verveelvoudigingen op den rechthebbende over. De rechter zal kunnen gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen eene bepaalde, door den rechthebbende te betalen vergoeding, welke ten bate komt van den Staat.
Artikel 36a
De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde tot het opsporen van bij deze wet strafbaar gestelde feiten inzage vorderen van alle bescheiden of andere gegevensdragers waarvan inzage voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig is, bij hen die in de uitoefening van hun beroep of bedrijf werken van letterkunde, wetenschap of kunst invoeren, doorvoeren, uitvoeren, openbaar maken of verveelvoudigen.
Artikel 36b
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd, tot het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten en ter inbeslagneming van hetgeen daarvoor vatbaar is, elke plaats te betreden.
2. Indien hun de toegang wordt geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de
sterke arm.
3. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere last van of in tegenwoordigheid van een officier van justitie of een hulpofficier van justitie. Van dit binnentreden wordt door hen binnen vierentwintig uren procesverbaal opgemaakt.36c [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk III. De duur van het auteursrecht
Artikel 37
1. Het auteursrecht vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op het sterfjaar van de maker.
2. De duur van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk, aan twee of meer personen als gezamenlijke makers daarvan toekomende, wordt berekend van de 1e januari van het jaar, volgende op het sterfjaar van de langstlevende hunner.
Artikel 38
1. Het auteursrecht op een werk, ten aanzien waarvan de maker niet is aangeduid of niet op zodanige wijze dat zijn identiteit buiten twijfel staat, vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op dat, waarin de eerste openbaarmaking van het werk rechtmatig heeft plaatsgehad.
2. Hetzelfde geldt ten aanzien van werken, waarvan een openbare instelling, een vereniging, stichting of vennootschap als maker wordt aangemerkt, tenzij de natuurlijke persoon, die het werk heeft gemaakt, als zodanig is aangeduid op of in exemplaren van het werk, die zijn openbaar gemaakt.
3. Indien de maker vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn zijn identiteit openbaart, zal de duur van het auteursrecht op dat werk worden berekend naar de bepalingen van artikel 37.
Artikel 39
Voor werken, waarvan de duur van het auteursrecht niet wordt berekend naar de bepalingen van artikel 37 en die niet binnen 70 jaren na hun totstandkoming op rechtmatige wijze zijn openbaar gemaakt, vervalt het auteursrecht.
Artikel 40
Het auteursrecht op een filmwerk vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op het sterfjaar van de langstlevende van de volgende personen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de schrijver van de dialogen en degene die ten behoeve van het filmwerk de muziek heeft gemaakt.
Artikel 40a
Indien in het geval van een muziekwerk met woorden het auteursrecht op de muziek en het auteursrecht op de woorden berusten bij verschillende personen, vervalt het auteursrecht door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar volgende op het sterfjaar van de langstlevende van hen.
Artikel 41
Ten aanzien van werken, in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen verschenen, wordt voor de toepassing van artikel 38 iedere band, deel, nummer of aflevering als een afzonderlijk werk aangemerkt.
Artikel 42
In afwijking voor zooverre van de bepalingen van dit hoofdstuk kan in Nederland geenerlei beroep worden gedaan op auteursrecht, waarvan de duur in het land van oorsprong van het werk reeds verstreken is. Het in de eerste zin bepaalde geldt niet voor werken waarvan de maker onderdaan is van een lid-staat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen betreffende het volgrecht
Artikel 43
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. originelen van kunstwerken: 1°. een werk van grafische of beeldende kunst, zoals afbeeldingen, collages, schilderingen,
tekeningen, gravures, prenten, lithografieën, beeldhouwwerken, tapisserieën, keramische werken, glaswerk en foto's, voor zover dit door de maker zelf is vervaardigd, of het een exemplaar betreft dat anderszins als origineel van een kunstwerk wordt beschouwd.
2°. exemplaren van werken als bedoeld in onder 1°, die door de maker zelf of op zijn gezag in een beperkte oplage zijn vervaardigd.
b. professionele kunsthandelaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van de koop of verkoop van originelen van kunstwerken of van het als tussenpersoon tot stand brengen van koopovereenkomsten met betrekking tot originelen van kunstwerken.
Artikel 43a
1. Het volgrecht is het recht van de maker en van zijn rechtverkrijgenden krachtens erfopvolging om bij iedere verkoop van een origineel van een kunstwerk waarbij een professionele kunsthandelaar is betrokken, met uitzondering van de eerste vervreemding door de maker, een vergoeding te ontvangen.
2. Het volgrecht is niet overdraagbaar, uitgezonderd in het geval van overdracht krachtens legaat.
3. Van het volgrecht kan geen afstand worden gedaan.
4. De vergoeding bedoeld in het eerste lid is opeisbaar vanaf het tijdstip dat de koopprijs van het origineel van het kunstwerk opeisbaar is, doch uiterlijk vanaf drie maanden na het totstandkomen van de koopovereenkomst.
Artikel 43b
Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, vastgesteld en kunnen regelen worden gesteld omtrent de verschuldigdheid van de vergoeding.
Artikel 43c
1. De verplichting tot betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, rust op de bij de verkoop betrokken professionele kunsthandelaar. Indien meer dan één professionele kunsthandelaar bij een verkoop is betrokken, zijn zij hoofdelijk voor deze vergoeding aansprakelijk.
2. Een rechtsvordering tot betaling van de vergoeding bedoeld in artikel 43a, eerste lid, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de rechthebbende zowel met de opeisbaarheid van de vergoeding als met de tot de betaling van de vergoeding verplichte persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na het tijdtip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.
Artikel 43d
De gerechtigde op het volgrecht kan gedurende drie jaar na het tijdstip waarop de vergoeding bedoeld in artikel 43a, eerste lid, opeisbaar is geworden, van degene die verplicht is tot betaling van de vergoeding alle inlichtingen verlangen die noodzakelijk zijn om de betaling van de vergoeding veilig te stellen.
Artikel 43e
1. Het volgrecht vervalt op het tijdstip waarop het auteursrecht vervalt.
2. In afwijking van het eerste lid is bij een verkoop van een origineel van een kunstwerk tot 1 januari 2010 de vergoeding, bedoeld in artikel 43a, eerste lid, niet verschuldigd aan de rechtverkrijgenden van de maker krachtens erfopvolging.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de in het tweede lid bedoelde periode worden verlengd tot uiterlijk 1 januari 2012.
Artikel 43f
Onverminderd het bepaalde in artikel 43g is dit hoofdstuk van toepassing op originelen van kunstwerken die op 1 januari 2006 in ten minste één lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 beschermd worden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht.
Artikel 43g
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op makers van originelen van kunstwerken die:
a. onderdaan zijn van één van de lidstaten van de Europese Unie en hun rechtverkrijgenden; b. onderdaan zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992 en hun rechtverkrijgenden; of c. hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en hun rechtverkrijgenden.
2. Dit hoofdstuk is voorts van toepassing op makers van originelen van kunstwerken en hun rechtverkrijgenden die onderdaan zijn van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, in de mate waarin en de duur waarvoor die staat het volgrecht erkent ten behoeve van makers van originelen van kunstwerken uit de lidstaten van de Europese Unie en de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 en hun rechtverkrijgenden.44 [Vervallen per 01-04-2006]
Artikel 45 [Vervallen per 07-01-1973]
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen betreffende filmwerken
Artikel 45a
1. Onder filmwerk wordt verstaan een werk dat bestaat uit een reeks beelden met of zonder geluid, ongeacht de wijze van vastlegging van het werk, indien het is vastgelegd.
2. Onverminderd het in de artikelen 7 en 8 bepaalde worden als de makers van een filmwerk aangemerkt de natuurlijke personen die tot het ontstaan van het filmwerk een daartoe bestemde bijdrage van scheppend karakter hebben geleverd.
3. Producent van het filmwerk is de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de totstandbrenging van het filmwerk met het oog op de exploitatie daarvan.
Artikel 45b
Indien een van de makers zijn bijdrage tot het filmwerk niet geheel tot stand wil of kan brengen, kan hij zich, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, niet verzetten tegen het gebruik door de producent van die bijdrage, voor zover deze reeds tot stand is gebracht, ten behoeve van de voltooiing van het filmwerk. Voor de door hem tot stand gebrachte bijdrage geldt hij als maker in de zin van artikel 45a.
Artikel 45c
Het filmwerk geldt als voltooid op het tijdstip waarop het vertoningsgereed is. Tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, beslist de producent wanneer het filmwerk vertoningsgereed is.
Artikel 45d
1. Tenzij de makers en de producent van een filmwerk schriftelijk anders zijn overeengekomen, worden de makers geacht aan de producent het recht overgedragen te hebben om vanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstip het filmwerk te verhuren en anderszins openbaar te maken, dit te verveelvoudigen in de zin van artikel 14, er ondertitels bij aan te brengen en de teksten ervan na te synchroniseren. Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van degene die ten behoeve van het filmwerk de muziek heeft gemaakt en degene die de bij de muziek behorende tekst heeft gemaakt. Ongeacht de wijze van overdracht is de producent aan de makers voor de overdracht van rechten en de exploitatie van het filmwerk een billijke vergoeding verschuldigd. Van het recht op een billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
2. Onverminderd het in artikel 26a bepaalde is een ieder die het filmwerk uitzendt of doet uitzenden of op enige andere wijze mededeelt aan het publiek, per draad of draadloos, met uitzondering van de beschikbaarstelling van het filmwerk op zodanige wijze dat het filmwerk voor de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is, aan de hoofdregisseur en de scenarioschrijver van het filmwerk die deze rechten aan de producent heeft overgedragen een proportionele billijke vergoeding verschuldigd. Van het recht op een proportionele billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
3. Het recht op de vergoeding bedoeld in het tweede lid wordt uitgeoefend door representatieve rechtspersonen die zich ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van hoofdregisseurs of scenarioschrijvers te behartigen door de uitoefening van dat recht. Artikel 26a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Degene die de in het tweede lid bedoelde vergoeding verschuldigd is, is gehouden aan de rechtspersonen bedoeld in het derde lid de bescheiden of andere informatiedragers ter inzage te geven, waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de verschuldigdheid, de hoogte en de verdeling van de vergoeding.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de uitoefening van het recht bedoeld in het tweede lid.
6. Het recht op een proportionele billijke vergoeding bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing op een filmwerk waarvan de exploitatie als zodanig niet het hoofddoel is.
7. Artikel 25d en artikel 25e zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 25c, tweede tot en met zesde lid, en artikel 25g zijn van overeenkomstige toepassing op de billijke vergoeding bedoeld in het eerste lid.
Artikel 45e
Iedere maker heeft met betrekking tot het filmwerk naast de rechten, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, c en d, het recht
a. zijn naam op de daarvoor gebruikelijke plaats in het filmwerk te doen vermelden met vermelding van zijn hoedanigheid of zijn bijdrage aan het filmwerk;
b. te vorderen dat het onder a bedoelde gedeelte van het filmwerk mede wordt vertoond; c. zich te verzetten tegen vermelding van zijn naam op het filmwerk, tenzij dit verzet in strijd met
de redelijkheid zou zijn.
Artikel 45f
De maker wordt, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, verondersteld tegenover de producent afstand gedaan te hebben van het recht zich te verzetten tegen wijzigingen als bedoeld in artikel 25, eerste lid onder c, in zijn bijdrage.
Artikel 45g
Iedere maker behoudt, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, het auteursrecht op zijn bijdrage, indien deze een van het filmwerk scheidbaar werk vormt. Na het in artikel 45c bedoelde tijdstip mag iedere maker, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, zijn bijdrage afzonderlijk openbaar maken en verveelvoudigen, mits hij daardoor geen schade toebrengt aan de exploitatie van het filmwerk.
Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen betreffende computerprogramma's
Artikel 45h
Voor het openbaar maken door middel van verhuren van het geheel of een gedeelte van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht, is de toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende vereist.
Artikel 45i
Onverminderd het bepaalde in artikel 13 wordt onder het verveelvoudigen van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, mede verstaan het laden, het in beeld brengen, de uitvoering, de transmissie of de opslag, voor zover voor deze handelingen het verveelvoudigen van dat werk noodzakelijk is.
Artikel 45j
Tenzij anders is overeengekomen, wordt niet als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door de rechtmatige verkrijger van een exemplaar van eerder genoemd werk, die noodzakelijk is voor het met dat werk beoogde gebruik. De verveelvoudiging, als bedoeld in de eerste zin, die geschiedt in het kader van het laden, het in beeld brengen of het verbeteren van fouten, kan niet bij overeenkomst worden verboden.
Artikel 45k
Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door de rechtmatige gebruiker van eerder genoemd werk, die dient als reservekopie indien zulks voor het met dat werk beoogde gebruik noodzakelijk is.
Artikel 45l
Hij die bevoegd is tot het verrichten van de in artikel 45i bedoelde handelingen, is mede bevoegd tijdens deze handelingen de werking van dat werk waar te nemen, te bestuderen en te testen teneinde de daaraan ten grondslag liggende ideeën en beginselen te achterhalen.
Artikel 45m
1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, worden niet beschouwd het vervaardigen van een kopie van dat werk en het vertalen van de codevorm daarvan, indien deze handelingen onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de interoperabiliteit van een onafhankelijk vervaardigd computerprogramma met andere computerprogramma's tot stand te brengen, mits:
a. deze handelingen worden verricht door een persoon die op rechtmatige wijze de beschikking heeft gekregen over een exemplaar van het computerprogramma of door een door hem daartoe gemachtigde derde;
b. de gegevens die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit tot stand te brengen niet reeds snel en gemakkelijk beschikbaar zijn voor de onder a bedoelde personen;
c. deze handelingen beperkt blijven tot die onderdelen van het oorspronkelijke computerprogramma die voor het tot stand brengen van de interoperabiliteit noodzakelijk zijn.
2. Het is niet toegestaan de op grond van het eerste lid verkregen informatie:
a. te gebruiken voor een ander doel dan het tot stand brengen van de interoperabiliteit van het onafhankelijk vervaardigde computerprogramma;
b. aan derden mede te delen, tenzij dit noodzakelijk is voor het tot stand brengen van de interoperabiliteit van het onafhankelijk vervaardigde computerprogramma;
c. te gebruiken voor de ontwikkeling, de produktie of het in de handel brengen van een computerprogramma, dat niet als een nieuw, oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt of voor andere, op het auteursrecht inbreuk makende handelingen.
Artikel 45n
De artikelen 16b en 16c zijn niet van toepassing op werken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°.
Hoofdstuk VII. Bescherming van na het verstrijken van de beschermingsduur openbaar gemaakte werken
Artikel 45o
1. Hij die een niet eerder uitgegeven werk voor de eerste maal rechtmatig openbaar maakt na het verstrijken van de duur van het auteursrecht, geniet het in artikel 1 genoemde uitsluitende recht.
2. Het in het eerste lid genoemde recht vervalt door verloop van 25 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op dat, waarin de eerste openbaarmaking van dat werk rechtmatig heeft plaatsgehad.
3. Het in het eerste lid en in het tweede lid bepaalde geldt tevens voor niet eerder uitgegeven werken die nooit door het auteursrecht zijn beschermd en waarvan de maker meer dan 70 jaren geleden is overleden.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 46
1. Bij het in werking treden van deze wet vervalt de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot regeling van het auteursrecht.
2. Echter blijft artikel 11 van laatstgenoemde wet van kracht ten aanzien van werken en vertalingen, vóór bedoeld tijdstip ingezonden.
Artikel 47
1. Deze wet is van toepassing op alle werken van letterkunde, wetenschap of kunst, welke hetzij vóór, hetzij na haar in werking treden voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na de eerste uitgave in een ander land, zijn uitgegeven in Nederland, alsmede op alle zodanige niet of niet aldus uitgegeven werken, welker makers zijn Nederlanders.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met Nederlanders gelijkgesteld de makers die geen Nederlander zijn maar die hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, voor zover het betreft niet uitgegeven werken of werken die zijn uitgegeven nadat de maker zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft verkregen.
3. Een werk is uitgegeven in de zin van dit artikel wanneer het met toestemming van de maker in druk is verschenen of in het algemeen wanneer met toestemming van de maker een zodanig aanbod van exemplaren daarvan, van welke aard ook, heeft plaatsgevonden dat daardoor, gelet op de aard van het werk, wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek.
4. De opvoering van een toneelwerk of muziek-dramatisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de vertoning van een filmwerk, de voordracht of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van een werk en de tentoonstelling van een kunstwerk worden niet als een uitgave aangemerkt.
5. Ten aanzien van bouwwerken en van werken van beeldende kunst die daarmede één geheel vormen, wordt het bouwen van het bouwwerk of het aanbrengen van het werk van beeldende kunst als uitgave aangemerkt.
6. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden is deze wet van toepassing op filmwerken, indien de producent daarvan in Nederland zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 47a
Deze wet blijft van toepassing op alle werken van letterkunde, wetenschap of kunst, welke voor de eerste maal vóór 27 december 1949 in Nederlandsch-Indië of vóór 1 oktober 1962 in Nederlands-Nieuw-Guinea door of vanwege de maker zijn uitgegeven.
Artikel 47b
1. Deze wet is van toepassing op het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet, indien de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, in Nederland plaatsvindt.
2. Deze wet is voorts van toepassing op het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet, indien:
a. de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, plaatsvindt in een land dat niet tot de Europese Unie behoort of dat niet partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992;
b. het land waar de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, plaatsvindt niet het niveau van bescherming biedt, voorzien in hoofdstuk II van richtlijn nr. 93/83/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PbEG L 248); en
c. hetzij de programmadragende signalen naar de satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation in Nederland, hetzij een omroeporganisatie, die in Nederland haar hoofdvestiging heeft, opdracht heeft gegeven tot de uitzending en geen gebruik wordt gemaakt van een grondstation in een lid-staat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992.
Artikel 48
Deze wet erkent geen auteursrecht op werken, waarop het auteursrecht op het tijdstip van haar in werking treden krachtens een der artikelen 13 of 14 der wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot regeling van het auteursrecht, was vervallen, noch op werken, waarvan op bedoeld tijdstip het kopijrecht vervallen was krachtens artikel 3 der wet van den 25sten Januari 1817 (Staatsblad nr. 5), de rechten bepalende die in de Nederlanden, ten opzichte van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.
Artikel 49
Het auteursrecht, verkregen krachtens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot regeling van het auteursrecht, zoomede het kopijrecht of eenig recht van dezen aard, onder eene vroegere wetgeving verkregen en door genoemde wet gehandhaafd, blijft na het in werking treden van deze wet gehandhaafd.50 [Vervallen per 07-01-1973]
Artikel 50a [Vervallen per 07-01-1973]
Artikel 50b [Vervallen per 01-08-1985]
Artikel 50c
1. Hij die vóór 1 september 1912, niet in strijd met de bepalingen van de wet van 28 juni 1881 (Stb. 124) tot regeling van het auteursrecht, noch met die van enig tractaat in Nederland of Nederlandsch-Indië enige verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, niet zijnde een nadruk van het geheel of een gedeelte van een zodanig werk, als bedoeld bij artikel 10, 1°, 2°, 5° of 7°, heeft uitgegeven, verliest door het in werking treden van deze wet niet de bevoegdheid om de vóór dat tijdstip uitgegeven verveelvoudiging, ook wat betreft later vervaardigde exemplaren, te verspreiden en te verkopen. Deze bevoegdheid gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige toepassing.
2. Niettemin kan de rechter, op het schriftelijk verzoek van dengene wien het auteursrecht op het oorspronkelijk werk toekomt, hetzij de in het eerste lid genoemde bevoegdheid geheel of gedeeltelijk opheffen, hetzij den verzoeker ter zake van de uitoefening dier bevoegdheid eene schadeloosstelling toekennen, een en ander volgens de bepalingen der beide volgende artikelen.
Artikel 50d
1. Het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing van de in artikel 50c genoemde bevoegdheid kan slechts worden gedaan, indien na 1 november 1915 een nieuwe uitgave der verveelvoudiging heeft plaatsgehad. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige toepassing.
2. Het verzoekschrift wordt vóór het verstrijken van het kalenderjaar, volgende op dat, waarin die uitgave heeft plaatsgehad, ingediend bij de rechtbank Amsterdam. De griffier roept partijen op tegen een door de rechter te bepalen bekwame termijn. De zaak wordt in raadkamer behandeld.
3. Het verzoek tot opheffing der bevoegdheid wordt slechts ingewilligd, indien en voor zoover de rechter van oordeel is, dat het zedelijk belang des verzoekers door de verspreiding en den verkoop der verveelvoudiging wordt gekrenkt. Geschiedt het verzoek niet door den maker van het oorspronkelijk werk, dan wijst de rechter het af, indien het hem aannemelijk voorkomt, dat de maker die uitgave der verveelvoudiging heeft goedgevonden. De rechter wijst het verzoek ook af, indien de verzoeker pogingen heeft aangewend tot het bekomen eener schadeloosstelling van dengene die de bevoegdheid uitoefent. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien door de opheffing degene die de bevoegdheid uitoefent, in verhouding tot het te beschermen belang des verzoekers, te zeer zou worden benadeeld. Indien de rechter de bevoegdheid geheel of gedeeltelijk opheft, bepaalt hij het tijdstip waarop die opheffing in werking treedt.
4. Bij zijne beslissing maakt de rechter zoodanige bepalingen als hij met het oog op de belangen van beide partijen en van derde belanghebbenden billijk oordeelt. Hij begroot de kosten van beide partijen en bepaalt in welke verhouding zij deze zullen dragen. Tegen de rechterlijke beslissingen, ingevolge dit artikel gegeven, staat geene hoogere voorziening open. Griffierechten zijn ter zake van de toepassing van dit artikel niet verschuldigd.
Artikel 50e
1. Een schadeloosstelling ter zake van de uitoefening van de in artikel 50c genoemde bevoegdheid kan slechts worden toegekend, indien na 1 mei 1915 een nieuwe uitgave van de verveelvoudiging heeft plaatsgehad. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige toepassing.
2. Het tweede en het vierde lid van het voorgaande artikel zijn van toepassing.50f [Vervallen per 07-01-1973]
Artikel 51
1. De in deze wet voorziene beschermingstermijnen zijn met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel van toepassing op werken die op 1 juli 1995 in ten minste één lid-staat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 beschermd worden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht.
2. Deze wet kan een op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel lopende beschermingstermijn niet verkorten.
3. Deze wet laat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig verrichte exploitatiehandelingen alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet.
4. Hij die met betrekking tot een werk, waarvan de beschermingstermijn vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel was verstreken en waarop met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel deze wet weer van toepassing is, vóór 24 november 1993 rechtmatig exploitatiehandelingen heeft verricht, is bevoegd deze exploitatiehandelingen met ingang van het tijdstip van inwerking van dit artikel voort te zetten.
5. Rechten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel herleven of verlengd worden komen tot het verval van deze rechten toe aan degene die laatste rechthebbende zou zijn geweest als de herleving of verlenging niet had plaatsgevonden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel 52
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel "Auteurswet".
Artikel 53
Deze wet treedt in het Rijk in Europa in werking op den eersten dag der maand volgende op die, waarin zij afgekondigd wordt.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Soestdijk, den 23sten September 1912 WILHELMINA.
De Minister van Justitie, E. R. H. REGOUT. De Minister van Koloniën,
DE WAAL MALEFIJT.
Uitgegeven den vijfden October 1912.
De Minister van Justitie, E. R. H. REGOUT.
1
Unofficial translation
COPYRIGHT ACT 1912
CHAPTER I General provisions
§ 1 Nature of copyright
Article 1 Copyright is the exclusive right of the author of a literary, scientific or artistic work or his successors in title to communicate that work to the public and to reproduce it, subject to the limitations laid down by law.
Article 2 1. Copyright passes by succession and is assignable wholly or in part. 2. The delivery required by whole or partial assignment shall be effected by means of a deed of
assignment. The assignment shall comprise only such rights as are recorded in the deed or necessarily derive from the nature or purpose of the title.
3. The copyright belonging to the author of a work and, after his death, to the person having acquired any unpublished work as successor or legatee of the author, shall not be liable to seizure.
§ 2 Author of the work
Article 3 (deleted)
Article 4 1. Unless there is proof to the contrary, the person who is named as author in or on the work or,
where there is no such indication, the person who, when the work is communicated to the public, is named as the author by the party who communicates the work to the public, shall be deemed the author of the work.
2. If the author is not named, the person who delivers a recitation which has not appeared in print shall be deemed the author thereof, unless there is proof to the contrary.
Article 5 1. If a literary, scientific or artistic work consists of separate works by two or more persons, the
person under whose guidance and supervision the work as a whole has been made or, if there is no such person, the compiler of the various works, shall be deemed the author of the whole work, without prejudice to the copyright in each of the works separately.
2. Where a separate work in which copyright subsists is incorporated in a whole work, the reproduction or communication to the public of each separate work by any person other than
2
the author thereof or his successor in title shall be deemed an infringement of the copyright in the whole work.
3. Where such a separate work has not previously been communicated to the public, the reproduction or communication to the public of that separate work by the author thereof or his successors in title without mention of the whole work of which it is a part, shall be deemed an infringement of the copyright in the whole work, unless otherwise agreed between the parties.
Article 6 If a work has been made according to the draft and under the guidance and supervision of another person, that person shall be deemed the author of the work.
Article 7 Where labour carried out by an employee consists in the making of certain literary, scientific or artistic works, the employer shall be deemed the author thereof, unless otherwise agreed between the parties.
Article 8 A public institution, association, foundation or company which communicates a work to the public as its own, without naming any natural person as the author thereof, shall be regarded as the author of that work, unless it is proved that the communication to the public in such manner was unlawful.
Article 9 If a specimen of the work appearing in print does not indicate the name of the author or does not indicate his true name, the person indicated in that specimen of the work as the publisher or, where there is no such indication, the person whose name appears as the printer thereof may, on behalf of the copyright owner, exercise the copyright in the specimen of the work against third parties.
§ 3 Works protected by copyright
Article 10 1. For the purposes of this Act, literary, scientific or artistic works include:
1°. books, pamphlets, newspapers, periodicals and all other writings; 2°. dramatic and dramatico-musical works; 3°. recitations; 4°. choreographic works and entertainments in dumb show; 5°. musical works, with or without words; 6°. drawings, paintings, works of architecture and sculpture, lithographs, engravings and
the like; 7°. geographical maps; 8°. drafts, sketches and three-dimensional works relating to architecture, geography,
topography or other sciences; 9°. photographic works; 10°. cinematographic works;
3
11°. works of applied art and industrial designs and models; 12°. computer programs and the preparatory material;
and generally any creation in the literary, scientific or artistic areas, whatever the mode or form of its expression.
2. Reproductions of a literary, scientific or artistic work in a modified form, such as translations, arrangements of music, cinematographic and other adaptations and collections of different works shall be protected as separate works, without prejudice to the copyright in the original work.
3. Collections of independent works, data or other materials arranged in a systematic or methodical way and individually accessible by electronic or other means, shall be protected as a separate work, without prejudice to other rights to the collection and without prejudice to the copyright or other rights to the works, data or other materials included in the collection.
4. Collections of independent works, data or other materials as referred to in the third paragraph, for which the acquisition, control or presentation of the contents, evaluated qualitatively or quantitatively, bears witness to a substantial investment do not fall within the category of works referred to in the first paragraph, sub 1e.;
5. Computer programs do not fall within the category of works referred to in the first paragraph sub 1e.
Article 11 No copyright subsists in laws, decrees or ordinances issued by public authorities, or in judicial or administrative decisions.
§ 4 Communication to the public
Article 12 1. The communication to the public of a literary, scientific or artistic work includes:
1°. the communication to the public of a reproduction of the whole or part of a work; 2°. the distribution of the whole or part of a work or of a reproduction thereof, as long as
the work has not appeared in print; 3°. the rental or lending of the whole or part of a specimen of the work, with the
exception of works of architecture and works of applied art, or of a reproduction thereof which has been brought into circulation by or with the consent of the right- holder;
4°. the recitation, performance or presentation in public of the whole or part of a work or a reproduction thereof;
5°. the broadcasting of a work incorporated in a radio or television programme by satellite or other transmitter or by a closed-circuit system as referred to in article 1 sub g of the Wet op de Telecommunicatievoorzieningen.
2. Rental as referred to in paragraph 1 sub 3°. means making available for use for a limited period of time for direct or indirect economic or commercial advantage.
3. Lending as referred to in paragraph 1 sub 3°. means making available for use, for a limited period of time, by establishments accessible to the public, for no direct or indirect economic
4
or commercial advantage. 4. A recitation, performance or presentation in public includes that in a restricted circle, except
where this is limited to relatives or friends or equivalent persons and no form of payment whatsoever is made for admission to the recitation, performance or presentation. The same shall apply to exhibitions.
5. A recitation, performance or presentation which is exclusively for the purposes of education provided on behalf of the public authorities or a non-profit-making legal person, in so far as such a recitation, performance or presentation forms part of the school work plan or curriculum where applicable, or which exclusively serves a scientific purpose, shall not be deemed public.
6. The simultaneous broadcasting of a work incorporated in a radio or television programme by the organization making the original broadcast shall not be deemed a separate communication to the public.
7. The broadcasting by satellite of a work incorporated in a radio or television programme means the act of introducing, under the control and responsibility of the broadcasting organization, the programme-carrying signals intended for reception by the public into an uninterrupted chain of communication leading to the satellite and back to earth. Where the programme-carrying signals are encrypted, this shall be deemed to constitute the broadcasting by satellite of a work incorporated in a radio or television programme if the means of decrypting the broadcast are provided to the public by or with the consent of the broadcasting organization.
Article 12a 1. If the author assigns the rental right referred to in article 12, paragraph 1, sub 3°., in respect
of a literary, scientific or artistic work fixed on a phonogram to the producer thereof, the latter is indebted an equitable remuneration to the author for the rental.
2. The right to an equitable remuneration as referred to in paragraph 1 may not be waived.
Article 12b If a specimen of a literary, scientific or artistic work, has been brought into circulation by means of transfer of ownership for the first time with the consent of the maker or his right-holders in one of the Member States of the European Union or in a state that is party to the Agreement on the European Economic Area, then the bringing of that specimen into circulation in any other way, with the exception of hiring and letting, shall not breach the copyright.
§ 5 Reproduction
Article 13 The reproduction of a literary, scientific or artistic work includes the translation, arrangement of music, cinematographic adaptation or dramatization and generally any partial or total adaptation or imitation in a modified form, which cannot be regarded as a new, original work.
5
Article 13a The reproduction of a literary, scientific or artistic work will not include temporary reproduction of a passing or incidental nature and forming an essential part of a technical procedure whose sole purpose is to enable
a) the passing on by an intermediary through a network between third parties, or b) a lawful use
and if it contains no independent economic value.
Article 14 The reproduction of a literary, scientific or artistic work includes the fixation of the whole or part of the work on an object, which is intended to play a work or to show it.
§ 6 Limitations on copyright
Article 15 1. It shall not be regarded as an infringement of copyright in a literary, scientific or artistic work
to adopt news reports, miscellaneous reports or articles concerning current economic, political or religious topics or works of the same nature that have been published in a daily or weekly newspaper or weekly or other periodical, radio or television program or other medium fulfilling the same purpose, if: 1o. the adoption is made by a daily or weekly newspaper or weekly or other periodical in a
radio or television program or other medium fulfilling the same purpose; 2o. the provisions in Article 25 are observed; 3o. the source, including the name of the author, is clearly indicated; and 4o. copyright is not expressly reserved.
2. A reservation as specified in paragraph 1 at point 4o may not be made in relation to news reports and miscellaneous reports.
3. This Article shall also apply to adoption into a language other than the original.
Article 15a 1. Quotations from a literary, scientific or artistic work in an announcement, criticism or
scientific treatise or publication for a comparable purpose shall not be regarded as an infringement of copyright, provided that: 1o. the work quoted from has been published lawfully; 2o. the quotation is commensurate with what might reasonably be accepted in accordance
with social custom and the number and size of the quoted passages are justified by the purpose to be achieved;
3o. the provisions of Article 25 are observed; and 4o. so far as reasonably possible the source, including the author’s name, is clearly
indicated. 2. In this Article the term ‘quotations’ shall also include quotations in the form of press
summaries from articles appearing in a daily or weekly newspaper or other periodical. 3. This Article shall also apply to quotations in a language other than the original.
6
Article 15b The further communication to the public or reproduction of a literary, scientific or artistic work communicated to the public by or on behalf of the public authorities shall not be deemed an infringement of the copyright in such a work, unless the copyright has been explicitly reserved, either in a general manner by law, decree or ordinance, or in a specific case by a notice on the work itself or at the communication to the public. Even if no such reservation has been made, the author shall retain the exclusive right to have appear, in the form of a collection, his works which have been communicated to the public by or on behalf of the public authorities.
Article 15c 1. The lending as referred to in article 12, paragraph 1, sub 3°., of the whole or part of a
specimen of the work or a reproduction thereof brought into circulation by or with the consent of the right-holder shall not be deemed an infringement of copyright, provided the person doing or arranging the lending pays an equitable remuneration. The first sentence shall not apply to a work referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°., unless that work is part of a data carrier containing data and serves exclusively to make the said data accessible.
2. Educational establishments and research institutes, the libraries attached to them, and the Koninklijke Bibliotheek are exempt from payment of a lending remuneration as referred to in paragraph 1.
3. Libraries funded by the Libraries for the Blind and Visually Impaired Fund are exempt from payment of a remuneration as referred to in paragraph 1 in respect of items lent to blind and visually impaired persons registered with the libraries in question.
4. Payment of the remuneration referred to in paragraph 1 shall not be required if the person liable for payment can demonstrate that the author or his successor in title has waived the right to an equitable remuneration. The author or his successor in title should notify the legal persons referred to in articles 15d and 15f of the waiver in writing.
Article 15d The level of the remuneration referred to in article 15c, paragraph 1, shall be determined by a foundation to be designated by Our Minister of Justice in agreement with Our Minister of Education, Culture and Science, the board of which shall be so composed as to represent in a balanced manner the interests of the authors or the successors in title and the persons liable for payment pursuant to article 15c, paragraph 1. The chair of the board of this foundation shall be appointed by Our Minister of Justice in agreement with Our Minister of Education, Culture and Science. The number of members of this board shall be uneven.
Article 15e Disputes concerning the remuneration referred to in article 15c, paragraph 1, shall be exclusively decided at first instance by the Arrondissementsrechtbank at The Hague.
7
Article 15f 1. The remuneration referred to in article 15c should be paid to a legal person to be designated
by Our Minister of Justice in agreement with Our Minister of Education, Culture and Science who is, in their opinion, representative and who shall be exclusively entrusted with the collection and distribution of such remunerations. The legal person referred to in the preceding sentence shall represent the right-holder at law and otherwise in matters relating to the level and collection of the remuneration and the exercise of the exclusive right.
2. The legal person referred to in paragraph 1 shall be supervised by the Supervisory Board specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
3. Distribution of the remuneration collected shall be made on the basis of a scheme prepared by the legal person specified in paragraph 1 and approved by the Supervisory Board specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
Article 15g Persons required to pay the remuneration referred to in article 15c, paragraph 1, shall be obliged to submit, by 1 April of every calendar year unless otherwise agreed, to the legal person referred to in article 15f, paragraph 1, the number of juristic acts as referred to in article 15c. They shall also be obliged to give the said legal person, on request, immediate access to the documents and other data carriers needed to establish liability and the level of the remuneration.
Article 15h Unless otherwise agreed, the provision of access to a literary, scientific or artistic work forming part of the collections of libraries accessible to the public, and museums or archives which are not attempting to achieve a direct or indirect economic or commercial benefit, by means of a closed network through dedicated terminals in the buildings of those institutions for individual members of the public, for purposes of research or private study, will not constitute an infringement of copyright.
Article 15i 1. Reproduction and publication of a literary, scientific or artistic work exclusively intended
for handicapped individuals, provided it is directly related to the handicap, is not of a commercial nature and is necessary because of the handicap, shall not be regarded as an infringement of copyright.
2. A fair payment will be due to the author or his right-holders for the reproduction or publication specified in paragraph 1.
Article 16 1. Reproduction or publication of parts of a literary, scientific or artistic work exclusively for
use as illustrations for teaching purposes, so far as justified by the intended and non commercial purpose will not be regarded as an infringement of copyright, provided that: 1o. the work from which the part is taken has been published lawfully; 2o. the adoption is in accordance with what might reasonably be accepted under the rules
of social custom;
8
3o. the provisions of Article 25 have been observed; 4o. so far as reasonably possible the source, including the author’s name, has been
clearly indicated; and 5o. a fair payment is made to the author or his right-holders.
2. In the case of a short work or a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 6°., 9°. or 11°., the entire work may be taken over for the same purpose and subject to the same conditions.
3. Where the taking over in a compilation is concerned, only short works or short passages of works by one and the same author may be taken over and, in the case of works referred to in article 10, paragraph 1, sub 6°., 9°. or 11°., only a small number of those works and only if they are reproduced in such a way that they differ considerably in size or process of manufacture from the original work, with the proviso that where two or more such works were communicated to the public together, the reproduction of only one of them shall be permitted.
4. The provisions of this article shall also apply where the reproduction is in a language other than the original.
Article 16a It shall not be regarded as an infringement of the copyright in a literary, scientific or artistic work to make a short recording, showing or announcement thereof in public in a photographic, film, radio or television report, provided that this is justified for giving a proper account of the current event that is the subject of the report and provided that the source, including the author’s name, is clearly indicated as far as reasonably possible.
Article 16b 1. Reproduction shall not be regarded as an infringement of the copyright in a literary, scientific
or artistic work if it is restricted to a few specimens intended exclusively for personal exercise, study or use by the natural person who has carried out the reproduction without any direct or indirect commercial motivation or has caused it to be carried out exclusively for his own benefit.
2. In the case of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 1°., including the score or parts of a musical work, the reproduction shall furthermore be limited to a small portion of the work, except in the case of: a. works of which it may reasonably assumed that no new copies will be made
available to third parties for payment of any kind; b. short articles, news items or other texts, which have appeared in a daily or weekly
newspaper or weekly or other periodical. 3. In the case of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 6°., the reproduction must
differ considerably in size or process of manufacture from the original work. 4. If reproduction permitted under this Article has taken place, the copies may not be issued
to any third parties without the consent of the author or his right-holders, unless that issue takes place because of any judicial or administrative proceedings.
5. Government orders may specify that a fair payment should be made to the author or his right-holders for the reproduction specified in paragraph 1. The orders may issue more
9
detailed rules and impose more detailed conditions. 6. This Article shall not apply to reproduction as specified in Article 16c, or to the imitation
of works of architecture.
Article 16c 1. Reproduction of the work or any part thereof shall not be regarded as an infringement of the
copyright in a literary, scientific or artistic work provided that the reproduction is carried out without any direct or indirect commercial motivation and is intended exclusively for personal exercise, study or use by the natural person who made the reproduction.
2. The manufacturer or the importer of any object intended to allow a work such as specified in paragraph 1 to be heard, to show it or to relate it will be due to make a fair payment to the author or his successor in title.
3. The manufacturer’s obligation to make the payment will arise at the point when the manufactured object is ready to be put into circulation. The importer will become subject to this obligation at the time of importing.
4. The obligation to pay shall lapse if the person obliged to make the payment under paragraph 3 exports the object as specified in paragraph 1.
5. The payment shall be due only one time per object. 6. Government orders may prescribe more detailed regulations in relation to the objects giving
rise to the obligation for payment as specified in paragraph 2. Government orders may also provide more detailed regulations and impose more detailed conditions as regards the implementation of this Article in relation to the level, indebtedness and format of the fair payment.
7. If a reproduction permitted by this Article has taken place, objects as defined in paragraph 1 may not be issued to third parties without consent from the author or his successors in title unless the issuance occurs for judicial or administrative proceedings.
8. This Article shall not apply to reproduction of a collection accessible by electronic means, as specified in Article 10, paragraph 3.
Article 16d 1. The payment referred to in Article 16c shall be made to a legal person appointed and
considered to be representative by Our Minister of Justice, who will be charged with collection and distribution of this payment in accordance with a scheme prepared by that legal person and approved by the Supervisory Board as specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights. This legal person shall represent the authors or their successors in title in matters pertaining to the collection and distribution of payments, both at law and otherwise.
2. The legal person specified in paragraph 1 will be supervised by the Supervisory Board specified in Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
3. Further regulations regarding the exercise of supervision over the legal person referred to in paragraph 1 may be laid down by order in council.
10
Article 16e 1. The level of the remuneration referred to in article 16c shall be determined by a foundation
to be designated by Our Minister of Justice, the board of which shall be so composed as to represent in an balanced manner the interests of the authors or their successors in title and the persons liable for payment pursuant to article 16c, paragraph 2. The chair of the board of the said foundation shall be appointed by Our Minister of Justice.
Article 16f Persons required to pay the remuneration referred to in article 16c shall be obliged to submit to the legal person referred to in article 16d, paragraph 1, either immediately or within a period agreed with the said legal person, the number of the objects imported or manufactured by him as referred to in article 16c, paragraph 1. They shall also be obliged to give the said legal person, at the latter's request, immediate access to the documents needed to establish indebtedness and the level of the remuneration.
Article 16g Disputes in relation to the payment specified in Articles 15i, paragraph 2, 16b and 16c shall be determined in the first instance exclusively by the District Court in The Hague.
Article 16ga 1. Whoever sells the objects specified in Article 16c, paragraph 2, shall be obliged to furnish to
the legal person specified in Article 16d, first paragraph, immediately on request, the documents necessary to establish whether the payment specified in Article 16c, paragraph 1 has been paid by the manufacturer or importer.
2. If the seller cannot demonstrate that the payment has been paid by the manufacturer or the importer, he will be obliged to make the payment to the legal person specified in Article 16d, paragraph 1, unless the documents mentioned in paragraph 1, above, show who the manufacturer or importer is.
Article 16h 1. A reprographic reproduction of an article in a daily or weekly newspaper or weekly or other
periodical, or of a small part of a book and other works incorporated into such a work will not constitute an infringement of copyright, provided that a payment is made for this reproduction.
2. A reprographic reproduction of the whole work will not constitute an infringement of copyright if it may reasonably be assumed of a book that no new specimens are being made available to third parties for payment in any format whatever, provided that a payment is made for this reproduction.
3. Government orders may prescribe that, in relation to the reproduction of works as specified in Article 10, paragraph 1, at 1o, exemptions may be granted from the provisions of one or more of the foregoing paragraphs for purposes of public policy and for carrying out the work of institutions concerned with public policy. Such orders may specify more detailed rules and impose more detailed conditions.
11
Article 16i The payment specified in Article 16h will be calculated for each page of a work that has been reprographically reproduced as specified in the first and second paragraphs of that Article. Government orders may prescribe the level of the payment and may make more detailed rules and impose more detailed conditions.
Article 16j A reprographic reproduction, falling within the provisions of Article 16h, may only be issued to individuals employed in the same business, organization or institution without the author or his successor in title having given consent, unless the issuance occurs for the sake of legal or administrative proceedings.
Article 16k The obligation to make payment, as specified in Article 16h, shall lapse after the expiry of three years from the time when the reproduction is made. The payment will not be due if the person obliged to make that payment demonstrates that the author or his right-holder has waived the right to payment.
Article 16l 1. The payment specified in Article 16h should be made to a legal person appointed and
considered to be representative by Our Minister of Justice, who will be charged to the exclusion of others with collection and distribution of this payment
2. The legal person specified in paragraph 1 hereof shall represent the authors or their right- holders in all matters pertaining to the collection and distribution of the payments.
3. The legal person specified in paragraph 1 hereof shall use a scheme for the collected payments. The scheme shall require the approval of the Supervisory Board specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
4. The legal person specified in paragraph 1 hereof shall be supervised by the Supervisory Board specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
5. Paragraphs 1 and 2 hereof shall not apply to the extent that those who are under an obligation to make payment can demonstrate that they have agreed with the author or his right-holders to make the payment directly to him or them.
Article 16m Whoever is obliged to make the payment specified in Article 16 h to the legal person specified in Article 16l, paragraph 1, shall be obliged to submit a return to the legal person of the total number of reprographic reproductions he has made per year. The return specified in paragraph 1 will not require to be submitted if the number of reprographic reproductions made each year is less than such number as may be fixed by government order.
12
Article 16n 1. Reproduction by libraries, museums or archives accessible to the public whose purpose
does not include the attainment of a direct or indirect economic or commercial benefit will not be regarded as an infringement of copyright in a literary, scientific or artistic work, provided that the sole purpose of the reproduction is: 1°. the restoration of the specimen of the work; 2°. retention of a reproduction of the work for the institution if the specimen is
threatening to fall into disrepair; 3°. to keep the work in a condition in which it can be consulted if there is no
technology available to render it accessible. 2. Reproduction as specified in paragraph 1 shall only be authorized if:
1°. the specimen of the work forms part of the collection held by the library, museum or archive accessible to the public relying on this limitation; and
2°. the provisions in Article 25 are taken into account.
Article 17 [Deleted]
Article 17a Government orders may prescribe rules concerning the rights of an author of a work or his successors in title in relation to the publication of a work by means of radio or television program broadcast by means of radio, television or some other medium fulfilling the same purpose. The government orders, specified in the first sentence hereof, may provide that such a work may be published in the Netherlands without prior consent from the author or his successors in title if the broadcast is made from the Netherlands or from a State that is not party to the Treaty signed in Oporto on 2 May 1992 concerning the European Economic Area (Treaties Series 1992,132). Whoever is entitled to publish a work without prior consent shall nonetheless be obliged to honor the author’s rights as specified in Article 25, and to make a fair payment to the author or his right-holders, with this amount being settled, in the absence of agreement, by the Court on the application of either party taking the initiative. The Court may also order the lodgment of security. The foregoing provisions shall not apply to the broadcast by means of satellite of a work incorporated into a radio or television program.
Article 17b 1 Unless otherwise agreed, authority to publish by broadcasting a radio or television
program by means of radio, television or some other medium fulfilling the same function does not include authorization to record the work.
2 The broadcasting organization authorized to publish, as specified in paragraph 1, shall however be entitled to record the work temporarily with its own equipment and exclusively for broadcasting its own radio or television programs. The broadcasting organization with this recording authority is nonetheless obliged to honour the rights of the author of the work as specified in Article 25.
3 Recordings that are made subject to the provisions of paragraph 2, above, and containing a separate documentary value may be kept in an official archive.
13
Article 17c Congregational singing and the instrumental accompaniment thereof during a religious service shall not be deemed an infringement of the copyright in a literary or artistic work.
Article 17d Any government order established in accordance with Articles 16b.5, 16c.7, 16h.3, 16m.2, 17a or 29a.4, or any amendment thereof shall not come into effect any earlier than eight weeks after the date of publication of the State Gazette in which it is published. Notice of such publication shall be given immediately to both Houses of the States General.
Article 18 Reproduction or publication of pictures made in order to be put on permanent display in public places, of a work such as is normally found in such places, will not be regarded as an infringement of the copyright of the author in a work as specified in Article 10, paragraph 1, at point 6o, or a work relating to architecture as specified in Article 10, paragraph 1, at point 8o. Where incorporation into a compilation work is involved, no more than a few works by the same author may be incorporated.
Article 18a Incidental processing of a literary, scientific or artistic work as a component of subordinate significance in another work will not be regarded as an infringement of copyright.
Article 18b Publication or reproduction of a literary, scientific or artistic work in the context of a caricature, parody or pastiche will not be regarded as an infringement of copyright in that work, provided the use is in accordance with what would normally be sanctioned under the rules of social custom.
Article 19
1. The reproduction of a portrait by or on behalf of the person portrayed or, after his death, by or on behalf of his relatives, shall not be deemed an infringement of copyright.
2. If the portrait is of two or more persons, reproductions thereof by or on behalf of one of the persons portrayed shall not be lawful without the consent of the other persons or, during the ten years after their death, without the consent of their relatives.
3. Furthermore it shall not be deemed an infringement of copyright to communicate to the public a photographic portrait in a newspaper or periodical by or with the consent of one of the persons referred to in paragraph 1, provided the name of the author is indicated if it appears on the portrait.
4. This article shall apply only to portraits, which the author was commissioned to make by or on behalf of the persons portrayed.
Article 20
14
1. Unless otherwise agreed, the owner of the copyright in a portrait shall not be entitled to communicate such a portrait to the public without the consent of the person portrayed or, during the ten years after his death, without the consent of his relatives.
2. If an image contains the portrait of two or more persons, the consent of all the persons portrayed is needed, or, during the ten years following their death, the consent of their relatives.
3. The last paragraph of the preceding article shall apply.
Article 21 If a portrait is made without having been commissioned by or on behalf of the persons portrayed, the copyright owner shall not be allowed to communicate it to the public, in so far as the person portrayed or, after his death, his relatives have a reasonable interest in opposing its communication to the public.
Article 22
1 In the interests of public security as well as the detection of criminal activity, pictures of any nature whatever may be reproduced or published by or on behalf of the judicial authorities.
2 Adoption of a literary or scientific work in the context of public security, or to safeguard the proper progression of administrative, parliamentary or judicial proceedings or media coverage thereof will not be regarded as an infringement of copyright in that work.
Article 23
Unless otherwise agreed, the owner, possessor or holder of a drawn, painted, built or sculpted work or a work of applied art shall be authorized to reproduce or publish that work so far as necessary for public exhibition or public sale of that work, all subject to the exclusion of any other commercial use.
Article 24 Unless otherwise agreed, the author of a painting continues, notwithstanding the assignment of his copyright, to be entitled to make similar paintings.
Article 24a 1. It shall not be deemed an infringement of copyright to the collection referred to in article
10, paragraph 3, for the lawful user of the collection to carry out a reproduction, which is necessary to gain access to and make normal use of the collection.
2. Where the lawful user is only entitled to use part of the collection, paragraph 1 shall only apply for the access to and normal use of that part.
3. By agreement no exception may be made to the paragraph 1 and 2 to the detriment of the lawful user.
15
Article 25 1. Even after assignment of his copyright, the author of a work has the following rights:
a. the right to oppose the communication to the public of the work without acknowledgement of his name or other indication as author, unless such opposition would be unreasonable;
b. the right to oppose the communication to the public of the work under a name other than his own, and any alteration in the name of the work or the indication of the author, in so far as it appears on or in the work or has been communicated to the public in connection with the work;
c. the right to oppose any other alteration of the work, unless the nature of the alteration is such that opposition would be unreasonable;
d. the right to oppose any distortion, mutilation or other impairment of the work that could be prejudicial to the name or reputation of the author or to his dignity as such.
2. Upon the death of the author, the rights referred to in paragraph 1 shall belong, until the expiry of the copyright, to the person designated by the author in his last will and testament or in a codicil thereto.
3. The right referred to in paragraph 1, sub a, may be waived. The rights referred to sub b and c may be waived in so far as alterations to the work or its title are concerned.
4. If the author of the work has assigned his copyright, he shall continue to be entitled to make such alterations to the work as he may make in good faith in accordance with social custom. As long as copyright subsists, the same right shall belong to the person designated by the author in his last will and testament or in a codicil thereto, if it may reasonably be assumed that the author would have approved such alterations.
Article 25a For the purposes of this division relatives means a person's parents, spouse or registered partner and children. Each of the relatives may exercise individually the rights belonging to him or her. In the event of a dispute, the court may render a decision, which shall be binding on them.
CHAPTER II The exercise and enforcement of copyright and criminal law provisions
Article 26 Where the copyright in a work belongs jointly to two or more persons, it may be enforced by any one of them, unless otherwise agreed.
Article 26a 1. The right to authorize the simultaneous, unaltered and unabridged broadcasting by a closed-
circuit system, as referred to in article 1 sub g of the Wet op de Telecommunicatievoorzieningen, of a work incorporated in a radio or television program may be exercised exclusively by legal persons whose aim in accordance with their bylaws is to protect the interests of right-holders through the exercise of the right belonging to them as referred to above.
2. The legal persons referred to in paragraph 1 shall also be entitled to protect the interests of
16
right-holders who have not instructed them to do so, where they are exercising the rights defined in their bylaws. Where there is more than one legal person whose aim according to their bylaws is to protect the interests of the same category of right-holders, the right-holder may designate one of them as being authorised to protect his interests. In the case of right- holders who have not issued instructions as referred to in the second sentence, the rights and obligations arising from an agreement concluded in respect of the broadcast referred to in paragraph 1 by a legal person entitled to exercise the same rights shall fully apply.
3. Claims against the legal person referred to in paragraph 1 in respect of the remunerations it has collected shall lapse 3 years after the beginning of the day following that on which the broadcast referred to in paragraph 1 took place.
4. This article shall not apply to rights as referred to in paragraph 1 belonging to a broadcasting organization in respect of its own broadcasts.
Article 26b Parties shall be obliged to conduct negotiations regarding consent for the simultaneous, unaltered and unabridged broadcasting, referred to in article 26a, paragraph 1, in good faith and shall not prevent or hinder negotiations without valid justification.
Article 26c 1. If agreement cannot be reached on the simultaneous, unaltered and unabridged broadcasting
of a work as referred to in article 26a, paragraph 1, each party may call upon the assistance of one or more mediators. The mediators shall be selected in such a way that their independence and impartiality are beyond reasonable doubt.
2. The mediators shall assist in the conducting of the negotiations and shall be entitled to serve notice of the proposals to the parties. Each party may serve notice to the other party of its objections to such proposals within three months of the date of receipt of the proposals. The mediators' proposals shall be binding on the parties unless one of them has served notice of its objections within the time limit referred to in the previous sentence. Notice of the proposals and the objections shall be served on the parties in accordance with the provisions of Book 1, Title 1, Part 1 of the Code of Civil Procedure.
Article 27 1. Notwithstanding the assignment of his copyright wholly or in part, the author shall retain the
right to bring an action for damages against persons who infringe the copyright. 2. After the death of the author, the right to bring actions for damages as referred to in
paragraph 1 shall belong to his successors or legatees until the copyright expires.
Article 27a 1. In addition to claiming damages, the author or his successor in title may request the court to
order anyone who has infringed the copyright to hand over the profits originating from the infringement and to render account therefore.
2. The author or his successor in title may also file one or both of the claims referred to in paragraph 1 partly or wholly on behalf of a licensee without prejudice to the latter's right to intervene in proceedings instituted independently or partly or wholly on his behalf by the
17
author or his successor in title in order to directly obtain compensation for the damage he has suffered or to obtain a proportionate share of the profits to be surrendered by the defendant. A licensee may file one or both of the claims referred to in paragraph 1 only if he has obtained the authority to do so from the author or his right-holder.
Article 28 1. Copyright shall entitle the right-holder to claim as his property any goods that are not filed in
the public records and which have been communicated to the public in violation of copyright or are unauthorized reproductions, or to apply for them to be destroyed or rendered useless. The right-holder may bring a claim for the handing over of the said goods so that they can be destroyed or rendered useless.
2. The same right to claim goods exists: a. with respect to entrance money paid by persons attending a recitation, performance,
exhibition or presentation, which infringes copyright; b. with respect to other monies that may be assumed to have been obtained by or as a
result of an infringement of copyright. 3. The same right to apply for the destruction or rendering unusable of goods shall apply to
goods that are not filed in the public records and which have been used to effect an infringement of copyright. The right-holder may apply for the handing over of the said goods so that they can be destroyed or rendered unusable.
4. The provisions of the Code of Civil Procedure concerning seizure and execution for the purposes of handing over goods that are not filed in the public records shall apply. In the event of accumulation of seizures the person seizing pursuant to this article shall take precedence.
5. The court may order that the handing over be conditional on payment by the plaintiff of a compensation to be determined by the court.
6. In the case of immovable property, ships or aircraft which infringe copyright, the court may order, on the claim of the right-holder, that the defendant make such alterations as are necessary to end the infringement.
7. Unless otherwise agreed, the licensee shall have the right to exercise the rights referred to in paragraphs 1 up and to included 6 in so far as their purpose is to protect the rights he is entitled to exercise.
8. The same right to apply for the destruction or rendering unusable of goods, and to have those goods surrendered for destruction or to be rendered unusable, shall apply to the equipment, products and components as specified in Article 29a, and to the reproductions of works as specified in Article 29b, not being property subject to registration.
Article 29 1. The right referred to in article 28, paragraph 1, may not be exercised in respect of goods in
the possession of persons who do not trade in such goods and who have obtained them exclusively for private use, unless they have infringed upon the copyright themselves.
2. The claim referred to in article 28, paragraph 6, may be made against the owner or holder of the goods that are guilty for the infringement of copyright concerned.
18
Article 29a
1 Where the phrase ‘technical provisions’ appears in this Article, it will be taken to mean technology, equipment or components whose normal use would include the prevention or limitation of actions in relation to works and that have not been permitted by the author or his right-holders. Technical provisions will be deemed to be ‘purposive’ if the use of a work protected by the author or his successors in title is managed by means of control of access or by application of a protective procedure such as encryption, encoding or some other transformation of the work or a copy protection that achieves the intended protection.
2 Those who circumvent purposive technical provisions knowingly, or who should reasonably know they are doing so, shall be acting unlawfully.
3 Those who provide services or make, import, distribute, sell, hire out, advertise or possess equipment, products or components for commercial purposes will be acting unlawfully if those items are: a) offered, recommended, or traded with the intention of circumventing the protected
operation of purposive technical provisions, or
b) of only limited commercial purpose or use, apart from the circumvention of the protected operation of purposive technical provisions, or
c) primarily designed, manufactured or adapted with the purpose of circumventing the protected operation of purposive technical provisions.
4 Government orders may establish rules obliging the author or his successor in title to provide the user of a literary, scientific or artistic work for purposes specified in Articles 15i, 16, 16b, 16c, 16h, 16n, 17b and 22 of this Act with the means necessary to profit from those limitations, provided that the user has lawful access to the work protected by the technical provisions. The provisions in the previous sentence will not apply to works made available to users under contractual conditions at a time and a place selected by the users individually.
Article 29b
1 Those who intentionally and without being entitled to do so remove or amend electronic information relating to the management of rights or who distribute, import for distribution, issue or otherwise publish literary, scientific or artistic works from which such information has been removed or in which such information has been altered without authorization, and who know or ought to know that in so doing they are inciting infringement of the copyright or are enabling, facilitating or concealing such an infringement of the copyright will be acting unlawfully.
2
19
The phrase ‘information relating to the management of rights’ in this Article means all information supplied by the author or his successors in title connected with reproduction of a work or made known when a work is published and serving to identify the work, the author or his successors in title, or information concerning conditions for the use of the work as well as the numbers or codes containing that information.
Article 30 If a person communicates a portrait to the public without being authorised to do so, the provisions of articles 28 and 29 on copyright shall apply with respect to the right of the person portrayed.
Article 30a 1. Acting as a commercial agent, for profit or otherwise, in matters of copyright in musical
works shall be subject to the permission of Our Minister of Justice. 2. Acting as a commercial agent in matters of copyright in musical works shall include: the
conclusion or carrying out, in the name of the agent or otherwise, on behalf of the authors of musical works or their successors in title, of agreements concerning the public performance or the broadcasting in a radio or television program by signs, sounds or images of such works or reproductions thereof, wholly or in part.
3. The performance or broadcasting in a radio or television program of dramatico-musical works, choreographic works and entertainments in dumb show, and reproductions thereof, where such works are played without being shown, shall be equated to the performance or broadcasting in a radio or television program of musical works.
4. Agreements as referred to in paragraph 2 which are entered into without the permission of Our Minister required pursuant to paragraph 1 shall be null and void.
5. Government orders will set out more detailed conditions concerning the consent specified in paragraph 1.
6. Supervision over those who have obtained ministerial consent shall be in the hands of the Supervisory Board specified in the Act on Supervision of Collective Management Organizations for Copyright and Related Rights.
Article 30b 1. Upon the request of one or more commercial or professional organizations which Our
Minister of Justice and Our Minister of Economic Affairs deem representative, which are legal persons with full legal capacity and whose aim is to protect the interests of persons who import into the Netherlands, communicate to the public or reproduce literary, scientific or artistic works on a professional or commercial basis, said Ministers may jointly provide that members of the profession or industry concerned, designated by them, are obliged to keep their records in a manner to be indicated by them.
2. A person who fails to fulfil the obligation referred to in the preceding paragraph is liable to a fine of the second category. Such failure shall constitute a lesser offence.
Article 31 A person who intentionally infringes another person's copyright is liable to a term of imprisonment
20
of not more than six months or a fine of the fourth category.
Article 31a A person who intentionally: a. publicly offers for distribution; b. has in his possession for the purpose of reproduction or distribution; c. imports, conveys in transit or exports, or d. keeps for profit an object containing a work infringing another person's copyright is liable to a term of imprisonment of not more than one year or a fine of the fifth category.
Article 31b A person who commits the criminal offences referred to in articles 31 and 31a as his profession or business is liable to a term of imprisonment of not more than four years or a fine of the fifth category.
Article 32 A person who: a. offers for public distribution; b. has in his possession for the purpose of reproduction or distribution; c. imports, conveys in transit or exports, or d. keeps for profit an object having reasonable grounds to know that it contains a work, which infringes another person’s copyright, is liable to a fine of the third category.
Article 32a A person who intentionally: a. offers for public distribution; b. has in his possession for the purpose of reproduction or distribution; c. imports, conveys in transit or exports, or d. keeps for profit any means designed exclusively to facilitate the removal or overriding, without the consent of the author or his successor in title, of a technical device for the protection of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°, is liable to a term of imprisonment of not more than six months or a fine of the fourth category.
Article 33 Acts defined in articles 31, 31a, 31b, 32 and 32a shall constitute serious offences.
Article 34 1. A person who intentionally makes any unlawful alterations in a literary, scientific or artistic
work protected by copyright, or in its title or the indication of the author or impairs such a work in any other way that could be prejudicial to the name or reputation of the author or his dignity as such is liable to a term of imprisonment of not more than six months or a fine of
21
the fourth category. 2. Such an act shall constitute a serious offence.
Article 35 1. A person who, without being authorised to do so, publicly exhibits a portrait or
communicates it to the public in any other manner is liable to a fine of the fourth category. 2. Such an act shall constitute a lesser offence.
Article 35a 1. A person who, without having obtained the necessary permission from Our Minister of
Justice, performs acts amounting to acting as a commercial agent as referred to in article 30a is liable to a fine of the fourth category.
2. Such an act shall constitute a lesser offence.
Article 35b 1. A person who intentionally furnishes false or incomplete information in a written application
or submission on the basis of which the amounts due are determined by the person who, with the permission of Our Minister of Justice, acts as a commercial agent in matters of copyright on musical works, is liable to a term of detention of not more than three months or a fine of the third category.
2. Such an act shall constitute a lesser offence.
Article 35c A person who intentionally omits a submission in writing to the legal person referred to in article 16d, paragraph 1, on the basis of which the amounts due pursuant to article 16c are determined or intentionally provides false or incomplete information in such a submission is liable to a term of detention of not more than three months or a fine of the third category. Such an act shall be deemed to constitute a lesser offence.
Article 35d A person who intentionally omits a submission as referred to in article 15g or intentionally provides false information in such a submission shall be liable to a term of detention of not more than three months or a fine of the third category. Such an act shall be deemed to constitute a lesser offence.
Article 36 1. Reproductions declared forfeit by the criminal court shall be destroyed; the court may,
however, provide in its judgment that they be handed over to the copyright owner if the latter applies to the office of the Clerk within one month of the judgment becoming final and conclusive.
2. Upon such handing over, ownership of the reproductions shall be assigned to the right- holder. The court may order that handing over be conditional on payment by the right-holder of a compensation that shall accrue to the State.
Article 36a
22
Investigating officers may at any time, for the purposes of investigating offences punishable under this Act, require access to any documents or other data carriers in the possession of persons who in the exercise of their profession or business import, convey in transit, export, communicate to the public or reproduce literary, scientific or artistic works, where inspection of such documents or data carriers may reasonably be deemed necessary for the performance of their duties.
Article 36b 1. Investigating officers shall be authorized, for the purposes of investigating offences
punishable under this Act and seizing that what is subject to seizure, to enter any premises. 2. If they are denied access, they may effect entry, if necessary with the assistance of the police. 3. They shall not enter a house against the will of the occupant except on presentation of a
special warrant in writing from or in the presence of a public prosecutor or an assistant public prosecutor. An official report of such entry shall be drawn up by them within twenty- four hours.
Article 36c (deleted)
CHAPTER III Duration of copyright
Article 37 1. Copyright shall expire 70 years after 1 January of the year following the year of the death of
the author. 2. The duration of the copyright belonging jointly to two or more persons in their capacity as
co-authors of a work shall be calculated from 1 January of the year following the year of the death of the last surviving co-author.
Article 38 1. The copyright in a work of which the author has not been indicated or has not been indicated
in such a way that his identity is beyond doubt shall expire 70 years after 1 January of the year following that in which the work was first lawfully communicated to the public.
2. The same shall apply to works of which a public institution, association, foundation or company is deemed the author, unless the natural person who created the work is indicated as the author on or in copies of the work which have been communicated to the public.
3. If the author discloses his identity prior to the end of the term referred to in paragraph 1, the duration of the copyright in the work concerned shall be calculated in accordance with the provisions of article 37.
Article 39 Copyright in works for which the duration of copyright is not calculated in accordance with article 37 and which have not been lawfully communicated to the public within 70 years from their creation shall expire.
23
Article 40 The copyright in a cinematographic work shall expire 70 years after 1 January of the year following the year of death of the last of the following persons to survive: the principal director, the author of the screenplay, the author of the dialogue and the composer of the music created for use in the work.
Article 41 For the purposes of article 38, where a work is published in volumes, parts, instalments, issues or episodes, each volume, part, instalment, issue or episode shall be deemed a separate work.
Article 42 Notwithstanding the provisions of this chapter, the term of copyright, which has already expired in the country of origin of the work, may not be invoked in the Netherlands. The first sentence shall not apply to works whose author is a national of a Member State of the European Union or a State party to the Agreement on the European Economic Area of 2 May 1992.
CHAPTER IV
Articles 43-45 (deleted)
CHAPTER V Special provisions concerning cinematographic works
Article 45a 1. Cinematographic work means a work consisting of a sequence of images, with or without
sound, irrespective of the manner of fixation, if it is fixed. 2. Without prejudice to the provisions of articles 7 and 8, the natural persons who have made a
contribution of a creative nature to the making of a cinematographic work shall be considered the authors of said work.
3. The natural or legal person responsible for the making of a cinematographic work with a view to its exploitation shall be considered the producer of the said work.
Article 45b Where one of the authors is unwilling or unable to complete his contribution to the cinematographic work, he may not oppose the use by the producer of that contribution, in so far as it has already been created, for the purposes of completing the cinematographic work, unless otherwise agreed in writing. He shall be considered the author as meant in article 45a of the contribution that he has made.
Article 45c A cinematographic work shall be deemed completed once it is ready for showing. Unless otherwise agreed in writing, the producer shall decide when the cinematographic work is ready for showing.
Article 45d Unless otherwise agreed in writing by the authors and the producer, the authors shall be deemed to
24
have assigned to the producer as from the time referred to in article 45c the right to communicate the work to the public, to reproduce it as meant in article 14, to add subtitles to it and to dub the dialogue. The above shall not apply to those who have composed music for use in the cinematographic work or those who have written the lyrics belonging to the music. The producer is indebted an equitable remuneration to the authors or their successors in title for all forms of exploitation of the cinematographic work. The producer is also indebted an equitable remuneration to the authors or their successors in title if he effects exploitation in a form that did not exist or was not reasonably foreseeable at the time referred to in article 45c or if he gives the right to effect such exploitation to a third party. The remunerations referred to in this article shall be agreed in writing. The right to an equitable remuneration for rental cannot be waived by the author.
Article 45e In addition to the rights referred to in article 25, paragraph 1, sub b, c and d, each author shall be entitled, in relation to a cinematographic work to: a. have his name appear in the usual place in the work in question, together with his capacity or
the nature of his contribution to the cinematographic work; b. require that the part of the film referred to sub b is shown; c. oppose to indication of his name in the cinematographic work, unless such objection would
be unreasonable.
Article 45f The author shall be assumed to have waived the right to oppose alterations as referred to in article 25, paragraph 1, sub c, to his contribution vis-à-vis the producer, unless otherwise agreed in writing.
Article 45g Each author shall, unless otherwise agreed in writing, retain copyright in his contribution where the latter constitutes a work that can be separated from the cinematographic work. After the moment referred to in article 45c, each author may, unless otherwise agreed in writing, communicate his contribution to the public and reproduce it separately, provided that he does not thereby prejudice the exploitation of the cinematographic work.
CHAPTER VI Special provisions concerning computer programs
Article 45h The communication to the public by renting the whole or part of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°., or a reproduction thereof brought into circulation by or with the consent of the right-holder shall be subject to the consent of the author or his successor in title.
Article 45i Without prejudice to the provisions of article 13, the reproduction of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°., shall include the loading, displaying, running, transmission and storage, in so far as these acts are necessary for the reproduction of the said work.
25
Article 45j Unless otherwise agreed, the reproduction of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°. by the lawful acquirer of a copy of said work, where this is necessary for the use of the work for its intended purpose, shall not be deemed an infringement of copyright. Reproduction, as referred to in the first sentence, in connection with loading, displaying or correcting errors cannot be prohibited by contract.
Article 45k The reproduction of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°., by the lawful user of said work serving as a back-up copy, where this is necessary for the use of the work for its intended purpose, shall not be deemed an infringement of copyright.
Article 45l A person who is entitled to perform the acts referred to in article 45i shall also be entitled, while performing them, to observe, study or test the functioning of the work concerned in order to determine the ideas and principles underlying it.
Article 45m 1. The making of a copy of a work as referred to in article 10, paragraph 1, sub 12°, and the
translation of the form of its code shall not be deemed an infringement of copyright if these acts are indispensable for obtaining information necessary to achieve the interoperability of an independently created computer program with other programs, provided that: a. these acts are carried out by a person who has lawfully obtained a copy of the
computer program or by a third party authorised by him to carry them out; b. the information necessary to achieve interoperability is not already readily available
to the persons referred to sub a.; and c. these acts are limited to the parts of the original program, which are necessary to
achieve interoperability. 2. The information obtained pursuant to paragraph 1 may not:
a. be used for any other purpose than to achieve the interoperability of the independently created computer program;
b. be given to third parties except where necessary for the interoperability of the independently created computer program;
c. be used for the development, production or marketing of a computer program that cannot be regarded as a new, original work or for other acts which infringe copyright.
Article 45n
Articles 16b and 16c shall not apply to works specified in Article 10, paragraph 1, 12o.
26
CHAPTER VII Protection of works communicated to the public after expiry of the term of protection
Article 45o 1. Any person who, after the expiry of the term of copyright protection, for the first time
lawfully communicates to the public a previously unpublished work shall enjoy the exclusive right referred to in article 1.
2. The right referred to in paragraph 1 shall expire 25 years after 1 January of the year following that in which the work concerned was lawfully communicated to the public for the first time.
3. The provisions of paragraphs 1 and 2 shall also apply to previously unpublished works, which have never been protected by copyright, the author of which died more than 70 years ago.
CHAPTER VIII Transitional and final provisions
Article 46 1. With the entry into force of this Act, the act of 28 June 1881 on copyright (Statute Book 124)
is repealed. 2. However, article 11 of the latter Act remains in force in respect of works and translations
deposited prior to the date of entry into force.
Article 47 1. This Act shall apply to all literary, scientific or artistic works published in the Netherlands
for the first time or during the 30 days following first publication in another country, either before or after its entry into force, and to all such works not published, or not thus published, of which the authors are Dutch nationals.
2. For the purposes of the application of the preceding paragraph, authors who are not Dutch nationals but are normally resident in the Netherlands shall be equated with Dutch nationals in respect of unpublished works or works that have been published after the author has taken up residence in the Netherlands.
3. A work shall be deemed to have been published within the meaning of this article when it has appeared in print with the consent of the author or, in general, when a sufficient number of copies thereof, of whatever kind, have been made available with the consent of the author, to meet the reasonable needs of the public, given the nature of the work.
4. The performance of a dramatic, dramatico-musical or musical work, the showing of a cinematographic work, the recitation or broadcasting in a radio or television program of a work and the exhibition of a work of art shall not be deemed a publication.
5. With regard to works of architecture and works of art constituting an integral part thereof, the construction of the work of architecture or the incorporation of the work of art shall be deemed a publication.
6. Without prejudice to the provisions of the preceding paragraphs, this Act shall apply to cinematographic works if the producer thereof has his registered office or normal place of residence in the Netherlands.
27
Article 47a This Act shall remain in force in respect of all literary, scientific or artistic works published for the first time by or on behalf of the author prior to 27 December 1949 in the Dutch East Indies or prior to 1 October 1962 in Dutch New Guinea.
Article 47b 1. This Act shall apply to the broadcasting by satellite of a work incorporated in a radio or
television program if the act referred to in article 12, paragraph 7, takes place in the Netherlands.
2. This Act shall also apply to the broadcasting by satellite of a work incorporated in a radio or television program if: a. the act referred to in article 12, paragraph 7, takes place in a country that is not a
Member State of the European Union or a State party to the Agreement on the European Economic Area of 2 May 1992;
b. the country where the act referred to in article 12, paragraph 7, takes place does not offer the level of protection provided for in chapter II of directive no. 93/83/EEC of the Council of the European Communities of 27 September 1993 on the coordination of certain rules concerning copyright and related rights applicable to satellite broadcasting and cable retransmission (OJ EC L 248); and
c. either the program-carrying signals are transmitted to the satellite from an uplink station in the Netherlands or a broadcasting organization with its principal establishment in the Netherlands has commissioned the broadcasting and no use is made of an uplink station situated in a Member State of the European Union or a State party to the Agreement on the European Economic Area of 2 May 1992.
Article 48 This Act does not recognize copyright in works in which, at the time of its entry into force, copyright had expired under articles 13 or 14 of the Act of 28 June 1881 on copyright (Statute Book, 124) or in works in respect of which, on the said date, copyright had expired under article 3 of the Act of 25 January 1817 (Statute Book, 5) relating to the rights exercisable in the Netherlands in respect of the printing and publication of literary and artistic works.
Article 49 Copyright acquired under the Act of 28 June 1881 on copyright (Statute Book, 124) and kopijrecht or any right of this nature acquired under earlier legislation and maintained by the said Act shall continue after the entry into force of this Act.
Articles 50-50b (deleted)
Article 50c 1. Anyone who, prior to 1 September 1912, without contravening the provisions of the Act of
28 June 1881 governing copyright (Statute Book, 124) or of any treaty, published in the
28
Netherlands or in the Dutch East Indies a reproduction of a literary, scientific or artistic work, which did not constitute a reprinting of the whole or part of a work as referred to in article 10, paragraph 1 sub 1°., 2°., 5°. or 7°., shall not, as a result of the entry into force of this Act, lose the right to distribute and sell a reproduction published before that date and any copies subsequently made. This right passes by inheritance and shall be assignable wholly or in part. Article 47, paragraph 2, shall apply mutatis mutandis.
2. The court may, however, in response to a written application by the owner of the copyright in the original work, either abolish wholly or in part the right provided for in paragraph 1 or award the applicant compensation for the exercise of said right, in both cases in accordance with the provisions of the following two articles.
Article 50d 1. An application for the abolishment wholly or in part of the right referred to in article 50c
may be made only if a new edition of the reproduction was published after 1 November 1915. Article 47, paragraph 2, shall apply mutatis mutandis.
2. The application shall be filed with the District Court in Amsterdam before the end of the calendar year following that in which publication took place. The Clerk shall summon the parties to appear at a time to be determined by the court. The matter shall be heard in chambers.
3. The application for abolishment of this right shall only be granted if and in so far as the court is of the opinion that the moral interests of the applicant are being harmed by the distribution and sale of the reproduction. If the application has not been lodged by the author of the original work, the court shall refuse to grant it if it is satisfied that the author approved the said publication of the reproduction. The court shall also dismiss the application if the applicant has attempted to obtain compensation from the person exercising the right in question. The court may dismiss the application if abolishment of the right would excessively injure the person exercising it in proportion to the interests of the applicant, which should be protected. If the court abolishes the said right wholly or in part, it shall specify the date on which the abolition shall enter into force.
4. In its decision the court shall make whatever provisions it deems fair in the light of the interests of both parties and third parties. The court shall estimate the costs to both parties and stipulate how the costs shall be borne by them. Decisions made by the court pursuant to this article shall not be open to appeal. No court fees shall be charged in respect of the application of this article.
Article 50e 1. Compensation may be awarded for the exercise of the right referred to in article 50c only if a
new edition of the reproduction was published after 1 May 1915. Article 47, paragraph 2, applies mutatis mutandis.
2. Paragraphs 2 and 4 of the preceding article apply.
Article 50e (deleted)
29
Article 51 1. The terms of protection provided for in this Act shall apply, from the date on which this
article enters into force, to works which were protected by national legislation on copyright on 1 July 1995 in at least one Member State of the European Union or one State party to the Agreement on the European Economic Area of 2 May 1992.
2. This Act cannot reduce a term of protection already in existence on the day before the date of entry into force of this article.
3. This Act does not affect lawful acts of exploitation carried out or rights acquired before the date of entry into force of this article.
4. Anyone who, prior to 24 November 1993, carried out lawful acts of exploitation in relation to a work, the term of protection for which had expired before the entry into force of this article and to which this Act again applies with the entry into force of this article, shall be entitled to continue such acts of exploitation with effect from the date of entry into force of this article.
5. Until they expire, rights which are revived or extended with the entry into force of this article shall be held by the person who would have been the last right-holder if the said rights had not been revived or extended, unless otherwise agreed.
Article 52 This Act may be cited as the Copyright Act 1912.
Article 53 This Act shall enter into force in the Kingdom in Europe on the first day of the month following that in which it is promulgated.
Loi de 1912 sur le droit d’auteur
(telle qu’elle a été modifiée en dernier lieu par la loi du 27 octobre 1972)*
CHAPITRE I
Section 1. — Nature du droit d’auteur
Article premier. — Le droit d’auteur est le droit exclusif de l’auteur d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique, ou de son ayant cause, de la rendre publique (openbaar te maken) et de la reproduire, sous réserve des limitations prévues par la loi.
Art. 2. — Le droit d’auteur est mobilier. Il se transmet par succession et peut être cédé en totalité ou en partie. La cession totale ou partielle du droit d’auteur n’est possible qu’au moyen d’un acte authentique ou sous seing privé. Cette cession ne comprend que les droits énumérés dans l’acte de cession, ou qui découlent nécessairement de la nature ou du but de la convention conclue.
Le droit d’auteur qui appartient à l’auteur de l’œuvre ainsi que le droit qui, après la mort de l’auteur, appartient sur toute œuvre non publiée à celui qui l’a acquis en tant qu’héritier ou légataire de l’auteur sont insaisissables.
Section 2. — Auteur de l’œuvre
Art. 3. — [supprimé]
Art. 4. — Sauf preuve du contraire, est considéré comme auteur celui qui est désigné comme tel sur ou dans l’œuvre, ou, à défaut d’une telle désignation, celui qui, lors de la publication de l’œuvre, est désigné comme tel par la personne qui l’a rendue publique.
Lorsqu’une conférence, dont le texte n’a pas été publié sous forme d’édition imprimée, est prononcée sans qu’il soit fait mention du nom de l’auteur, celui qui prononce la conférence est, sauf preuve du contraire, considéré comme l’auteur.
Art. 5. — Est considéré comme l’auteur d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique, qui se compose d’œuvres distinctes de deux ou plusieurs personnes, sous réserve du droit d’auteur sur chaque œuvre distincte, celui qui a dirigé et surveillé la composition de l’œuvre totale, ou, à son défaut, celui qui a réuni les différentes œuvres.
Est considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur l’œuvre totale la reproduction ou la publication, par une personne autre que l’auteur ou son ayant cause, de toute œuvre distincte qui y est incorporée et qui donne lieu à un droit d’auteur.
Lorsque l’œuvre distincte n’a pas été précédemment publiée, la reproduction ou la publication de cette œuvre par l’auteur ou son ayant cause est, sauf stipulations contraires entre les parties, considérée comme une atteinte au droit de l’auteur de l’œuvre totale, si cette reproduction ou cette publication ne mentionne pas l’œuvre totale dont cette œuvre fait partie.
Art. 6. — Lorsqu’une œuvre a été faite d’après les plans et sous la direction et la surveillance d’un tiers, celui-ci est réputé en être l’auteur.
* La loi de base est datée du 23 septembre 1912. La loi du 27 octobre 1972 a été publiée dans le Staatsblad de 1972, no 579. La traduction française du texte modifié a été obligeamment remise par le Ministère de la justice et revue par l’OMPI.
NL001FR page 1/12
Art. 7. — Lorsque le travail fourni au service d’un tiers consiste dans la production de certaines œuvres littéraires, scientifiques ou artistiques déterminées, en est considéré comme auteur, sauf stipulations contraires entre les parties, celui dans le service duquel elles ont été faites.
Art. 8. — Lorsqu’une institution publique, une association, une fondation ou une société commerciale rend publique une oeuvre comme étant sienne, sans indiquer comme auteur une personne physique, elle est réputée en être l’auteur, à moins qu’il ne soit prouvé que la publication, dans les circonstances indiquées, ait été illicite.
Art. 9. — Lorsque le nom de l’auteur n’est pas mentionné ou n’est pas mentionné sous sa forme véritable sur ou dans un ouvrage imprimé, le droit d’auteur pourra être exercé envers les tiers, au profit de l’ayant droit, par celui qui, sur ou dans l’œuvre, est indiqué comme éditeur ou, à défaut d’une telle indication, celui qui y figure comme imprimeur.
Section 3. — Oeuvres protégées par le droit d’auteur
Art. 10. — Au sens de la présente loi, l’expression « œuvres littéraires, scientifiques ou artistiques » comprend: 1o les livres, brochures, journaux, recueils périodiques et tous autres écrits; 2o les œuvres dramatiques et dramatico-musicales; 3o les conférences; 4o les oeuvres chorégraphiques et les pantomimes dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; 5o les œuvres musicales avec ou sans paroles; 6o les œuvres de dessin, de peinture, d’architecture, de sculpture, de lithographie, de gravure et autres; 7o les cartes géographiques; 8o les plans, croquis et ouvrages plastiques relatifs à l’architecture, à la géographie, à la topographie ou
aux autres sciences; 9o les œuvres photographiques et cinématographiques, et les ouvrages obtenus par un procédé analogue; 10o les œuvres d’art appliqué et les dessins et modèles industriels 1,
et en général toute production du domaine littéraire, scientifique ou artistique, quel qu’en soit le mode ou la forme d’expression.
Les reproductions des adaptations d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique, telles que traductions, arrangements de musique, adaptations cinématographiques et autres transformations, ainsi que les recueils de différentes œuvres sont, sans préjudice du droit d’auteur sur l’œuvre originale, protégés comme des œuvres distinctes.
Art. 11. — Il n’existe pas de droit d’auteur sur les lois, décrets ou ordonnances rendus par l’autorité publique, ni sur les décisions judiciaires ou administratives.
Section 4. — Publication
Art. 12. — La publication d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique comprend: 1o la publication d’une reproduction du tout ou d’une partie de l’œuvre; 2o la mise en circulation du tout ou d’une partie de l’œuvre ou d’une reproduction de celle-ci, tant
qu’elle n’a pas été publiée sous forme d’édition imprimée;
1 L’article Ia de la loi du 27 octobre 1972 contient la disposition suivante: Art. Ia. — Jusqu’à la date de l’entrée en vigueur de la loi uniforme Benelux en matière de dessins ou modèles, jointe en
annexe à la Convention Benelux en matière de dessins ou modèles conclue à Bruxelles le 25 octobre 1966, le premier alinéa, sous 10o, de l’article 10 doit se lire comme suit:
10o les œuvres d’art appliqué;
NL001FR page 2/12
3o la récitation, la représentation, l’exécution ou la présentation publiques de tout ou d’une partie de l’œuvre ou d’une reproduction de celle-ci. Est également considérée comme récitation, représentation, exécution ou présentation publiques celle
qui a lieu en cercle fermé, à moins que ce cercle ne se limite à des parents, amis ou personnes qui peuvent y être assimilées et à moins que l’accès à la récitation, représentation, exécution ou présentation ne soit soumis à aucun paiement, sous quelque forme que ce soit. Il en est de même pour une exposition.
N’est pas considérée comme récitation, représentation, exécution ou présentation publiques celle qui sert exclusivement à un but scientifique ou à l’enseignement dispensé au nom des pouvoirs publics ou au nom d’une personne morale sans but lucratif, dans la mesure où elle fait partie du programme d’études.
N’est pas considérée comme publication distincte la publication simultanée, par fil ou non, d’une œuvre rendue publique au moyen d’une émission de radiodiffusion ou de télévision et faite par l’organisme assurant ladite émission.
Section 5. — Reproduction
Art. 13. — La reproduction d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique comprend également la traduction, l’adaptation musicale, cinématographique ou scénique et, d’une façon générale, toute adaptation ou imitation partielle ou totale sous une forme modifiée, qui ne saurait être considérée comme une nouvelle œuvre originale.
Art. 14. — La reproduction d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique s’entend également de l’enregistrement de cette œuvre ou d’une partie de celle-ci sur un objet destiné à faire entendre une œuvre ou à la montrer.
Section 6. — Limitations apportées au droit d’auteur
Art. 15. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur, à moins que ce droit ne soit expressément réservé, la reproduction dans un autre quotidien, journal, hebdomadaire ou périodique, sans autorisation de l’auteur ou de ses ayants cause, d’articles, d’informations ou d’autres textes, à l’exception de romans et de nouvelles, parus dans un quotidien, un journal, un hebdomadaire ou un périodique, à condition de mentionner clairement le nom du quotidien, du journal, de l’hebdomadaire ou du périodique desquels ils ont été tirés ainsi que l’auteur s’il y est indiqué. Pour les recueils périodiques, il suffit que cette réserve soit faite, d’une manière générale, en tête du numéro. Aucune réserve ne pourra être faite pour les articles de discussion politique, les nouvelles du jour et les faits divers.
En ce qui concerne les journaux et recueils périodiques étrangers, le droit d’emprunt visé à l’alinéa précédent n’existe qu’en matière de nouvelles du jour, de faits divers et d’articles d’actualité, de discussion économique, politique ou religieuse. La dernière phrase de l’alinéa précédent n’est pas applicable, dans ce cas, aux articles de discussion politique.
Les dispositions de cet article sont également applicables aux reproductions faites dans une autre langue que celle de l’article original.
Art. 15a. — Ne sont pas considérées comme une atteinte au droit d’auteur les courtes citations d’articles, même sous forme de revues de presses, parues dans un quotidien, un journal, un hebdomadaire ou un périodique, à condition de mentionner clairement le nom du quotidien, du journal, de l’hebdomadaire ou du périodique dont elles ont été tirées ainsi que l’auteur des passages cités, si ce dernier y est indiqué.
NL001FR page 3/12
Art. 15b. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre littéraire, scientifique ou artistique rendue publique par les pouvoirs publics ou en leur nom sa publication ou reproduction ultérieures, à moins que le droit d’auteur ne soit expressément réservé, soit d’une manière générale par loi, décret ou arrêté, soit dans un cas particulier par communication figurant sur l’œuvre même ou faite lors de sa publication. Même si une telle réserve n’a pas été faite, l’auteur garde le droit exclusif de faire paraître, sous forme de recueil, ses œuvres publiées par les pouvoirs publics ou en leur nom.
Art. 16. — N’est pas considéré comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre littéraire, scientifique ou artistique:
a) la reproduction intégrale ou partielle, en langue originale ou en traduction, d’œuvres déjà publiées (uitgegeven) dans des anthologies et autres ouvrages destinés de toute évidence à l’enseignement ou à un autre but scientifique, à condition que: 1o la reproduction se limite à quelques courtes parties des œuvres ou quelques courts essais
ou poésies du même auteur et, lorsqu’il s’agit d’œuvres visées à l’article 10, premier alinéa, sous 6o, à quelques-unes de ces œuvres, et que, soit par les dimensions, soit par le procédé d’exécution, les reproductions diffèrent nettement de l’œuvre originale, étant entendu que, si deux ou plusieurs de ces œuvres ont été rendues publiques conjointement, la reproduction d’une seule d’entre elles est permise;
2o les dispositions de l’article 25 soient respectées; 3o les reproductions mentionnent l’œuvre originale et l’auteur s’il est indiqué sur l’œuvre ou
dans celle-ci; 4o une rémunération équitable soit payée à l’auteur ou à ses ayants cause;
b) la citation, en langue originale ou en traduction, de parties d’écrits déjà rendus publics ou la citation de parties d’œuvres musicales déjà rendues publiques ainsi que l’intégration de reproductions d’œuvres d’art plastique déjà rendues publiques, dans le cadre du texte d’une annonce ou d’une critique ou bien d’une polémique ou d’un traité scientifique, à condition que: 1o le nombre et l’étendue des parties ainsi citées ou des reproductions intégrées ne
dépassent pas les limites de ce qui est raisonnablement admis par les usages sociaux; 2o les dispositions de l’article 25 soient respectées; 3o l’auteur soit mentionné s’il est indiqué sur l’œuvre originale ou dans celle-ci.
Est réservé [à la Reine] le droit de préciser, par règlement d’administration publique, ce qu’il faut entendre au premier alinéa, lettre a), 1o, par « quelques courtes parties des œuvres ou quelques courts essais ou poésies du même auteur » et de préciser ce qu’il faut entendre, au premier alinéa, lettre a), 4o, par « une rémunération équitable ».
Le compte rendu d’une conférence qui est prononcée en public sans être déjà publiée sous forme d’édition imprimée peut contenir des citations en langue originale ou en traduction de cette conférence, à condition que leur nombre et leur étendue ne dépassent pas les limites de ce qui est raisonnablement admis par les usages sociaux et que le conférencier soit mentionné; les dispositions de l’article 25 doivent être respectées 2.
Art. 16a. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre littéraire, scientifique ou artistique un court enregistrement ou une courte reproduction ou présentation de celle -ci en public dans un reportage photographique, filmé, radiodiffusé ou télévisé, dans la mesure où cela est nécessaire pour rendre compte de façon appropriée des actualités qui font l’objet du reportage.
Art. 16b. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre littéraire, scientifique ou artistique la reproduction limitée à quelques exemplaires et exclusivement destinée à
2 L’article II de la loi du 27 octobre 1972 contient la disposition suivante: Art. II — L’article 16, lettre a) n’est pas applicable aux anthologies et autres ouvrages qui sont destinés de toute évidence
à l’enseignement ou à un autre but scientifique et qui sont publiés intégralement sous la même forme que celle dans laquelle ils ont déjà été publiés avant l’entrée en vigueur de la présente loi. Ces anthologies et ouvrages restent soumis au droit applicable avant l’entrée en vigueur de la présente loi.
NL001FR page 4/12
l’exercice, à l’étude ou à l’usage personnels de celui qui procède à la reproduction ou qui commande la reproduction exclusivement pour lui-même.
Lorsqu’il s’agit d’une œuvre visée à l’article 10, premier alinéa, sous 1o, y compris la partition ou les parties d’une œuvre musicale, cette reproduction doit en outre être limitée à une petite partie de l’œuvre, sauf s’il s’agit:
a) d’œuvres dont, selon toute probabilité, de nouveaux exemplaires ne sont pas mis à la disposition de tiers contre un paiement quel qu’il soit;
b) de courts articles, informations ou autres textes parus dans un quotidien, un journal, un hebdomadaire ou un périodique.
Lorsqu’il s’agit d’une œuvre visée à l’article 10, premier alinéa, sous 6o, la reproduction doit, par ses dimensions ou par le procédé par lequel elle a été obtenue, différer nettement de l’œuvre originale.
Les dispositions du premier alinéa concernant une reproduction réalisée sur commande ne s’appliquent pas à la reproduction faite par l’enregistrement d’une œuvre ou d’une partie de celle -ci sur un objet destiné à faire entendre l’œuvre ou à la montrer.
S’il s’agit d’une reproduction autorisée en vertu du présent article, les exemplaires reproduits ne peuvent être remis à des tiers sans l’autorisation du titulaire du droit d’auteur, à moins que la remise n’ait lieu aux fins d’une procédure judiciaire ou administrative.
Un règlement d’administration publique [édicté par la Reine] peut prévoir que, à l’égard de la reproduction d’œuvres visées à l’article 10, premier alinéa, sous 1o, il peut être dérogé aux dispositions d’un ou plusieurs alinéas précédents pour l’exécution du service public ainsi que pour l’accomplissement des tâches incombant aux institutions d’utilité publique. A cet effet, des directives et des conditions plus précises peuvent être fixées.
Les dispositions précédentes du présent article ne s’appliquent pas à l’imitation d’une œuvre d’architecture.3
Art. 17. — Sans préjudice des dispositions de l’article précédent, n’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur les œuvres visées à l’article 10, premier alinéa, sous 1o, la reproduction, en faveur d’une entreprise, d’une organisation ou d’un établissement, d’articles, d’informations ou d’autres textes distincts, parus dans un quotidien, un journal, un hebdomadaire ou un périodique ou de petites parties de livres, brochures ou autres écrits, à condition qu’il s’agisse d’œuvres scientifiques et que la reproduction ne dépasse pas le nombre d’exemplaires dont l’entreprise, l’organisation ou l’établissement a raisonnablement besoin pour ses activités internes. Les exemplaires ne peuvent être remis qu’aux personnes employées par l’entreprise, l’organisation ou l’établissement.
Celui qui fait les copies ou passe la commande à cet effet doit payer à l’auteur de l’œuvre reproduite ou à ses ayants cause une rémunération équitable.
Un règlement d’administration publique [édicté par la Reine] peut fixer des dispositions concernant le nombre maximal d’exemplaires, les dimensions maximales des copies, le montant de la rémunération, le mode de paiement de la rémunération et le nombre d’exemplaires pour lesquels aucune rémunération n’est due 3.
3 Le deuxième alinéa de l’article IV de la loi du 27 octobre 1972 contient la disposition suivante: Les articles 16b et 17 entreront en vigueur à une date à déterminer par règlement d’administration publique, mais au plus
tard le 1er juillet 1974.
NL001FR page 5/12
Art. 17a. — Par règlement d’administration publique peuvent être édictées, dans l’intérêt général, des dispositions réglant l’exercice du droit de l’auteur d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique ou de ses ayants cause à l’égard de la publication d’une telle œuvre au moyen d’émissions radiodiffusées ou télévisées de signes, de sons ou d’images, ainsi qu’à l’égard de la diffusion plus large, par fil ou non, de l’œuvre rendue publique de cette manière. Ce règlement d’administration publique peut stipuler qu’une telle œuvre peut être rendue publique de cette manière ou faire l’objet d’une diffusion plus large sans l’autorisation préalable de l’auteur ou de ses ayants cause. Ceux qui, de ce chef, sont habilités à rendre publique une œuvre ou à lui donner une diffusion plus large ont néanmoins l’obligation de respecter les droits de l’auteur visés à l’article 25 et de payer à l’auteur ou à ses ayants cause une rémunération équitable qui, à défaut d’accord et à la demande de la partie la plus diligente, est fixée par le juge qui peut ordonner en même temps le versement d’une caution.
Les dispositions de l’alinéa précédent s’appliquent par analogie à la production et à la mise en circulation d’objets, à l’exception de reproductions cinématographiques, destinés à faire entendre par un moyen mécanique une œuvre musicale intégralement ou en partie, si de tels objets en rapport avec cette œuvre musicale ont déjà été produits et mis en circulation soit par l’auteur ou par ses ayants cause soit avec l’autorisation de l’auteur ou celle de ses ayants cause.
Art. 17b. — Sauf stipulations contraires, le droit de rendre publique une œuvre au moyen d’une émission radiodiffusée ou télévisée n’implique pas le droit d’enregistrer l’œuvre.
L’organisme de radiodiffusion ou de télévision habilité à procéder à la publication visée au premier alinéa est cependant autorisé à enregistrer avec ses propres moyens et exclusivement pour ses propres émissions radiodiffusées ou télévisées l’œuvre destinée à être émise, à condition que l’enregistrement des sons ou des images soit détruit dans les 28 jours à partir de la date à laquelle a eu lieu la première émission radiodiffusée ou télévisée de cet enregistrement et en tout cas dans les six mois à partir de la date de l’enregistrement. L’organisme qui en conséquence est habilité à procéder à l’enregistrement est néanmoins obligé de respecter les droits de l’auteur visés à l’article 25.
Un règlement d’administration publique peut prévoir que les enregistrements ainsi réalisés qui possèdent une valeur documentaire exceptionnelle peuvent être conservés dans des archives officielles et fixer les conditions applicables à cet égard.
Art. 17c. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre littéraire ou artistique l’exécution vocale de l’œuvre par une communauté religieuse, ainsi que son accompagnement instrumental au cours d’un culte.
Art. 17d. — Le règlement d’administration publique visé aux articles 16, deuxième alinéa, 16b, sixième alinéa, 17, troisième alinéa et 17a, premier et deuxième alinéas, et la modification éventuelle d’un tel règlement ainsi que toutes les décisions, directives ou mesures qui en découlent n’entreront en vigueur qu’à l’expiration d’un délai de deux mois à partir de la date de leur publication dans le Staatsblad.
Art. 18. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur une œuvre mentionnée à l’article 10, premier alinéa, sous 6o, et exposée en permanence sur la voie publique, la reproduction ou la publication d’une telle reproduction, à condition que l’œuvre ne constitue pas la partie principale de la reproduction et que la reproduction diffère nettement, par ses dimensions ou le procédé d’exécution, de l’œuvre originale et se borne, en ce qui concerne les œuvres d’architecture, à leur aspect extérieur 4.
4 L’article III de la loi du 27 octobre 1972 contient la disposition suivante: Art. III. — L’article 18, dans sa version actuelle, n’est pas applicable aux reproductions figurant dans les livres ou
imprimés qui sont publiés intégralement sons la même forme que celle dans laquelle ils ont déjà été publiés avant l’entrée en vigueur de la présente loi. Ces livres et imprimés restent, en ce qui concerne les reproductions, soumis à l’article 18 tel qu’il était rédigé avant l’entrée en vigueur de la présente loi.
Les reproductions auxquelles le premier alinéa n’est pas applicable et qui, avant l’entrée en vigueur de la présente loi, avaient été réalisées en vertu de l’article 18, sans infraction au droit d’auteur, peuvent, de même que le copies faites sans changement de ces reproductions, être mises en circulation dans les cinq ans qui suivent l’entrée en vigueur de la présente loi.
NL001FR page 6/12
Art. 19. — N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur sur un portrait la reproduction faite par ou pour la personne représentée ou, après son décès, par ou pour ses parents.
Lorsque le portrait représente deux ou plusieurs personnes, sa reproduction par ou pour l’une des personnes représentées n’est licite qu’avec le consentement des autres ou, pendant dix ans après leur décès, de leurs parents.
N’est pas considérée comme une atteinte au droit d’auteur la reproduction, dans un journal ou recueil périodique, d’un portrait photographique, si cette reproduction est faite par une des personnes mentionnées dans l’alinéa premier de cet article, ou avec son consentement, pourvu que le nom du photographe, pour autant qu’il est indiqué sur le portrait, soit mentionné.
Cet article n’est applicable qu’aux portraits qui sont faits à la suite d’un ordre donné à l’auteur par ou pour les personnes représentées.
Art. 20. — Le titulaire du droit d’auteur sur un portrait n’est pas autorisé, sauf stipulations contraires, à le rendre public sans le consentement de la personne représentée ou, pendant dix ans à compter du jour de son décès, sans le consentement de ses parents.
Lorsque le portrait représente deux ou plusieurs personnes, sa reproduction n’est licite qu’avec le consentement de toutes les personnes représentées ou, pendant dix ans après leur décès, de leurs parents.
Le dernier alinéa de l’article précédent est applicable.
Art. 21. — Lorsqu’un portrait est fait sans ordre donné à l’auteur par ou pour la personne représentée, le titulaire du droit d’auteur n’est autorisé à le publier qu’autant que la personne représentée ou, après son décès, ses parents, n’ont aucun intérêt légitime à s’y opposer.
Art. 22. — Dans l’intérêt de la sûreté générale et dans celui des recherches judiciaires, la justice peut reproduire, exposer publiquement et diffuser des images de quelque nature qu’elles soient.
Art. 23. — Sauf stipulations contraires, le propriétaire d’une œuvre de dessin, de peinture, d’architecture, de sculpture ou d’art appliqué est autorisé à l’exposer publiquement ou, en vue de la vente, à la reproduire dans un catalogue, sans le consentement du titulaire du droit d’auteur.
Art. 24. — Sauf stipulations contraires, celui qui a peint un tableau demeure, même en cas de cession de son droit d’auteur, autorisé à peindre des tableaux semblables.
Art. 25. — Même après cession de son droit d’auteur, l’auteur d’une œuvre a les droits suivants: a) le droit de s’opposer à la publication de l’œuvre sous un nom autre que le sien ainsi qu’à toute
modification de la dénomination de l’œuvre ou de l’indication de l’auteur, si cette dénomination ou indication figure sur ou dans l’œuvre ou si elle a été rendue publique en rapport avec l’œuvre;
b) le droit de s’opposer à toute autre modification de l’œuvre, à moins que cette modification ne soit telle qu’il ne serait pas raisonnable de s’y opposer;
c) le droit de s’opposer à toute déformation, mutilation ou autre modification de l’œuvre qui serait préjudiciable à l’honneur ou à la réputation de l’auteur ou bien à sa valeur en cette qualité.
Les droits mentionnés sous a), b) et c) reviennent, après le décès de l’auteur et jusqu’à l’extinction du droit d’auteur, à celui que l’auteur a désigné par testament ou codicille.
Les droits mentionnés sous a) et b) peuvent être cédés lorsqu’il s’agit de modifications à apporter à l’œuvre ou à sa dénomination.
Si l’auteur de l’œuvre a cédé le droit d’auteur, il conserve la faculté d’apporter à l’œuvre les modifications que, de bonne foi, il peut faire conformément aux règles établies par les usages sociaux. Tans que subsiste le droit d’auteur, la même faculté appartient à; celui que l’auteur a désigné par testament ou codicille s’il y a raisonnablement lieu de supposer que l’auteur aurait approuvé ces modifications.
Art. 25a. — Par « parents » au sens de la présente section, il faut entendre le père et la mère, le conjoint et les enfants. Chacun des parents peut exercer individuellement les droits qui lui reviennent. En cas de différend, le juge peut prendre une décision impérative pour chacune des parties.
NL001FR page 7/12
CHAPITRE II Défense du droit d’auteur et dispositions pénales
Art. 26. — Si le droit d’auteur sur une œuvre appartient en commun à deux ou plusieurs personnes, chacune d’elles peut, sauf stipulations contraires, défendre ce droit.
Art. 27. — Nonobstant la cession totale ou partielle de son droit d’auteur, l’auteur conserve la faculté d’intenter une action en dommages-intérêts contre celui qui porte atteinte au droit d’auteur.
Après le décès de l’auteur, la faculté d’intenter l’action en dommages-intérêts visée au premier alinéa revient à ses héritiers ou légataires jusqu’à l’extinction du droit d’auteur.
Art. 28. — Le droit d’auteur donne le pouvoir de saisir, conformément aux prescriptions de la saisie-revendication, les biens mobiliers, les objets rendus publics en infraction à ce droit ain si que les reproductions illicites et soit de les revendiquer comme propriété personnelle soit d’en exiger la destruction ou leur mise hors d’usage. Le même pouvoir de saisie et de revendication existe en ce qui concerne les droits d’entrée payés pour assister à une récitation, représentation, exécution, exposition ou présentation, organisées en infraction au droit d’auteur.
Dans le cas où la remise des objets visés à l’alinéa premier est exigée, le juge peut ordonner que cette remise n’ait lieu que contre paiement, par le demandeur, d’un dédommagement.
Les deux alinéas précédents sont exclusivement applicables aux biens mobiliers et aux biens qui, par leur destination, sont considérés comme des immeubles.
En ce qui concerne les immeubles autres que ceux mentionnés à l’alinéa précédent et qui peuvent donner lieu à une infraction an droit d’auteur, le juge peut, à la requête de l’ayant droit, ordonner que le défendeur y apporte des modifications telles que l’atteinte à ce droit s’en trouve supprimée, avec l’obligation pour le défendeur de verser, à titre de dommages-intérêts, une certaine somme pour le cas où, dans un délai déterminé, il n’est pas obtempéré à l’ordre du juge.
Le tout sans préjudice des poursuites pénales pour infraction au droit d’auteur et de l’action civile en dommages-intérêts.
Art. 29. — Le droit prévu par le premier alinéa de l’article précédent ne peut être exercé à l’égard des objets se trouvant chez des personnes qui ne font pas le commerce d’objets analogues et qui les ont reçus exclusivement pour leur usage personnel, à moins qu’elles n’aient elle-mêmes commis l’infraction.
L’action prévue par le quatrième alinéa de l’article précédent ne peut être intentée contre le propriétaire ou le possesseur de l’immeuble que lorsqu’il est responsable de l’atteinte au droit d’auteur en question.
Art. 30. — Lorsqu’un portrait est publié sans autorisation, les dispositions des articles 28 et 29 relatives au droit d’auteur sont applicables en ce qui concerne les droits de la personne représentée.
Art. 30a. — L’exercice de la profession d’intermédiaire en matière de droit d’auteur sur les œuvres musicales, que ce soit dans un but de lucre ou non, est subordonné à l’autorisation du Ministre de la justice.
Est considéré comme intermédiaire en matière de droits d’auteur sur les œuvres musicales la personne qui, agissant ou non en son propre nom, se charge, au profit des auteurs d’œuvres musicales ou de leurs ayants cause, de la conclusion ou de l’exécution de contrats concernant l’exécution publique ou l’émission radiodiffusée ou télévisée par signes, sons ou images de ces œuvres ou de leurs reproductions, en tout ou en partie.
Est assimilée à l’exécution ou l’émission radiodiffusée ou télévisée d’œuvres musicales l’exécution ou l’émission radiodiffusée ou télévisée d’œuvres dramatico-musicales, d’œuvres chorégraphiques et de pantomimes et de leurs reproductions si elles sont exécutées sans être représentées.
Les contrats visés au deuxième alinéa, conclus sans l’autorisation ministérielle requise selon le premier alinéa, sont nuls.
NL001FR page 8/12
Par règlement d’administration publique, des dispositions ultérieures seront édictées concernant entre autres le contrôle à exercer sur la personne qui a obtenu l’autorisation ministérielle. Les frais de ce contrôle pourront être mis à sa charge.
Le contrôle visé à l’alinéa précédent ne peut porter que sur la manière dont l’intermédiaire s’acquitte de la tâche qui lui est confiée. Les intéressés participeront à ce contrôle.
Art. 31. — Celui qui, intentionnellement, enfreint le droit d’auteur d’autrui sera puni d’une peine de prison de six mois au maximum ou d’une amende de 25 000 florins au maximum.
Art. 32. — Celui qui diffuse ou offre publiquement en vente une œuvre dont il sait qu’elle constitue une atteinte au droit d’auteur sera puni d’une amende de 10 000 florins au maximum.
Art. 33. — Les infractions visées aux articles 31 et 32 sont considérées comme des délits.
Art. 34. — Celui qui, intentionnellement, apporte, de façon illicite, des modifications à une œuvre littéraire, scientifique on artistique protégée par un droit d’auteur, à la dénomination de cette œuvre ou à la désignation de son auteur, ou qui, d’une autre façon, porte atteinte à l’œuvre, atteinte susceptible de nuire à l’honneur ou à la réputation de l’auteur ou à sa valeur en cette qualité, sera puni d’une peine de prison de six mois au maximum ou d’une amende de 25 000 florins au maximum.
Un tel acte est considéré comme un délit.
Art. 35. — Celui qui, sans y être autorisé, expose un portrait en public ou le rend public de toute autre façon sera puni d’une amende de 10 000 florins au maximum.
Un tel acte est considéré comme une contravention.
Art. 35a. — Celui qui, sans avoir obtenu l’autorisation requise du Ministre de la justice, se livre à des actes appartenant à l’exercice de la profession d’intermédiaire telle qu’elle est visée à l’article 30a, sera puni d’une amende de 5000 florins au maximum.
Un tel acte est considéré comme une contravention.
Art. 35b. — Celui qui fournit expressément des renseignements inexacts ou incomplets dans une demande ou déclaration écrite sur la base de laquelle est établie, par l’entreprise de celui qui, avec l’autorisation du Ministre de la justice, intervient en matière de droits d’auteur sur les œuvres musicales, la somme due au titre des droits d’auteur, sera puni d’une détention de trois mois au maximum ou d’une amende de 1000 florins au maximum.
Un tel acte est considéré comme une contravention.
Art. 36. — Les reproductions confisquées en vertu d’un jugement pénal seront détruites; cependant, le juge pourra ordonner dans le jugement qu’elles soient remises au titulaire du droit d’auteur si celui -ci se présente dans ce but au greffe dans le délai d’un mois après que le jugement aura acquis force de chose jugée.
Par cette remise, l’ayant droit acquiert la propriété des reproductions. Le juge pourra ordonner que cette remise ne puisse être faite que contre paiement, par l’ayant droit, d’un dédommagement qui reviendra à l’Etat.
Art. 36a. — Si une infraction est commise par une personne morale, une société, une association ou une fondation, ou en son nom, les poursuites pénales seront engagées et les peines et mesures seront prononcées: — soit contre la personne morale, la société, l’association ou la fondation en question, — soit contre ceux qui ont donné l’ordre à cet effet ou qui sont directement responsables de l’acte illicite
ou de l’omission, — soit contre les deux.
Une infraction est commise par une personne morale, une société, une association ou une fondation, ou en son nom, si elle est commise par des personnes qui, soit du fait d’une fonction soit d’un autre chef,
NL001FR page 9/12
agissent pour la personne morale, la société, l’association ou la fondation, que ces personnes aient commis l’infraction individuellement ou que l’infraction soit due à la concomitance de leurs actes.
En cas de poursuites pénales engagées contre une personne morale, une société, une association ou une fondation, elle sera représentée lors des poursuites par son administrateur ou par l’un de ses administrateurs. Celui-ci peut se faire représenter par un mandataire. Le tribunal peut ordonner la comparution personnelle d’un administrateur déterminé; il peut alors ordonner qu’il soit amené.
En cas de poursuites pénales engagées contre une personne morale, une société, une association ou une fondation, l’article 538, sous 2o, du code de procédure pénale s’applique par analogie.
Art. 36b. — Les agents de la recherche sont habilités à pénétrer dans tout lieu pour rechercher les faits érigés en infraction par la présente loi et pour saisir les objets susceptibles de l’être.
Si l’accès leur est refusé, ils peuvent se procurer l’accès en faisant, au besoin, appel à la force publique.
Ils ne pénètrent dans un logement, contre la volonté de l’habitant, que sur présentation d’un mandat spécial écrit ou qu’en présence du Procureur de la Reine ou de l’auxiliaire du Procureur de la Reine. Ils en dressent procès-verbal dans un délai de vingt-quatre heures.
CHAPITRE III Durée du droit d’auteur
Art. 37. — Le droit d’auteur prend fin à l’expiration d’un délai de cinquante ans à compter du 1er janvier de l’année qui suit l’année du décès de l’auteur.
La durée du droit d’auteur appartenant en commun à deux ou plusieurs personnes en leur qualité de coauteurs d’une œuvre est calculée à partir du 1er janvier de l’année qui suit l’année du décès du dernier survivant des coauteurs.
Art. 38. — Le droit d’auteur sur une œuvre à l’égard de laquelle l’auteur n’a pas été indiqué, ou n’a pas été indiqué de façon que son identité soit hors de doute, prend fin à l’expiration d’un délai de cinquante ans à compter du 1er janvier de l’année qui suit celle au cours de laquelle la première publication de l’œuvre a été effectuée par l’ayant droit ou en son nom.
Cette disposition est également applicable aux œuvres dont une institution publique, une association, une fondation ou une société est considérée comme auteur, ainsi qu’aux œuvres publiées pour la première fois après la mort de l’auteur.
Si l’auteur fait connaître son identité avant la fin du délai mentionné au premier alinéa, la durée du droit d’auteur sur cette œuvre est calculée en application des dispositions de l’article 37.
Art. 39. — [supprimé]
Art. 40. — [supprimé]
Art. 41. — Pour l’application de l’article 38, les œuvres parues par livraisons ou épisodes sont censées n’être rendues publiques qu’à la parution de la dernière livraison ou du dernier épisode.
En ce qui concerne les œuvres composées de deux ou plusieurs volumes, numéros ou feuilles, ou éditées par intervalles, ainsi que les rapports ou communications édités par des sociétés ou des particuliers, chaque volume, numéro, feuille, rapport ou communication est considéré comme un ouvrage à part.
Art. 42. — Par dérogation aux dispositions de ce chapitre, ne pourra être revendiqué aux Pays-Bas aucun droit d’auteur qui aura déjà pris fin dans le pays d’origine de l’œuvre.
CHAPITRE IV
(Articles 43 et 44) (contient des modifications de la loi sur la faillite et du code pénal)
NL001FR page 10/12
CHAPITRE V
(Article 45) [supprimé]
CHAPITRE VI Dispositions transitoires et finales
Art. 46. — Lors de la mise en vigueur de la présente loi, sera abrogée la loi du 28 juin 1881 relative au droit d’auteur (Staatsblad no 124).
Toutefois, l’article 11 de la loi précitée restera en vigueur pour les œuvres et traductions déposées avant cette date.
Art. 47. — La présente loi est applicable à toutes les œuvres littéraires, scientifiques ou artistiques qui, soit avant, soit après son entrée en vigueur, ont été publiées par l’auteur ou en son nom pour la première fois aux Pays-Bas, ou y ont été publiées dans les trente jours suivant la première publication dans un autre pays, ainsi qu’à toutes les œuvres de cette nature non publiées, ou non publiées dans ces conditions, et dont les auteurs sont des Néerlandais.
Une œuvre est considérée comme publiée au sens du présent article lorsqu’elle a paru sous forme d’édition imprimée ou, en général, lorsque des exemplaires de l’œuvre, quelle que soit leur nature, ont été mis à la disposition du public en quantité suffisante.
La représentation d’une œuvre dramatique ou dramatico-musicale, l’exécution d’une œuvre musicale, la présentation d’une œuvre cinématographique, la récitation ou l’émission radiodiffusée ou télévisée d’une œuvre et l’exposition d’une œuvre d’art ne sont pas considérées comme une publication (uitgave).
En ce qui concerne les œuvres d’architecture et les œuvres d’art plastique qui en font partie intégrante, la construction de l’œuvre d’architecture ou la mise en place de l’œuvre d’art plastique sont considérées comme une publication.
Art. 47a. — La présente loi reste applicable à toutes les œuvres littéraires, scientifiques ou artistiques qui ont été publiées par l’auteur ou en son nom pour la première fois avant le 27 décembre 1949 aux Indes néerlandaises ou avant le 1er octobre 1962 en Nouvelle-Guinée néerlandaise.
Art. 48. — La présente loi ne reconnaît pas de droit d’auteur sur les œuvres dont le droit d’auteur, à la date de sa mise en vigueur, a pris fin en vertu des articles 13 ou 14 de la loi du 28 juin 1881 relative au droit d’auteur (Staatsblad no 124) ni sur les œuvres dont, à ladite date, le droit de reproduction est expiré en vertu de l’article 3 de la loi du 25 janvier 1817 relative aux droits exercés aux Pays-Bas par rapport à l’impression et à l’édition des œuvres littéraires et artistiques (Staatsblad no 5).
Art. 49. — Le droit d’auteur obtenu en vertu de la loi du 28 juin 1881 relative au droit d’auteur (Staatsblad no 124), de même que le « droit de copie » ou tout droit analogue, obtenu sous une législation précédente et maintenu par la loi susnommée, reste maintenu après la mise en vigueur de la présente loi.
Art. 50. — [supprimé]
Art. 50a. — [supprimé]
Art. 50b. — Le droit exclusif de l’auteur d’une œuvre musicale de fabriquer des objets destinés à faire entendre, l’œuvre en totalité ou en partie par un procédé mécanique, ainsi que d’exécuter l’œuvre musicale en public à l’aide d’objets semblables, est sans effet par rapport aux œuvres musicales ou parties d’œuvres musicales qui, avant le 1er novembre 1912, auront été adaptées, dans la partie européenne du Royaume ou aux Indes néerlandaises, en vue de la reproduction sonore par voie mécanique.
Les objets visés au premier alinéa, qui auront été fabriqués dans un des Etats de l’Union internationale pour la protection des œuvres littéraires et artistiques sans le consentement de l’auteur de
NL001FR page 11/12
l’œuvre musicale, mais sans enfreindre une disposition légale alors en vigueur dans cet Etat, pourront être diffusés, vendus et utilisés pour des exécutions publiques aux Pays-Bas.
Art. 50c. — Celui qui, avant le 1er septembre 1912, sans enfreindre les dispositions de la loi du 28 juin 1881 relative au droit d’auteur (Staatsblad no 124) ou celles d’un traité en vigueur aux Pays-Bas ou aux Indes néerlandaises, a publié des reproductions d’une œuvre littéraire, scientifique ou artistique, n’étant pas une réimpression de la totalité ou d’une partie d’une telle œuvre visée à l’article 10, sous 1o, 2o, 5o ou 7o, ne perd pas, par l’entrée en vigueur de la présente loi, la faculté de diffuser et de vendre les reproductions publiées avant cette date ainsi que les exemplaires produits ultérieurement. Ce droit est transmissible par succession et cessible en totalité ou en partie. Le deuxième alinéa de l’article 47 est applicable par analogie.
Néanmoins le juge peut, sur la demande écrite du titulaire du droit d’auteur sur l’œuvre originale, soit annuler, en totalité ou en partie, la faculté prévue au premier alinéa, soit reconnaître au requérant une indemnité du fait de l’exercice de cette faculté, le tout conformément aux dispositions des deux articles suivants.
Art. 50d. — La requête demandant l’annulation totale ou partielle de la faculté prévue à l’article 50c, ne peut être faite que si une nouvelle publication de la reproduction a eu lieu après le 1 er novembre 1915. Le deuxième alinéa de l’article 47 est applicable par analogie.
La requête est présentée au tribunal d’Amsterdam avant la fin de l’année civile suivant l’année au cours de laquelle a eu lieu la publication. Le greffier convoque les parties dans un délai convenable à déterminer par le juge. L’affaire est traitée en chambre du conseil.
Il sera donné suite à la requête demandant l’annulation de la faculté seulement lorsque et pour autant que le juge estime que le droit moral du requérant subit un tort par la circulation et la vente de la reproduction. Dans le cas où la requête n’est pas présentée par l’auteur de l’œuvre originale, le juge la rejettera s’il admet que l’auteur a consenti à l’édition de la reproduction. Le juge rejettera la requête également lorsque le requérant a fait des efforts pour obtenir une indemnité de ceux qui exercent ladite faculté. Il pourra rejeter la requête lorsque l’annulation causerait à ceux qui exercent cette faculté un préjudice trop considérable en comparaison avec l’intérêt du requérant qui est à sauvegarder. En annulant la faculté totalement ou en partie, le juge fixera la date à laquelle l’annulation entrera en vigueur.
Dans sa décision, le juge ordonnera les dispositions qu’il jugera équitables en tenant compte des intérêts des deux parties et de tierces personnes intéressées. Il évaluera les frais des deux parties et déterminera la part de chacune d’elles. Aucun appel ne sera recevable contre les décisions judiciaires qui auront été prises en vertu du présent article. Il ne sera perçu aucun émolument de greffe pour l’application du présent article.
Art. 50e. — L’indemnité pour l’exercice de la faculté prévue à l’article 50c ne peut être accordée que si, après le 1er mai 1915, il y a eu une nouvelle publication de la reproduction. Le deuxième alinéa de l’article 47 est applicable par analogie.
Le deuxième et le quatrième alinéas de l’article précédent sont applicables.
Art. 50f. — [supprimé]
Art. 51. — [supprimé]
Art. 52. — Cette loi peut être citée comme la « loi de 1912 sur le droit d’auteur ».
Art. 53. — La présente loi entrera en vigueur dans la partie européenne du Royaume le premier jour du mois qui suit celui où elle est promulguée.
NL001FR page 12/12